De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
"Ja, 't is eene schande," zei een ander. "De politie doet hier ook
niets. Maar ik ga naar den burgemeester om mij te beklagen. 't Is
verregaand, dat er niets meer veilig is op 't dorp."
"Ik ga mee," riep een derde.
"En ik! En ik," zeiden de anderen.
En te zamen verlieten zij het ijs, om naar den burgemeester te gaan
en hem te zeggen, dat er verschillende voorwerpen uit de tenten
ontvreemd waren.
Mietje kreeg de tranen in de oogen. Al hare verdiensten waren weer
weg, want zij moest de gestolen voorwerpen natuurlijk vergoeden, dat
begreep zij zeer goed. Allereerst ging zij naar Van Dril, om hem te
zeggen, wat er gebeurd was.
"Dat is verregaand!" riep hij uit. "'t Wordt hoog tijd, dat de dieven
gesnapt worden, want zoo kan het niet langer. Maar jij, arme ziel,
behoeft de schade niet te lijden. Hier staat nog een andere pot met
toebehooren. Gebruik dien maar, doch laat hem 's nachts niet meer op
het ijs staan. Alles, wat je in de tent gebruikt, moet je vanavond
opbergen. Anders heb je kans, dat morgen alles weer verdwenen is."
Mietje bedankte van Dril voor zijn goedheid, en begaf zich dadelijk
naar de Vries. Maar deze was lang zoo vriendelijk niet als de smid. Hij
werd zelfs onbillijk.
"Daar heb je 't al," riep hij uit, toen Mietje hem het gebeurde had
verteld. "Dan leen je aan zulk volk je beste spullen, en in plaats,
dat zij er dankbaar voor zijn en er goed op passen, maken ze, dat
je ze nooit terugziet. Maar je zult me den ketel betalen, wat ik
je zeg! 't Was een beste, koperen ketel, een zware koperen ketel,
en ik laat hem maar niet goedschiks verdonkeremanen! Wie weet, wat
je er mee uitgevoerd hebt."
"Ik? Er mee uitgevoerd?" zei Mietje schreiend. "Ach, wat heb ik er een
spijt van, dat ik hem niet meegenomen heb naar huis, gisterenavond,
maar de andere tenters lieten hun boeltje ook in de tent achter,
net zoo goed als ik. Wie kon ook denken, dat de menschen zoo slecht
zouden zijn, om ons armoedje weg te stelen."
"Alles goed en wel, maar ik moet den ketel terughebben, of je zult
mij de schade vergoeden. Met minder dan vijf gulden ben ik niet
tevreden. 't Was een dure ketel, en nog zoo goed als nieuw!"
"Vijf gulden?" stamelde Mietje verschrikt. "Vijf gulden, zegt u?"
"Ja, vijf gulden minstens," was het antwoord. "Koper is duur."
Verdrietig keerde Mietje naar de tent terug. Zij wist geen raad om
zich te helpen.
"Wie zal mij weer een ketel leenen?" vroeg zij droevig.
"Dat zal ik doen," zei Anneke. "Je kunt mijn ketel gebruiken, Mietje,
als je er maar voor zorgt, dat hij elken avond bij mij binnengebracht
wordt."
"O, dat zal ik zeker," zei Mietje. "Een ezel zelfs stoot zich geen
tweemaal aan denzelfden steen."
't Ging als een loopend vuurtje door het dorp, dat de dief weer aan
den gang was geweest. En de burgemeester vond, dat er hoog noodig
een einde aan moest komen. Zoodra hij het gebeurde vernomen had,
liet hij dadelijk Flipsen bij zich ontbieden. Deze kwam direct, en
onderweg vernam hij al, wat er aan de hand was. Maar de burgemeester
vertelde het hem nog eens dunnetjes over. Flipsen hoorde hem zwijgend
aan; er speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijne lippen. Hij
meende te weten, waar hij thans zoeken moest.
"Je moet bij de tenters eerst gaan onderzoeken, welke voorwerpen door
hen worden vermist, en dan zoek je maar net zoo lang, tot je den dief
gevonden hebt," besloot de burgemeester.
"Laat het maar aan mij over, burgemeester," zei Flipsen met een hooge
borst. "Ik zal het zaakje wel afwikkelen."
