De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de
laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken,
en zakte zingende op huis af.
Anneke keek wat gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.
"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze.
"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje,
waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi
kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend
en nog veel meer."
"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest
kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al
half elf. Blijf nu maar thuis."
Dat deed Jantje met het meeste genoegen.
Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen
geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer
in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.
"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze
stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis,
om te vragen, of hij daar was.
"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid
had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast
niet!"
Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij
van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.
"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij.
En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte
hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder
een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.
"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij
nooit meer mee uit rijden. Dat zeg ik en dat meen ik."
Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf
geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was
er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn
vader uit rijden mocht.
Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver
aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele
klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal
gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand
anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij
altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd
over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de
Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak:
"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste,
de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school."
En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk
afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende
hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend
waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen.
Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste
jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met
de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte
het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn
werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg
zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde,
en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd,
zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem
menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.
Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te
knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den
knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls
telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht
kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en
kreeg nog straf op den koop toe.
Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij
onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer
te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan
verbeeldde hij zich, dal hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde,
zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen
had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het
touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in
zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond
de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op,
om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag,
dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk
bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij
niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch
wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op
den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op
den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan
er eenige hardop begonnen te lachen.
Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche
schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en
wilde hem de bank uittrekken.
"Allo, ondeugende jongen, voor de klasse! Direct!" En zij trok zoo
hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan
het linker van Karel vast, zoodat Kareltje ook mee moest,--tot zijn
groote verbazing.
"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel.
"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder
aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde
zijn voorbeeld.
"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!"
"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw.
Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar,
en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand
was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen
hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed
het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek
gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje,
in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben,
omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op
de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf
had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest
schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen,
die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.
Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan,
vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen
terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.
"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak mee
afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu
kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij
potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een
liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd,
dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den
knikkertijd, dan vond hij dat weer 't mooist. En zoo ging het met alle
spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't allerprettigst
vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem
niet te bedenken.
Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk
vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En
zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos
erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in
een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich
met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de
sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.
Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien
van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen
zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar
dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens
lieten zich niet ongestraft bekogelen.
Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want
hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien
zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn
broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam,
maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het
ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke
vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier
uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts
met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon
nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was
een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit
gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag
hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas
Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.
Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had,
en hij werd er erg boos om.
"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met
sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten,
wacht maar!"
"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand
houdende, "er zat geen steen in."
"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde
van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.
Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed
om te vluchten.
"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, he,
daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!"
Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.
Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte
een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander
stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen
voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus
achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand
af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij
kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen,
en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.
Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.
Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij
kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een
vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene
jongens op het plein.
"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn
slee?"
"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je
durft, dan zullen wij sleden!"
"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen,
dat Klaas bleef staan. "He, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan,
zoo'n hufter!"
"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van
zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat
dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.
"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!"
"Flap!"
Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van
het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond
sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.
Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.
Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij
daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.
Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er
dadelijk wel drie voor terug.
"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens.
't Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar
hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar
deze de ballen al gereed had liggen.
Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas
af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.
Jan hem achterna.
"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!"
Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.
Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn
nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen.
Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de
school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die
Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette,
niet ver van de kachel.
"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik
moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't
Is er nu te laat voor, want de school gaat aan."
Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.
De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.
"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent
niet bij je moeder thuis."
"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon,
en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt.
"Houd je mond, brutale jongen," zei ze.
Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.
Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want
hij leerde veel liever met de andere leerlingen mee, en bovendien
was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete
kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend,
want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest
eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te
tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig
over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij
opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net,
of er een straaltje koud water langs liep.
Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het
duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieen en kwam
eindelijk in zijne kousen terecht.
Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de
sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne
kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem
kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zooveel
water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken.
Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne
beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte
hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.
Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk,
daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten
een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter
werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe
minder op zijn gemak voelde.
Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan
geheel vergeten was.
Eindelijk was de plas rondom Jan zoo groot geworden, dat hij de
aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de
sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem
gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep:
"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!"
Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen
gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te
kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar
de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot
achter zijne ooren.
"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet
gewaarschuwd?"
"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging
"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die zijn bij de heete kachel
gesmolten."
En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen
in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.
De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten
ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen.
Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.
Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds
zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij
er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten,
die dien dag in den winkel kwamen.
Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de
opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken,
de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje
voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos,
want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.
Zesde Hoofdstuk.
Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.
Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem
beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem
zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want
Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield
niet op met zeuren.
Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.
"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik.
"Is het mooi?" vroeg Jantje.
"Erg mooi," was het antwoord.
"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van
nieuwsgierigheid.
"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zoo mooi, zoo mooi,
dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is."
"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend.
"Op onzen hit," zei zijn vader.
"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken
neus. "Dat is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder,
zegt u me maar, wat het is.--Toe."
"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je
't wel zien."
Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij
zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op
eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een
beproefd middel was.
Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het
begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn
kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje
doodbedaard onder den grond.
"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en
zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar."
Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:
"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!"
"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader.
"'t Doet er niet toe, 'k wil toch naar bed, dan is het veel gauwer
morgenochtend!" schreeuwde Jantje.
"Ook al goed!" zei Dik.
Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later
sliep hij als eene roos.
Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den
slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.
"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van
u? Ik ben jarig!"
"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik,
die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De
nacht begint pas. Ga maar weer slapen."
Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook
waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog voor twaalven,
toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen,
dacht hij.
Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn
ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.
"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het
een vreemde manier om gewekt te worden.
"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik
nou van u?"
Maar zijn vader werd terdege boos.
"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor,
krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg,
naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?"
Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei
knorrig:
"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?"
Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw,
dat hij weer in zijn bed kwam.
Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te
vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond,
dat de nacht vreeselijk lang duurde.
"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik
ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf
in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen,
tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien,
achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje
wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig,
negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd
he, he, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en
een, honderd en twee, he, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers
kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, ho, dat is
fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos
geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee,
drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie,
zeven, ... twee, jarig, zes..."
Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij
een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een
touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Ha, wat stond hij prachtig,
en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het
draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging
bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de
rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de
oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk
begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren,
zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar
viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....
Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt
voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was,
en dat het nog al geen dag werd.
Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.
"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier
alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich
zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen,
zoo stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon
naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd
opkijken."
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het
raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de
tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.
"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker
van. Deze draaide zich in zijn bed om.
Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.
Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik,
en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne
groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van
een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op
den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel,
zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in
scherven uit elkander spatte.
Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet
begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen
in hun bed overeind.
Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje
struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders
beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij
greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:
"Jongen, ben je nu alweer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug
als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.
"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier."
Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.
"Ja, nu ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de
kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als
ik je weer hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!"
"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten
worden?"
"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat
lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van."
"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u zelf gezegd."
"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar
ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren."
Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg,
of een zak met knikkers.
"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij.
De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het
bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep
werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.
Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht
al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog
altijd nacht was.