De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg,
"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er
geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen."
Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de
schouders op.
"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust,
't is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
nooit meer iets van."
Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den
burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.
"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen
bij den Officier van Justitie kunnen komen?"
"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig.
"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier
zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet
een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van
te praten."
Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer
vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's
schuld.
Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan
het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid
hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid
vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen
zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.
"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen
zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij
droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.
't Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel,
die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.
"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!"
"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is
een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg
van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"
De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig
te komen.
"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het
eene automobiel is!"
"Gaat die door stoom?" vroeg Jan.
"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard
rijden, wel zoo hard als een sneltrein."
De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan
alle kanten. De reizigers waren het cafe binnengegaan, om iets te
gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde
voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen,
maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.
"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn
bokkewagen wel voor willen ruilen."
"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en
te zuchten, of het een levend wezen is."
"Hij is moe," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote
lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel
ga ik ook maken."
"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen
kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin
zit?"
"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga
maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast
alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg."
Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen
in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar
geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het
trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met
kracht vooruit.
"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen.
De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later
was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs
den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.
Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen
hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:
"Dag!--Ik ga naar huis!"
Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op
hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een
had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar,
behalve op school natuurlijk. Daar moest hij wel heen. Maar al zijn
vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel,
en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op,
en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.
De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een
klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen
de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toeslemming
gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen
dubbeltje meer waard was.
Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem
graag werden afgestaan.
"Wat moet je er mee uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd.
"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het
goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde
ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde
hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig mocht
hij het gereedschap van zijn grootvader geruiken, en deze gaf meermalen
goeden raad.
Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een
toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat
het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij
daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest,
kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging
daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit,
wat er gedaan moest worden.
"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De
as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje
een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als
nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een
fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien
heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk
een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel."
Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in
gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap
op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten,
en zeide:
"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon
wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel
met een handvat komen? Ik heb er geen."
"Wij wel, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen
nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar
zit een groot wiel aan met een handvat."
"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je
het zoo knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die
kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier."
Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel
te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te
krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde
de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den
koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles
netjes en flink in elkander.
Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.
"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende
van genot.
Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen
van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst
voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?"
"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee."
In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam
hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den
linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het
voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging
kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen
van een auto nabootste.
Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar
Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan
nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje
prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van
pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.
't Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien,
want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen
was geen sprake.
Elken avond gingen de jongens er mee spelen en zij hadden niet weinig
bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen,
en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.
Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom
besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte
hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even
voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een
fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die
kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!
Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er
toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het
precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om
te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend
te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds
had bereikt.
Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden
dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.
Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond
om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man
was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk
boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide:
"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, he?"
"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen
maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat."
"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik
vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw
je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in
de gaten."
Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.
Jan besloot nog. een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat
Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar
het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het
voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was.
Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen
kuierde op zijn gemak naar het dorp.
Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met
kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de
kar liep. Lachend zei deze:
"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden."
"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder
loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden."
"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle
kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden.
Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart
de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen,
want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem
onderst-boven te rijden.
"O je!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed
afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan
mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen
tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht
tegen de beenen vlieg!"
Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver
te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn
grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder
liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan.
"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat
zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf.
Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid,
en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes
tegen de beenen.
Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.
"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen
veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.
Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.
"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een
kwajongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor
mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op
die ma..."
"Bom!"
Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde
oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En
voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen,
en hij zag geen kans om overeind te komen.
"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te
boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!"
't Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik,
die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag,
maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.
"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje
van mijn Jan rijden?"
Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met
zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing
zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.
Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op
Dik af.
"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg,
't is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem
te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem
krijgen,--ik zal..."
Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige
blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van
den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders
dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen.
"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buien door
den veldwachter toe.
"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou
je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind
zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker,
wacht maar!"
Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto
met een enkelen blik te verwaardigen.
Dik lachte nog!
"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar
waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De
jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..."
Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien,
of Jan zich daar bevond.
Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.
"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't
Geluid kwam uit de auto.
Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje
van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek
Jan om zich heen.
Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam
naderbij.
"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij
lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar
lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?"
Jan kroop nu uit den wagen en zeide:
"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto
ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden,
toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet
waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder,
en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer
kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me
een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen
aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon,
en toen nog harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar,
hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was,
en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer
ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje
en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de
kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst,
Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk."
Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo
mal vond hij het.
"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als
je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein
plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis,
en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer
dan kwaad op je."
"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen."
"Ja jongen, dat weten wij wel, maar hij gelooft het niet. Blijf van
avond verder maar stilletjes thuis."
Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het
geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet
weinig om lachen moesten.
Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet
meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen
aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon,
en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.
Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest
deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan
ook een bizonder kind was--en dat was-ie!
Negende Hoofdstuk.
Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.
Flipsen was en bleef erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid
langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij
gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat
gebeurde wel. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met
zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan
kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er
gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan
iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield
Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou
Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor
Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wel en Klaas Zwart hield
hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten,
begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken.
"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans.
"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het
hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens
gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont
te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren
wilde, maar dat deed hij toch niet.
Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen
te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een
klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zoo snel en onverwachts,
dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde.
"Au!" riep Frans.
"Au!" riep Klaas.
En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn
voelden.
Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.
"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, he?"
Ze gingen allebei hard, want voor Flipsen gelegenheid kreeg hun
nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen,
zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij
Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg.
Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk
opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds
voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
zich volkomen onschuldig.
"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het
had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen
zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt."
En zijn vader zei ook:
"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust
laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf
wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.
En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even
beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne
boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.
Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het
gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor
hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het
gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het
boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil
moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar
moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk
door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den
wagen geheel in zijne macht kreeg.
Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf
zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij
geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter
dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit,
of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze
had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een
touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam
genoemd en stond bekend als een grappenmaker.
"Dag Dries!" riep Jan hem toe.
"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den
laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes
door de tralies van het hok mee-eten."
"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein
plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is
dat goed?"
"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen
aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je."
"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t
Is je van harte gegund, Dries."
"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan."
"Dag Dries."
Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het
verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht
dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder
bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den
grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks
had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens
schilderen mocht.
"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen."
Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.
"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer
uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
niet droog."
"En zooals u het doet?" vroeg Jan.
"Morgen, denk ik," was het antwoord.
Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar
toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken.
Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn
zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden.
"He toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch
al een oudje.--Toe maar."
Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf,
dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.
"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens.
"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen
of beenen, en de fiets ook niet."
Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.
"Ga je mee, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan
we leeren fietsen."
Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie
en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast.
"Ik het eerst, Jan," zei Karel.
"Natuurlijk," was het antwoord.
"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, he?"
"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe,
hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem
vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde
oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden,
Jan," zei hij. "Zoo kan ik er niet op komen."
"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als
je zoo scheef zit, kan ik je niet houden."
Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.
"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij
was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt,
leer je het nooit!"
Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets,
met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op
den weg terecht kwam.