Hij stapte op het ijs, en begaf zich met een zakboekje in de linker
en een potlood in de rechterhand van de eene tent naar de andere,
en overal vroeg hij, welke voorwerpen gestolen waren. Het bleek hem,
dat alle tenters hun ijzeren pot en grooten ketel hadden achtergelaten,
en dat die nu vermist werden.
De tenters waren er bitter slecht over te spreken, en Flipsen moest
menig onaangenaam woord hooren.
"Waarom heb je niet beter uitgekeken?" vroeg er een. "Je doet ook
niet veel voor den kost, Flipsen."
En een ander merkte op:
"Of wij politie op het dorp hebben of geen politie, dat komt op
hetzelfde neer. De dieven doen toch maar, wat ze willen."
"'t Is jullie eigen schuld," gaf Flipsen ten antwoord. "Wie laat
zulke dingen bij nacht en ontijd ook buiten staan? Je bent te lui om
voor je spullen te zorgen, en als ze dan gestolen worden, krijgt de
politie de schuld. Zoo is het altijd. 't Is het oude liedje en anders
niet. Doch heb maar geduld. Dezen keer zul-je eens zien, dat Flipsen
wel uit zijne oogen gekeken heeft, en terdege ook. Eer we een halven
dag verder zijn, heb ik de dieven gesnapt, want er is er niet een,
maar er zijn er twee."
De menschen keken hem ongeloovig aan.
"Twee?" vroegen ze. "Zijn er twee? Weet je dan, wie de daders zijn?"
"Ik weet, wat ik weet," gaf Flipsen gewichtig ten antwoord. "En ik
zeg, hebt maar geduld. Je zult je verloren zaakjes spoedig genoeg
terug hebben, veel vlugger zelfs, dan je denkt."
Flipsen keerde zich om en begaf zich regelrecht op weg naar--den
pottenschipper. De menschen zagen dat tot hunne verbazing, en ook zij
begaven zich naar de hun welbekende schuit, die niet ver van de tent
van Mietje aan den wal lag. Dat was hare vaste plaats. Een plank
lag van de schuit naar den walkant om te maken, dat de bezoekers
gemakkelijk op de schuit konden komen.
Flipsen liep de plank over en deed het deurtje van de kajuit open,
die den pottenschipper tot woonvertrek diende. Eene warme lucht kwam
den veldwachter tegemoet. Hij zag dadelijk, dat de pottenschipper bij
een klein tafeltje zat met een pijpje in den mond. De rook dwarrelde
door het geopende deurtje naar buiten.
"Goeden dag," zei Flipsen binnentredende. Zijne oogen dwaalden
onderzoekend in het kleine vertrekje rond.
"Dag Flipsen," was het antwoord. "Kom binnen. Wat is er van je dienst?"
"Dat zal ik je zeggen. Er zijn ijzeren potten en verscheidene ketels
gestolen uit de tenten, die op het ijs staan."
"Is het waar?" vroeg de pottenschipper. En hij liet er op volgen:
"Wat zijn die menschen onvoorzichtig, om zulke dingen 's nachts te
laten staan. 't Is meer dan dom."
"Dat is het," zei Flipsen.
"Maar ik begrijp niet, wat ik daarmede te maken heb," hernam de
schipper. "Ik ben gelukkig geen dief, en heb ze niet gestolen."
"Zoo--ja, dat kan wel," zei Flipsen, die wel een beetje in de
war raakte, toen hij den schipper zoo kalm zag zitten. De man was
blijkbaar in 't geheel niet geschrokken door zijn bezoek, wat Flipsen
toch stellig verwacht had.
"Zoo--ja, dat kan wel," herhaalde hij. "En dat wil ik wel gelooven ook,
maar ik dacht, de pottenschipper is iemand, die vodden, beenen, oud
ijzer en dergelijke dingen opkoopt. Misschien kan hij me inlichtingen
geven, die me een beetje op weg helpen. Want die dieven moeten gevonden
worden, dat spreekt van zelf."
"Juist, hoe gauwer, hoe beter," zei de pottenschipper. "Ik heb,
zooals je weet, heel wat potten en pannen boven op mijn schuit staan,
en ik houd mijn hart in mijn lijf vast, dat de dieven daar ook een
bezoek zullen brengen. Wat zou ik lachen, als je ze snappen kon,
Flipsen; 't is meer dan tijd. Maar inlichtingen,--neen, die kan ik
niet geven. Ik heb van niets gemerkt."
