De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel
vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren."
Dat had hij echter mis.
Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.
"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans.
"Panlat!" smaalde Klaas.
Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een
eindje voor den bok uit.
"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas.
"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst
van hem hakken."
"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het
minste pleizier van."
De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd
voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug
wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje
genoot meer, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht,
dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat
vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok
te steken, wat hem erg griefde.
Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij
erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:
"Be-e-e-e! Be-e-e-e!"
De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen
wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.
"Be-e-e-e! Be-e-e-e! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n
rumathiek in mijn pooten. Be-e-e-e!"
De bok schudde den kop, en riep ook:
"Be-e-e-e! Be-e-e-e!"
"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme
beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.
Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts
gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop
sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n
geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.
"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas.
"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in
den rug.
"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas.
Op handen en voeten poogde hij zich te redden.
"Bom!"
De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.
Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen,
en schreeuwde moord en brand.
Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook
een bespottelijk gezicht.
Klaas wist geen raad van angst en pijn.
"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!"
Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging
met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zoo wel
mee doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om,
en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was
maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te
ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school.
Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle
figuur van Klaas dachten.
"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is,
en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat
was Karel volkomen met hem eens.
En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.
"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep
wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas
Zwart hem wel uit de voeten blijven."
"Dat denk ik ook," zei Jan.
Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn
mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader
voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en
de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem,
wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje,
of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij
't rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij
't lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.
De meester werd eindelijk knorrig op hem.
"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden."
Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet
aankijken, zonder te lachen.
"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend.
Klaas keek hem aan als een nijdige spin.
"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje.
"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en
telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed.
"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens
zijn, die graag willen nablijven."
Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar
huis. Karel holde met hem mee, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren
stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en
daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens,
en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen
wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp
door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar
stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het
riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen
ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.
Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp
stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader
vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen,
want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook
altoos voor dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad,
en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had
daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat
pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en
het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over
liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel
droog te blijven, als zij er op speelden.
Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:
"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker."
Daar had Jantje wel zin in.
"Zou de bok blijven staan?"
"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we
hem toch gemakkelijk genoeg inhalen."
"Dat is zoo," zei Jan.
De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem
op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.
"Daar staat hij heerlijk!" zei hij.
Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op
den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen
op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder
water zonk. Maar voordat het water hun voeten bereikte, sprongen zij
vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.
En dan lachten zij luidkeels van de pret.
Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde,
want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.
Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig
was en nog nooit een ongeluk had gehad.
"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel.
"Waarom?" vroeg deze.
"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg
kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie
pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp
je. Jongen, wat zou ik er van lusten!"
"Nou, dat snap ik," zei Karel.
En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal
omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met
een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar
door den schok kantelde deze ook.
Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel
viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.
"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij
had zijn arm nog om den paal geslagen.
Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't
volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem
uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.
Karel schaterde het intusschen uit van pret.
Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord
te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn
natte broek.
Karel kwam bij hem.
"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij
lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt."
"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet
begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo
niet naar huis toe, hoor."
"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebei je broeken uit en je
kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien
in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er
uit, en dan is het dadelijk droog."
"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.
"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook
deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit."
Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in
het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de
onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel
draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En
zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat
Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de
hand en niet veel goeds in den zin.
Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos
waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten
zij wraak te nemen.
Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt
nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond
te grazen.
Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij
op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met
een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig
van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne
stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:
"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!"
De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde
voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake
meer, hij holde voort als een wild paard.
"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na.
"Dat is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder
te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn
bok na.
Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het
dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.
De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te
kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen,
met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl
de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje
te zien, die zonder broek zijn bok naholde.
Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden
wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de
menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan
zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en
dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.
Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met
een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den
teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn
vader was.
"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn
zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.
"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn
vader een beetje uit de voeten bleef.
"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging
Dik voort.
Jantje zweeg.
"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en
je klompen?"
"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..."
"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was
een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker
zeggen, he?"
Jantje deed een paar stappen achteruit.
"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?"
"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche
broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..."
"En toen?"
"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben
Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..."
"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens
begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige
geschiedenis.
"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er
niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je
kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je
gaat direct naar huis, hoor."
"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar
van Frans en Klaas is het een gemeene streek."
"Dat is het," zei Dik.
Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de
natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar
huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als
Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor
hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen
gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.
Achtste Hoofdstuk.
Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne magere
leden zijne redding uit een dreigend gevaar.
Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem
houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige
jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was,
had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden,
waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit
mee. Eenmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de
jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had
een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had
er nog nooit aan meegedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen
om ook mee te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens
slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij
in den boomgaard.
Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want
dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen,
den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en
maakte er niet veel werk van.
"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik
hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd:
"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden."
Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken,
en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den
boomgaard verscholen.
Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden
komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat
de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven,
waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den
boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten
tegelijk te bespringen.
Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle
jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg.
"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel
van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig."
"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht
in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar."
Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.
De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.
"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom
zit propvol!"
"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan,
hier zijn peren."
Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar
dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij
brutaal tot midden in den boomgaard.
Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen
weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd
bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.
Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De
appelen vielen naar beneden.
Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij
van drie kanten tegelijk besprongen.
"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was
een groote, sterke boer met harde handen.
Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander
daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot
aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over
de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met
natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde,
liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen.
"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor.
Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:
"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!"
En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.
Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de
knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer
hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van
zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd
maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte
hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem
voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren
in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was.
Jantje gierde van de pijn!
"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen
lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?"
"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.
"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!"
"Au! Au!" huilde Jantje.
"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig.
"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!"
"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken,
tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf
hem een geducht pak voor zijn broek.
't Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den
boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n
pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde,
dat er geen stuk van hem heel zou blijven.
Eindelijk liet Wobbe hem los.
"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng
je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn
ze mager."
Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen
kon, en 't viel hem mee, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht
niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij
haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo
scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig
nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht
was hem bitter slecht bevallen.
Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer
en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge
nog harder.
"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart
voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen."
Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon,
omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde,
want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.
Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit
meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen
over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had.
De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden
dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij
had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat
Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was
een paar klanten te helpen.
Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet
vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.
"Goeden avond, Dik!" zei hij.
"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?"
"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter
op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp
huishoudt."
"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij
had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zoo erg,
Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet."
Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.
"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam
Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben."
Dik werd nu erg boos.
"Wou je zeggen, dat ik nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig, en hij
zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want hij was juist bezig
een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een flinken
lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.
"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik.
"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t
Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens
beleediging van een politieman in dienst!"
Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en
maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de
geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.
"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?"
"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.
"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag
passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen
en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet
de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop
zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..."
"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap,
Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden."
"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik
hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit.
Toch waren die woorden Dik ernst geweest.
Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten
gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.
's Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was,
en hoeveel spijt hij er later over had gehad.
En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik
was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht
geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste
zou geweest zijn.
Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk
aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en
dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij
met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog
al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras
of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag,
op hem af, en gaf een geducht standje.
"Die bok mag daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras
eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
den berm gepacht?"
"Neen Flipsen, dat geloof ik niet."
"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er
afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van
opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik
zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen
jullie je niet aan, he? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen,
mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen."
Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.
"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter
kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met
rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig
maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver
eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het
gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke
dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't
Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't
Zal zoo'n vaart niet loopen."
Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het
zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk
maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op.
"Jij heet Jan Trom, he?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.
"Ja," zei Jan.
"Hoe oud ben je?"
"Tien jaar," zei Jan.
"Zoon van Dik Trom, he?"
"Ja wel."
"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?"
"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen."