De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
"Moe,--Moeder!" riep hij zacht.
Maar er volgde geen antwoord.
"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder.
Moeder sliep door.
"Moeder!--Moeder!--Is het nog nacht," riep Jantje met luider stem.
Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.
"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat
wil je toch?"
"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast
openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter."
"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het
morgen voor je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor."
"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht.
Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij
verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te
tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het
op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn
voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.
"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven
op zetten, dan kan hij ver zien."
Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak
hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel
telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn
hoofd te liggen.
Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg
instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.
"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn
bed halen. Dat is veel leuker."
Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer
heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde
den stoel voorover, en ging er op zitten.
"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt."
Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat
hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.
Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap
op de sporten.
"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af,
omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.
Toen zette de hit het op een loopen.
Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op
en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den
weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De
hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.
"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht,
ik zal hem leeren!"
Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver,
greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.
O, o, wat steigerde dat beest woest!
"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige
geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij
werd er half wakker van.
Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het
ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich,
dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen
sprong, en bommerdebom, daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed
op den grond. Dat gaf een lawaai!
"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt
het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor
me dat kind eens gillen!"
Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte
hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?
Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop
lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.
En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst,
want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou
geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.
Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest
er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.
"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan
spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker."
"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje,
dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op
onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we
alle twee het bed uit."
Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit
mee. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.
"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen,
als het dag wordt. Wel te rusten."
"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht
veel en veel langer duurt, dan een dag."
Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.
"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen.
"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er
nu weer?"
"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets
twijfelmoedigs in zijne stem.
"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt."
"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?"
"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't
Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt,
is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen."
"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend
te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het
tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe
hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch
ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.
Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.
"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe
Vader, wat krijg ik nu van u?"
"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben
je echt jarig, en ik feliciteer je wel."
Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei
zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder
hartelijk pakte.
Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:
"Kom mee, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je
bevallen zal."
Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.
"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij.
"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand
pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met
zijn zoontje binnen.
En wat zag Jan daar?
Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit,
stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop
en een lange sik aan zijn kin.
"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?"
"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige
blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.
Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in
de handen.
"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is
dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!"
"Ja, he?" zei Dik.
"En een sik!" ging Jan voort.
"Be, be, be-e-e-e!" blaatte de bok.
Jantje's vreugde kende geen grenzen.
"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,"
riep Jan opgetogen.
In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne
armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend,
want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en
drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje,
dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.
"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst
eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk
overeind en maakte zich uit de voeten.
"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want daar
kon de bok hem niet tegen een muur stooten.
"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok
zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.
Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de
tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve
aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht
daar soms wel eens graag hengelen.
Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras
ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan,
en streelde hem met zijne hand langs den nek.
Hij was meer dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen
gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen
Jan hem zijn arm om den hals sloeg.
"Wat is hij mak, Vader," zei hij.
"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest
zijn, en een flink looper."
"He ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje
begeerig. "Wat zou ik rijden."
Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn
bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in
't geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.
"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje.
"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet
in tweeen breken."
Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar
deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten
in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet
hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.
Vader Dik schaterde het uit van de pret.
"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van
de vliegen steken!"
"Be, be, be-e-e-e!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan
kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van
zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen
holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond
't razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.
De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad
was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in
de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren
en bok en berijder onder 't water verdwenen.
Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte
zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag
hij niets.
Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....
Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote
kromme horens.
"B-e-e-e-e! B-e-e-e-e!" blaatte hij angstig.
"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik.
Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte.
"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!"
Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.
"B-e-e-e-e! B-e-e-e-e!" schreeuwde de bok.
Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend
van het water.
"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje.
Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den
bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te
krijgen, doch het gelukte hem toch.
Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken,
en de bok moest in den stal.
Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het
angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles
gebeurde zeer vroeg in den morgen--en hielp Jantje aan droge kleeren.
De kleine vent stond te bibberen van de kou, maar hij was toch erg
blij met zijn bok.
"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen,
terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn
spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.
"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik
binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me
dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht."
"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje.
"Of hij!" zei Dik.
"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder
eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben
gedaan. En hij vervolgde:
"He b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben
ik koud."