"En is u niets van dien aard te koop aangeboden ook?" vroeg Flipsen,
terwijl hij zijn oogen strak op die van den schipper gevestigd hield.
"Nu nog mooier!" riep deze uit. "Ze moesten het eens wagen met
gestolen goed bij me aan te komen! Wat zouden ze gauw mijne schuit
uit zijn. Neen man, voor zoo iets zijn ze bij mij aan het verkeerde
kantoor. Daar moet ik niets,--niemendal van hebben. Dank je hartelijk!"
De veldwachter stond op. Hij begreep thans zeer goed, dat de
pottenschipper of totaal onschuldig was, of dat deze te slim was om
zich te laten uithooren. Hij zeide dus:
"'t Spijt me, dat u me geen inlichtingen kan geven. Mag ik nu de
schuit nog even van binnen bekijken?"
"Wel, nu nog mooier!" riep de schipper boos uit. "Wou je mijn schuit
doorzoeken? 't Is fraai, dat moet ik zeggen. En met welk doel, als
ik vragen mag?"
"Louter uit nieuwsgierigheid," zei Flipsen. Hij klom op het dek
en begaf zich naar de voorzijde van de schuit. Hij wist, dat daar
de ingang was van het ruim, waar de schipper zijne meeste goederen
bewaarde. Deze volgde hem onwillig, en hij deed niets dan mopperen
over de onbeschaamdheid van Flipsen.
"'t Is een schande, om een fatsoenlijk mensch van diefstal te
verdenken," zei hij. "Welke reden heb je daarvoor? Wie heeft er iets
op mij aan te merken?"
Flipsen zei niets. Hij ging het ruim binnen en keek onderzoekend
rond. Maar hij zag niets dan steenen voorwerpen voor huishoudelijk
gebruik, en alles fonkelnieuw. Achter in het ruim, in een donkeren
hoek, vond hij ook nog een hoop vodden, beenen en oud-roest. Hij
was er te vies van, om het met zijne handen aan te raken. Daarom
trok hij zijn sabel en wroette in den hoop rond. Maar hij ontdekte
niets verdachts, wat hem geducht tegenviel, want hij had er stellig
op gerekend, de gestolen voorwerpen hier aan te treffen. Er bleef
geen gaatje ondoorzocht, en eindelijk verliet hij de schuit, zonder
iets wijzer geworden te zijn.
Er hadden zich heel wat menschen op den kanaalkant verzameld,
om den afloop van Flipsen's onderzoek af te wachten. Maar zij
zagen al dadelijk aan zijn gezicht, dat hij niets gevonden had. De
pottenschipper beklaagde zich met luider stem tegen de menschen
over de schande, die Flipsen hem had aangedaan, en zijn toehoorders
vonden, dat hij wel een beetje gelijk had. Ook Frans Thor en Klaas
Zwart bevonden zich onder de toeschouwers. Zij zeiden niets, en Klaas
Zwart zag zelfs een beetje bleek. De pottenschipper zag hen staan,
en hij zeide zoo luid tegen Flipsen, dat iedereen het hooren kon:
"Als er nu weer eens wat vermist wordt, hoop ik van je vereerend
verzoek verschoond te blijven, Flipsen. Je weet nu eenmaal, dat ik
part noch deel aan de zaak heb. Ik ben een eerlijk koopman, en houd
mij met slechte practijken niet op."
Een zucht van verlichting ontsnapte bij die woorden aan de borst
der beide jongens, en onmerkbaar stootten zij elkander met den
elleboog aan.
Flipsen was erg teleurgesteld. Hij begreep, dat hij het spoor van
den dief weer geheel bijster was, en hij wist niet, waar thans te
zoeken. Toch gaf hij het nog niet op. Regelrecht ging hij naar de
woning van Klaas Zwart, en ook daar doorzocht hij het heele huis en de
schuur. Maar alweer tevergeefs. Daarna begaf hij zich naar 't huis van
Thor, den oud-gediende uit Indie. Deze ontving hem ver van vriendelijk,
maar daar stoorde Flipsen zich niet aan. Hij doorsnuffelde ook diens
woning van boven tot beneden, echter zonder het gewenschte gevolg. Hij
kwam tot de conclusie, dat hij zich totaal vergist had. En toch stond
het bij hem vast, dat de dief op het dorp woonde.
Dertiende Hoofdstuk.
