De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan."
"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin
hangen. Dan ben je me veel te zwaar!"
Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.
Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht
naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden,
zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als
de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij
naar links, dan hing Karel naar rechts.
"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat.
Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.
"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt
was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg,
hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan."
Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een
hazewindhond achter zijn meester.
Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel
reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij:
"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het
jou leeren."
"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar
vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van
staan te kijken."
Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had
hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.
"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens
zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zoo gemakkelijk gaat het niet."
Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.
"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan
ik.--Ik kan je niet--"
"Bom!"
Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en
stapte opnieuw op.
"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk
vallen."
Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in
't geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed.
"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zoo moet je ook
rijden! Ha, wat gaat dat lek..."
"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger,
dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in
't volgende oogenblik weer op de fiets.
Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al
een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den
eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes
in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch,
en dat was de hoofdzaak. Hij was er wat trotsch op.
Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij
kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij
trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel,
als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij
kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.
Eindelijk werd Jan zoo moe, dat hij niet meer kon.
"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moe als een hond. Maar
je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien,
dat het gaat."
Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha,
wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke
plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij
geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde
hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik,
want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op
het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen
kant neer....
Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen,
dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen
alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest,
maar hij was er toch niet ingevallen.
"He-he, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed
afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was
ik kopje-onder gegaan."
"Ik zag het," zei Jan. "He, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je
te water ging."
"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?"
Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.
"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel.
Dat bleek gelukkig het geval te zijn.
"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?"
"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga
je gang maar."
Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het
langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne
vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.
"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je
rijdt nog beter dan ik."
"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe.
"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moe van het draven. Ha,
wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar
dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.
O je, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.
"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik
moet hem zien te ontwijken."
Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht,
met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.
"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen,
wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed
hij verder.
"Dat scheelde een beetje!" riep Karel.
"Of het! Wat gaat het al goed."
Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd,
trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag
hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest
hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot
zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer
regelrecht op aanreed.
"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet
wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden."
Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite
deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter
niet gelukken.
"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe.
Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard
gereden, en hij was erg moe geworden. Karel verkeerde dus in de
onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.
"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat
hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende
oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep
Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee,
hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk
weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de
armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs
zijn linker wang kwam er mede in aanraking.
"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd,
trok de fiets een beetje achteruit, en riep:
"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis,
en dan mag ik terug weer."
Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't
midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn
geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging
het weer.
En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.
"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk,
dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal
ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden."
O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een
boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij
reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen,
die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan
lachend nakijken.
"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe.
"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op.
Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen
oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht
voor zich uit op den weg.
"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als
mij nu maar weer niet iets in den weg komt."
Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.
Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij
bleef, zag hij in de verte iemand naderen.
"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan
passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen
lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan."
Weer hief hij eventjes de oogleden op.
De man was al een heel stukje naderbij gekomen.
"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan.
Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te
voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het
vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die
van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries
veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een
neger en zijn kleeren zaten vol roet.
"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel
misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola,
wat een zwier maakte ik daar!--O je, het kanaal,--daar ga ik!"
Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om,
en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.
Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.
"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds
ga je kopje-onder het kanaal in."
"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik
bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.
"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een
beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.
't Hielp echter niet.
Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets
daar rekening mee hield en weer regelrecht koers hield naar Dries.
"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan.
Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg
hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig
aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang
van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de
verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.
O, wat lachte Dries.
"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg
hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen."
En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies
als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.
"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van
de pret.
De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van
zijn plaaggeest.
Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat
zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel,
of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.
Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis
om zich te wasschen.
En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje.
Tiende Hoofdstuk.
Hoe Flipsen zocht.
Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij
elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk
waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders
gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak
op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden
en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren,
of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet
weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden
zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij
dien aan den pottenschipper.
De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit
leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend,
dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had
hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten
en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.
Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den
pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen
er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig a vijftig
centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten
er sigaren voor, en rookten die op.
Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze
hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte
de voorraad uitgeput.
Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:
"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet
meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet
ik zeggen,"
"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we
maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht,
en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen
moeten zijn."
"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet."
De pottenschipper lachte slim.
"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik
altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen,
dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim
bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien."
Frans en Klaas keken hem vragend aan.
De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde
tegen de jongens.
"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog
genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere
kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch
den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar
slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..."
"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart.
"Ja," zei Frans, "dat is stelen."
De pottenschipper richtte zich op.
"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan
vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer,
en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel
guldens betalen in plaats van centen."
"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans.
"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij
den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat
te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te
werk gaat."
"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de
pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..."
"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een
listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze
eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil
ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..."
De jongens gingen heen.
Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens
kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman
een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd,
van een derde een nachtjapon, en zoo verder.
Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies
van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij
wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.
"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn
verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het
gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde
wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander
vermisten.
Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen,
verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit
werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder
elkander over spraken.
"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen
sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan
vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet
staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon
er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen
voorwerpen belandden.
Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander
spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden, dat zij het vermiste
voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze
verdwenen.
Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet
Flipsen bij zich komen.
"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp
gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde
vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig
op de bleek."
"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen.
"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester.
"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den
dader op 't spoor te komen."
"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou
kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op
het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?"
"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die
gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar
Amsterdam worden vervoerd..."
"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of
ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk
hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De
menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen
hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen
dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk
den kop indrukken."
Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:
"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen,
als de dief niet gesnapt wordt."
"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op."
Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid,
en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te
ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.
Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand
zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar tevergeefs. Alles
was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond,
en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den
geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van
de kou. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op
zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.
"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen."
Hij verschool zich achter een boom.
't Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.
"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op
het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar
naar Amsterdam gebracht."
"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.
De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong
dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij
dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.
Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.
"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon.
"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel,
is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..."
"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik
vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en waar je heengaat."
"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar
steekt toch niets achter, zou ik zeggen?"
"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?"
"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze
naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad
weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode
beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat
overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..."
Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode
beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het
brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen
er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van
sterken drank. Hij was dikwijls dronken.
Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.
"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje
beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb
mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet
jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?"
"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp,
en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden."
"Ach zoo, is dat de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en
kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer
gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit
de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop
toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel,
ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien,
vrees ik."
"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze,
ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond."
"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:
"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!"
Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.
De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen,
richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging
Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:
"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!"
Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de
duisternis verdwenen.
"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok
den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig
wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot
hij naar huis te gaan.
Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij
was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal
voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel,
en stoorde hij zich aan koude noch warmte.
Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief
te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die
naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen
afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den
dief geen spoor.
"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed
uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,"
dacht hij.
En zoo deed hij ook.
Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten
opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich
naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat
er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle
zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd,
al voorzichtiger geworden.
Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter
eenig waschgoed op een bleekveldje lag.
"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed
is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd."
Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin
het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen
werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig
wachtte hij, of de dief komen zou.
Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen
houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de
pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich
een weinigje op.
Alles bleef stil in den omtrek.
Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.
En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde
hij eenig gerucht.
Hij richtte zich op en keek over de ton.
Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging
en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.
Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.
"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten,
nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.
Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een
vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.
Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij
den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een
tweeden, hartverscheurenden gil.
"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe.
Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.
"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen.
"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!"
"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de
dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?"