"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar
je bed, om goed warm te worden, door en door warm."
Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde
toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd
hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar
dekens extra bijgedaan.
Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg
hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar
zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid
gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:
"Dat was een rare geschiedenis, he Jan?"
Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.
"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik
heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een
wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me
wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik
ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok
heb gekregen."
Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn
Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en feliciteerde hem met zijn
verjaardag. En ze zei:
"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin."
"En o, Grootmoe," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van
Vader en Moeder, toch zoo mooi, o zoo mooi!"
Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.
"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?"
"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot
gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid
de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?"
"Dat je in de sloot gelegen hebt?"
"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin
in, naar Grootvader.
Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.
"Dag Jan, wel gefeliciteerd met je verjaardag."
"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader
hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat
u mee kijken?"
"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich
hield, of hij hem niet verstaan had.
"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje.
"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging
Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!"
Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.
"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit.
Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten
verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn
neus. Eindelijk zei hij:
"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar
misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee
naar 't schuurtje."
"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij.
De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige
bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel
stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten
Grootvader en Grootmoeder ondeugend.
"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?"
Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het
wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.
"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig
mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!"
En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het
klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna
onder.
Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok
het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
moesten zien.
"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal
klaar. Ha, wat zou ik rijden!"
"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n
moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil,
nog wel een goed tuigje van te maken."
"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden
mij goed te pas komen."
Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.
In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote
verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van
zijne moeder.
Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon
als een dolle door de kamer te springen.
"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam
van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.
"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik
weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten
we hem dadelijk inspannen!"
Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen
gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.
"Waar is mijn zweep?" vroeg hij.
"Hier," zei Dik. "Maar een ding mag je nooit vergeten: sla den bok
niet, als het niet noodig is."
"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep
is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!"
Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje
zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend
na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.
"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een
beetje bezorgd was.
"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg,
de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, he?"
En grootvader zei:
"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en
dat is-ie."
"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik.
Zevende Hoofdstuk.
Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een dwaze
vertooning maakte.
Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg,
met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en
de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden
sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een
lust was om te hooren.
Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die
keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op,
maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van
Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.
"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje
gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is mooi, het tuig is
mooi, en het koetsiertje is ook mooi."
"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist
voorbij liep.
"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om,
dan kom ik naast je zitten."
Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.
Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een
mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een
eindje mochten rijden.
"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een.
"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet
veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle
jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.
Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat
het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.
"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen
willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred
verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.
Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje
Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet
met hen om, want 't waren twee vervelende jongens.
Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid
passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen
aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas
Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij
een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij
was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn
vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indie
geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf,
veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de
bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder
weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel
veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indie, maar die er
zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte
ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje
meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde,
liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.
Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig
toeloopen, elk met een stok in de hand.
"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens
geuren! Huup Sik, allo, vooruit!"
Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes
doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.
"'t Is het bokje wel!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan
een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal
hij wel beter voortmaken."
"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!"
"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft
de rumathiek in zijn pooten."
"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten
antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij."
"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met
machine-olie; zijne botten zijn wat stijf."
"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een
klap met zijn stok op den rug gaf.
De bok ging op zijn achterpooten staan.
Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:
"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met
datzelfde houtje je portie geven."
Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas
van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd
op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op
een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral
voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.
Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te
laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan
uit de handen.
"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms,
dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho,
bok, ho!"
De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo
hard zij konden tegen.
Jan keerde zich driftig om.
"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik
sla er op!"
De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was
zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar
Jan hield hem tegen.
"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast."
Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog
Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging
rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had
Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.
Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een
eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had
hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij
op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden
striem te geven.
"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe.
"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen
aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te
kunnen verweren.
"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de
verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen."
"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril
terug. "Dan krijg je 't met mij te doen."
De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen
dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder
en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig
tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op
zijne knieen vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een
ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond,
tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag
van harte gunden.
"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf
je nu met je praats?"
Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel
te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en
beenen maakte.
Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.
Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van
plan den strijd op te geven.
Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn
karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:
"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet mee, he
Karel? Wat heeft hij gehad!"