Hoe Jantje op een gelukkig idee kwam.
Er werd 's avonds, toen de lampen opgestoken waren en de menschen
gezellig in de kamer rondom de kachels zaten, heel veel over het
gebeurde gesproken. Zoo ook bij Dik Trom. Jan Vos en Piet van Dril
waren bij hem op visite, en Anneke had anijsmelk gekookt, tot groote
vreugde van Jan, die zijn vriendje Karel ook bij zich mocht hebben,
en bizonder veel van anijsmelk hield.
't Was een recht prettige avond, want de drie oude vrienden zaten te
praten over hunne kinderjaren, en de twee jongens luisterden met open
mond naar hetgeen er verteld werd. Eindelijk kwam het gesprek ook
op den gepleegden diefstal, en algemeen waren zij het er over eens,
dat het een laaghartige daad was. Ja, vroeger was er ook meermalen
gestolen, maar nu had de dief zelfs de laagheid gehad de spulletjes
weg te stelen van de armsten onder de armen. 't Was wel zoo erg,
als het maar wezen kon.
"En Flipsen was de plank heelemaal mis," zei Dik. "Hoe kwam hij er
ook toe, den pottenscihpper van den diefstal te verdenken? Die man
komt zelden of nooit zijne schuit uit."
"Dat is wel mogelijk," zei Jan Vos, "maar vroeger moet hij een echte
deugniet geweest zijn, heb ik wel eens gehoord."
"O, vroeger!"--meende Piet van Dril, "vroeger, dat is nu niet. Een
mensch kan zich beteren."
"Dat is waar," zei Dik. "Ik geloof er trouwens ook niets van, dat hij
er aan schuldig is. Maar 't is toch wonderlijk, dat de dief zoo lang
met zijne diefstallen kan doorgaan, zonder betrapt te worden. Flipsen
loert avond aan avond op hem, en hij is waarlijk toch niet voor
de poes."
"Neen, dat geloof ik ook!" zei Piet van Dril lachend. "Daar weten wij
van mee te praten, he?--Denk nog maar eens aan een zeker avondje in
den tuin van den burgemeester...!"
Allen schoten in den lach.
"Ja, maar toen waren wij hem toch te knap af!" zei Dik.
Zoo zaten zij nog lang te praten, tot Jan Vos opeens zeide: "Als het
zoo blijft voortvriezen, zal de visch het gauw benauwd krijgen onder
het ijs. Morgen moet ik toch eens probeeren, of ik niet een lekker
maaltje paling kan vangen."
"Ja, doe dat maar," zei zijne vrouw, die intusschen druk met de andere
vrouwen had zitten praten. "Overmorgen is het Zondag, en dan wil ik
wel graag een lekker maaltje hebben."
"Paling vangen? Hoe doet u dat dan?" vroeg Jan nieuwsgierig.
"Wel jongen, als 't ijs erg dik is, krijgt de paling het er benauwd
onder en begeeft zich naar de bijten en wakken, waar open water
is. Met een sikkel, die aan een langen stok bevestigd is, kun-je ze
gemakkelijk uit het water op het ijs wippen. Dat vereischt alleen
maar wat behendigheid."
"Zwemmen ze dan niet weg?" vroeg Karel.
"Neen jongens," zei Dik. "Of het van de kou komt, of van wat anders,
dat weet ik niet, maar zij zijn bij sterk ijs min of meer suf. Je
kunt ze dan vrij gemakkelijk vangen."
"Willen wij dat morgen ook eens gaan doen?" vroeg Karel aan Jan. "Wij
hebben dan toch den heelen dag vrij."
"Ik vind het best," zei Jan. "Graag zelfs. Van Dril, heeft u voor
ons elk ook een sikkel? Dan gaan wij morgen op de vangst."
"Zeker wel, jongens, er liggen oude sikkels genoeg in de smederij. Als
je er zelf dan maar een langer handvat aan maakt, want het gewone
handvat is voor dat werk te kort. Je moet er een stok aan doen,
ongeveer zoo lang als je arm."
"Een gewone lat is wel goed," zei Dik.
Jan en Karel spraken af, dat zij er na het ontbijt samen op uit zouden
trekken. De sikkels zouden spoedig genoeg in orde zijn, daar waren
zij het over eens.
