A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet

C >> C. Joh. Kieviet >> De Zoon van Dik Trom

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12


"Of buikpijn?"

Nogmaals hetzelfde gebaar.

"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter
voor u moet halen."

De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van
een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.

"Maar zeg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van
te worden. Of kan u niet spreken?"

De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.

"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort,
en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker
te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de
vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in
allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij
haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen
dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel
aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.

Maar haar snoeplust leerde zij er niet mee af. Die kwaal was bij haar
te veel ingekankerd.

Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den
winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de
kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar
de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag
daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart
kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de
neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich
heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig
het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de
verrukkelijke taart opleverde.

Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen,
zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.

En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger
streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat
heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht,
zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar
neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....

Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van
snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den
bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk
tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die
lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij
dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.

Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat
er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een
gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij
vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke
in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon
haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk
gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.

"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als
zij het hooren," zei Anneke.

"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe
taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet
en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen
opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel
over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over."

Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden
het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij
hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den
heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar
Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.

Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke
bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.



Vierde Hoofdstuk.

De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van
de orgelvrouw.


De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in
de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik
en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om
zijn eetlust te bewonderen.

"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel
hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"

Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al,
toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen
zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit
eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken,
toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet
in hun hoofd voelden opkomen.

Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren
wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.

Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel
klein was, wilde hij altoos op diens knieen zitten en paardje-rijden,
zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed,
zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders
gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich,
om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.

Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij
grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over,
omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer
gezond en wel terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar
spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk:
"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."

Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was,
schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van
dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er mee
tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op
de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te
voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst
in de winkelruit. Dat gebeurde alles op een dag, tot grooten schrik
van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader
had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent
maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk
mompelde:

"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie."

Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen
zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard
niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was
bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer
kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het
twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader
legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij
verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden
voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar
zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden,
katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar
een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de
kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn
hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden
stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond
Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een
bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten,
en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen
aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was
zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want
zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam,
zoo hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar
nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en
keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje,
die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.

De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in een woord
radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij
haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op
hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.

En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had,
ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat,
maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat
stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te
vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.

Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de
achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam
zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje
gedaan had.

"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag
staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:

"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"

De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de
wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn
zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag
aan de toonbank wapperde.

"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat
geslagen...."

"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader
ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."

"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de
kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit
het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik
beginnen moet...."

Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en
stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed,
om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als
't ware moord en brand.

Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes,
die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.

Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op,
dien hij regelrecht naar de keuken bracht.

"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,"
zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon,
toen zij de ramp in oogenschouw nam.

Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een
paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.

Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep
zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje
schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en
Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren
waren onbruikbaar geworden.

Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan
ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd
opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat
werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij
's avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.

"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij
eindelijk. En Grootvader zei:

"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."

Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er
niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten
hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den
geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij
liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel
zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten
voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En
nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier
het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp
en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig
voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk
oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den
winkel te helpen.

Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe
het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje
had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al
zelf opendoen.

't Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur
gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk
was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de
vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje
haastte zich naar de keuken, en zei:

"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet
zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.

"He, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels
op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de
toonbanklade, Jantje, je weet wel."

"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.

Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.

Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste
belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer
geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in,
die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een
derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes
handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en
zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.

"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde
de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en
Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien,
en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.

"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje,
die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog
een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde
draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk
genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.

"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del
nog genoeg."

Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.

"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de
andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten
kwamen....

Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de
lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar
erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het
busje mocht spelen.

Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon
Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er
juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen
en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:

"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de
dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:

"Vollek!--Vollek!"

Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die
onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen
zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in
een achterbuurtje.

Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn
Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd
was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer
met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw
en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht
standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.

"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't
is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke
menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."

Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje
maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.

"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei
Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.



Vijfde Hoofdstuk.

Jantje en de school.


Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had
hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts
scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van
natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen
stok in huis kon houden.

Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden,
in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde
hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den
geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet
veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna
altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag
er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot
in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd,
en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
greep Anneke hem bij den arm, nam hem mee naar de keuken, en boende
hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patient gewoonlijk een
erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in
den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die
meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje,
die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:

"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd
maar gewasschen worden!"

Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op,
voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.

't Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen
tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn
voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de
slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.

Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak
thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik
bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te
houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel
minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al
op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar
beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat
hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel
en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat
bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk
overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat
hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den
schrik, maar dat werd spoedig beter.

Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags
weer in de buurt rondwandelde.

Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en
hij zei:

"Wel, wel, kan die hazewindhond zoo klimmen? Kijk Anneke, dat is nu
iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik
was. Ik vind het wel aardig."

Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zoo over de zorg, die zij van
den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot
hem voortaan, als het goed weer was, maar mee te nemen op den wagen.

Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig
om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij
de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen
sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook
alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet
noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde
Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit
was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek,
die zoo hard loopen kon als de zijne. Een ding was maar jammer. De hit
had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten
wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij
vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was
er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht
wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel
aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op
't idee gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en
als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat
hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester
dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui,
zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens
niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de
zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in
een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder,
voor hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer
of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij
gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op
den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer
af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls,
maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit,
die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder
veel van hem, en Jantje vond het wat heerlijk, als het lieve paardje
zoo lustig voor den wagen draafde.

En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok
zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat
gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met
den winkel.

Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar
daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de
toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf
en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.

Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.

Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite
om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem
stevig vast.

Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd
genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen,
't hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste
verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.

De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad
meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen,
want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand
haar kon verstaan.

Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering en even
groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de
mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.

De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:

"Wel kleine man, wat is er?"

"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje.

De Juffrouw schoot in een lach, en zei:

"O he, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene
maand of drie."

"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig
begonnen te beven.

"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in
de school ook wel prettig."

Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk
bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen
zette. Er kwam geen einde aan.

Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere
nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook
hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje
keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan
kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was
eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare
toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af,
greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde
daardoor niet harder of zachter De zaak liet hem volkomen koud.

Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast
gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij
geducht op hem gebromd.

"Daar dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden
wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast
zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt."

Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in
die boekenkast heel vreemd, want zooveel boeken had hij nog nooit
bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij
mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de
kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde,
deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12