En zoo gebeurde het ook. Toen Jan ontbeten had, ging hij naar Karel,
die al twee goede sikkels had opgezocht. Zij haalden de handvatten er
af, en deden er langere voor in de plaats. In een kwartiertje waren zij
daarmede klaar. Karel nam een emmertje mee, om er de visch in te doen,
en zoo trokken zij er samen op uit. Ook namen zij elk een bijl mede,
om hier en daar een gat te hakken. 't Eerst gingen zij naar de bijt,
die voor het huis van Dik Trom gehakt was. Het ijs van den laatsten
nacht lag er nog in. Zij hakten het los en trokken de schotsen op
het ijs. Toen keken zij in de bijt, en waarlijk, heel rustig lag daar
een dikke paling op den bodem.
"Kijk, kijk, daar ligt er een," zei Jan, die hem het eerst zag.
Hij stak den sikkel voorzichtig onder het beest door en wipte hem met
een snelle beweging omhoog. Daar spartelde de paling op het ijs. Ha,
wat kronkelde hij zich! De jongens sprongen beiden op hem toe, want
hij lag dicht bij den rand van de bijt.
"Grijp hem, grijp hem!" riep Jan zijn vriend toe, want deze was het
dichtst bij hem. Maar Karel kwam te laat. Wel gelukte het hem nog
den paling te grijpen, maar deze kronkelde zich om zijn arm heen,
en dat vond Kareltje zoo'n eng gevoel, dat hij het beest met een
rilling over de leden losliet. Op 't volgende oogenblik verdween de
paling in de bijt, en de jongens hadden nakijk.
"He, wat is dat jammer!" riep Jan spijtig uit. "Hoe dom ook van je,
om hem weer los te laten, toen je hem zoo mooi vast hadt."
"Hu, wat glibberig was hij, en wat kronkelde hij akelig om mijn
arm heen," zei Karel, wien opnieuw eene huivering over den rug
ging. "Precies een slang."
"Dat zal jij wel weten," zei Jan. "Je hebt nog nooit een slang gezien."
"Genoeg,--meer dan jij," meende Karel. "In Artis."
"O, in, Artis. Daar liggen ze achter glas.--Nu, deze is in elk geval
weg, en wij zullen hem wel nooit terugzien. Wat was het een dikkerd."
"Of hij dik was," zei Karel. "Akelig dik."
"In deze bijt is niets meer te zien. Willen we naar die van den
burgemeester gaan aan den overkant? Dat is ook eene groote bijt."
"Mij goed," zei Karel. "Maar ik pak ze vast niet meer met mijne handen
beet. Hu, wat een akelige beesten."
"Je bent een bangerd, hoor!" spotte Jan.
"Jij bent een held!" zei Karel. "Dat weet ik wel."
"In elk geval zou ik hem niet loslaten, als ik hem eenmaal te pakken
had," zei Jan.
Zij liepen het kanaal over, en kwamen bij de bijt van den
burgemeester. Hun eerste werk was ook hier het ijs van den laatsten
nacht los te hakken en de schotsen op het ijs te trekken. Toen dat
gebeurd was, keken zij in het water.
"Ik zie er een," zei Karel.
"Ik ook,--wel twee," zei Jan.
Zij brachten de sikkels in het water, en op 't volgende oogenblik
spartelden twee palinkjes op het ijs. Jan wierp er een van in
het emmertje, maar Karel was niet te bewegen, den tweeden aan te
grijpen. Jan moest er om lachen.
"Help, help, hier is er een," schreeuwde Karel, die moeite had om
het beest met zijn sikkel van de bijt weg te houden. 't Beest wilde
met alle geweld weer in 't water.
"Pak hem dan!" riep Jan hem lachend toe.
"Ik dank je,--ik moet er niets van hebben. Toe dan, Jan, grijp hem,
of we zijn hem kwijt."
Jan kwam zijn vriend te hulp, en spoedig was ook de tweede paling in
het emmertje opgeborgen. Maar van den derden was, toen zij weer in
de bijt keken, geen spoor meer te vinden. De jongens hadden hem wat
al te veel lawaai gemaakt naar zijn zin, zoodat hij het verstandig
geoordeeld had, zich wat uit hunne nabijheid te verwijderen. Maar Jan
en Karel waren toch wat in hun schik met hunne vangst, en zij begaven
zich van de eene bijt naar de andere. De voorraad in hun emmertje
werd steeds grooter, en zij twijfelden niet, of zij zouden wel een
flink maal bij elkander krijgen.
Lachend zei Karel tot Jan:
"Als Vos op de vangst gaat, zooals zijn plan was, zal hij niet erg
veel meer vangen. Wij hebben zoetjes-aan alle bijten van het dorp
afgevischt."
Jan lachte ook.
"Dan vischt hij achter het net," zei hij. "Kijk, ginds gaan Frans
Thor en Klaas Zwart. Zij hebben ook bijlen bij zich. Ik denk, dat
zij ook op de vangst uitgaan."
"Laat hen maar vooruitgaan," zei Karel. "Wij zijn op hun gezelschap
niet gesteld. Willen wij nu buiten het dorp gaan, voorbij het
fort? Daar zijn wel geen bijten, maar vader zegt, dat de visch zich
aan de kanten van het kanaal ophoudt, zeker om beter lucht te kunnen
krijgen. Dan hakken wij hier en daar eene schots los."
"Mij goed,--best zelfs," zei Jan.
De jongens gingen langs het fort en deden als gezegd is. En 't was
inderdaad een prettig werkje voor hen, want zij vingen veel meer,
dan zij verwacht hadden. Er waren palingen bij, wel zoo dik als hun
pols. De jongens hadden de grootste moeite, om die dikke beesten in
het emmertje te houden. Telkens keken de koppen boven den rand uit,
en eens, toen het Karels beurt was om den emmer te dragen, kronkelde
plotseling alweer zoo'n dier tegen zijn arm op. 't Gebeurde zoo
onverwachts, dat hij er hevig van schrikte. Met een gil liet hij den
emmer op het ijs vallen, en alle palingen kronkelden in het rond.
"Jou ezel!" riep Jan uit. Maar veel tijd tot praten had hij niet, want
hij moest dadelijk aan het vangen. En 't ging lang niet gemakkelijk,
om de dieren weer in den emmer te krijgen, vooral nu hij alles alleen
moest doen. Karel was niet te bewegen eene hand uit te steken. Hij
vond de beesten zoo eng, dat hij ze niet durfde aanraken. Eindelijk
had Jan ze alle weer verzameld.
"Geef mij den emmer maar," zei hij. "Anders ligt het heele zaakje
aanstonds weer op het ijs. Draag jij dan de bijlen."
De jongens verwijderden zich hoe langer hoe verder van het dorp. Hier
en daar waren kleine, vierkante bijtjes gehakt. Een schots lag er
naast, om de schaatsendrijders te waarschuwen.
"Dat zijn bijtjes van de visschers," zei Jan. "Die brengen er hunne
netten door onder het ijs. Ik wed, dat ze heel wat vangen."
"Dat denk ik ook," zei Karel. "Als je nagaat, wat wij al hebben,
kun-je wel begrijpen, wat zij moeten vangen."
Jan had het druk om de palingen naar beneden te duwen, die telkens
opnieuw uit het emmertje wilden kruipen.
"Heidaar, blijven waar je bent!" zei hij tegen een dikkerd, die
nieuwsgierig over den rand keek. "Bij je kameraden blijven!"
Bij een van de visschersbijtjes deden de jongens eene gelukkige
vondst. In het riet namelijk zagen zij een groot stuk net liggen,
dat zeker door de visschers weggeworpen was. Karel zag het het eerst.
"Kijk eens, Jan,--daar," zei hij. "Daar ligt een groot stuk net. Laten
wij daar de palingen in doen, dan kunnen zij niet ontsnappen en hebben
wij er geen last meer van."
"Daar zeg je zoo wat," zei Jan.
De jongens haalden het net uit het riet. Zij zagen, dat het een
palingfuik wast geweest. Op verschillende plaatsen was het stuk.
"De visschers hebben het zeker weggegooid," zei Jan. "En ons komt
het mooi te pas."
Zij deden de palingen in het net en bonden het dicht met een touwtje,
dat Jan in den zak had.
"Zie zoo, nu zitten ze goed bewaard," zei Jan.
"Ja,--lekker warm. Ze zullen nu geen last meer van de kou hebben.--Zeg,
wat hebben we er al veel, he?"
"Ja, heel wat. Mij dunkt, dat we er al meer hebben, dan we
oplusten. Willen we nu weer naar huis gaan?"
"Goed," zei Karel. "Het begint mij zoetjes-aan te vervelen ook. Zullen
we vanmiddag gaan schaatsenrijden?"
"Ja,--dat is afgesproken."
Karel had de sikkels en de bijlen op den schouder, en Jan droeg het
net met de paling. Zoo kuierden zij samen naar het dorp terug.
Toen zij dicht bij het fort gekomen waren, en dus het dorp bijna
hadden bereikt, hoorden zij achter zich het krassen van schaatsen
op het ijs, en het schuifelen van een slede. Omziende zagen zij,
dat het twee visschers waren, die eene slede voortduwden. Zij kenden
de mannen niet. 't Waren zeker lieden van een ander dorp. Zoodra die
menschen hen bereikt hadden, hielden zij stil.
"Hola, jongens, wacht eens even," riep een van hen hun toe.
Zij bleven staan, en de twee mannen kwamen met groote schreden op
hen af.
"Zie je wel?" zei de een tegen den ander. "Daar heb je de dieven al."
"Ja," was het antwoord van den tweede.
Deze greep het net en rukte het Jan driftig uit de hand.
"Hoe kom jij aan dat net?" vroeg hij op barschen toon.
"Ja, hoe kom jij aan dat net, kleine dief!" zei de andere visscherman.
"Dat hebben wij gevonden, ginds in het riet," zei Jan. "Hoe zouden
wij er anders aankomen?"
"En die paling dan?" vroeg een der visschers smalend. "Die heb je
zeker ook gevonden, he kereltje?"
"Neen," zei Jan, "die hebben we gevangen."
"Juist, die hebben we gevangen," zei ook Karel.
"In dit net zeker, he, en dit net heb je onder het ijs gevonden,
he? Ja, ja, eerlijk gevonden, he?"
"Eerlijk gestolen," zei de andere visscher. "Houdt je maar niet van den
domme, want dat baat je niemendal. Dit net is van ons, en jullie hebt
onze fuiken gelicht. Maar dat zal je berouwen, wat ik je zeg. Vooruit,
kereltjes, gaat maar eens mee naar den burgemeester."
"Ik zeg, dat het niet waar is!" riep Jan de visschers driftig toe,
en hij werd rood van kwaadheid. "Wij zijn geen dieven, en dat net
hebben we eerlijk gevonden. 't Is op verschillende plaatsen stuk,
en 't lag in 't riet. Daarom meenden we, dat het door de visschers
weggegooid was, daar het toch niet meer gebruikt kon worden. Wij
hebben het niet gestolen."
"Jongen, jij kunt liegen, of het gedrukt is," zei een der
visschers. "Maar ons zul-je er niet mee bedriegen. Jelui hebt onze
fuiken gelicht, en dat is strafbaar..."
"Niet zoo'n beetje ook!" viel de andere visscher zijn kameraad
in de rede. "En dat is maar goed ook. Is 't geen schande, onze
netten te verscheuren, en onze visch te stelen? Maar het zal je
berouwen. Vooruit, zeg ik je, naar den burgemeester!"
"Dat doe ik niet!" zei Jan driftig. "Wij zijn geen dieven."
"Je praat dom, jongen, want de bewijzen droeg je in de handen."
"Ja," zei de ander, "je bent er gloeiend bij!"
"Vooruit, jongens, en als je niet goedschiks gaat, dan moet het
maar kwaadschiks gebeuren. Vooruit, zeg ik je, en een beetje vlug,
asjeblieft!"
De jongens begrepen, dat er niet veel anders opzat dan te
gehoorzamen. Met hun vieren vervolgden zij hun tocht naar het dorp.
Eerst was Jan meer dan kwaad, maar dat bedaarde langzamerhand,
en eindelijk vond hij het wel goed, dat zij naar den burgemeester
gingen. Deze zou wel dadelijk begrijpen, dat zij onschuldig waren.
Maar dat was niet zoo. De burgemeester was bijzonder slecht gehumeurd,
omdat het Flipsen nog niet gelukt was, de dieven te ontdekken. Zoodra
nu de visschers, die hem tot hun genoegen thuis getroffen hadden, hem
vertelden, wat er aan de hand was, geloofde de burgemeester stellig,
dat hij de dieven thans op het spoor was, en hij besloot de jongens
scherp te ondervragen.
Jan en Karel betuigden echter hunne onschuld. Zij vertelden dat zij
de palingen gevangen en het net gevonden hadden. Maar de visschers
lachten om die verklaring.