A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet

C >> C. Joh. Kieviet >> De Zoon van Dik Trom

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12


"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en
half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen
spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat
zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen,
en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. He--he--ik beef
over mijn heele lijf van den schrik..."

Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten
tweeden male vergist had.

Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest
vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken
gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met
ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in
een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men
dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte
zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok
zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen
werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde
zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen
moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.

Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek,
als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van
Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:

"Waar kom jij vandaan?"

"Van Van Dril," zei Jan.

"Zoo,--wat heb je daar gedaan?"

"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord.

"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen.

Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel
te beduiden had.

Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een
bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op
en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.

"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging.

Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij
zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes
elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden
genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die
tot speelplaats dienden.

Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een
oor vast.

"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder
op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens,
want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.

"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen."

Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte
door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij
liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En
't verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had
gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel,
of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.

Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen
niet ontging.

"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover
en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek
van, en zijne stem hokte hem in de keel.

"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.

"En wat deed je daar?"

"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de
mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze
wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen
in lagen.

"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe
komen die daar dan?"

"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er
een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden
een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te
vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht."

"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop
je dien rommel?"

"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..."

"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:

"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen."

"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij
straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..."

"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik
zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede."

"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne
lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel
wat te vinden zijn."

Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig
van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel
degelijk op het spoor.

"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die
jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht
maar, zij zullen mij niet ontsnappen..."

Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den
veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:

"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt."

"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan
heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?"

"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch
moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig
te houden. Ik vertrouw Flipsen niet."

"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan
heeft. Pot lijkt erg veel op vod. Zeg Frans, ik ga naar huis; ik heb
geen zin meer in het zoeken."

"Ga dan," zei Frans.

Zoo scheidden de jongens.

Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den
pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag
zou het raadsel nu wel worden opgelost.

Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef
even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en
verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er
nooit heengaan.

Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen
ook op het dorp. En dat was hem een troost.



Elfde Hoofdstuk.

De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad van Jan.


't Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen,
en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij
gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij
bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk
voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte
van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende
kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek,
toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De
jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en
toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.

Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee
gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen,
de andere zou het verdedigen.

Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote
onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot
bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de
vijanden.

"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten
twee vlaggen hebben, voor elke troep een."

"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen
zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen
hetzelfde zijn."

"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot,
dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als
jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel
op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat
een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk
worden, zou ik meenen."

Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten
zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij
terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel
geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan
en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen,
die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche
veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide
partijen slagvaardig.

De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het
sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber, ging met den vaandrig
aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:

"Hallo! Hei daar!"

"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden
muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren."

"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit
kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het
van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen
uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen."

"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin
Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher
het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!"

"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen.

"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:

"Leve de Keizer!"

"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij
zich met zijn vaandrig verwijderde.

"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan.

Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel,
en de belegerden keken hem lachend na.

"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van
den slager. "Op deze manier!"

En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het
hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.

Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders
moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers
ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen
hard aan, als zij raakten.

"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo,
beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden."

't Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden
toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.

Maar Jan zag het gevaar.

"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep
hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast
onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol,
zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en
anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas,
zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans
afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs
wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover
in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.

"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed
voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!"

"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van
opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden
zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan."

Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield
met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet
gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.

"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens
op een punt een zoo geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens
beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het
onmogelijk uithouden."

"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de
vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden."

"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we
de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel
hebben?"

"Wat dan?"

"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar
hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer
beginnen."

"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers.

Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement
op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en
in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even
ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden
erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik,
om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen
gunden zij zich daar den tijd niet toe.

Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.

Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag
niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de
bedoeling van zijne vijanden.

"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet
behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres
een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat
de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als
je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!"

De soldaten lachten smakelijk om deze laaste uitdrukking, maar zij
begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen
dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen
dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen
werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe
sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten
moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.

Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de
pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden
lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den
muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen
gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de
overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver
verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken
zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.

Wat de Hollanders juichten!

Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:

"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!"

Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen,
want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.

"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze.

"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers
koud. Ze tintelen!"

Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.

"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze
wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed
gehouden, he? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze
't eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad."

"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het
behoort. Weg met de Duitschers!"

"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met
hunne hoofddeksels.

"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom.

"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen.

Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot
het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen
den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet
malsch ontvangen.

Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen
schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.

Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.

"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij
klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
der belegerden.

Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met
mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en
reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling
op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.

"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij.

Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek
hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten
voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een
verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste
inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de
Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering
afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de
sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.

Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar
het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te
verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond
onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk
over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in
te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde
de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op,
en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.

"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines.

"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van
den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen
meer een vinger over! Leve de Koningin!"

"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om
het hardst.

"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt
jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!"

De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo
mogelijk nog verwoeder dan de vorige.

"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.

"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten
van weerskanten als leeuwen.

Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen,
vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel
sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor
en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij
den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders
verdween van hare hooge standplaats.

"De toren stort in!" riep Willem Kroeze.

"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers.

"Hoera! Hoera!"

Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren
had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.

"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is
gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!"

De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant,
deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen,
hun hoofdman te verlossen.

Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort,
en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De
belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden
blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij
zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk
geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als
het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen
moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.

En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten
tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om
hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen
Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor
en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan
zich overgeven.

"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve
de Keizer!"

De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken
was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.

"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne
mutsen.

"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel
overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede."

"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed
gehouden, dat moet ik zeggen.--He, he, jongens, dat was een mooi
spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen
weer?"

"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken."

Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te
gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met
pleizier aan. Zij waren vast besloten, den volgenden dag een nieuw
kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.

Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet
kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't
was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw
wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen
verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en
zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen,
die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De
jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden
gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer
voor de helft doorheen.

Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten
overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens
bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling
buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den
veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden
zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet
bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik
sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen
kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren,
moesten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan
verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht,
als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die
achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd
het een levende berg van jongens.

Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking,
maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele
rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug.

't Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur
instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om
te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De
sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.

Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten
de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de
ruiten stonden.

"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen,
jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog een nachtje
zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar
vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn."

"Ja Vader," zei Jan.

Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het
geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in
gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal
waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat
door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen
hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even
stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte
zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.

's Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het
dorp in, en kwam bij de drie bruggen. Zij zagen, dat het water daar
nog open lag. Dat was bijna altoos zoo in den winter. Alleen als het
lang bleef vriezen, werd het daar ook sterk genoeg, om er over te
loopen. Zij stonden er een poosje naar te kijken, toen plotseling
hunne aandacht werd getrokken door Frans Thor, die een vuilen hond
vervolgde. Hij wierp het beest met steenen. 't Was een broodmager
beest, dat er vreeselijk vervuild uitzag. De jongens herkenden dadelijk
Fik in hem, den hond van den orgeldraaier Klaas Touw.

"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans hun toe.

"Een heldendaad van Frans," zei Jan tot Karel. "Hij kan geen hond
met rust laten."

"Houdt hem! Houdt hem!" riep Frans nog eens.

De hond was nu op het midden van de brug. Jan en Karel deden, of zij
Frans niet hoorden. Maar juist kwam Klaas Zwart van den anderen kant
de brug op.

"Houd hem, Klaas!" riep Frans zijn vriend toe. "Jaag hem op!"

"Ja,--ja!" was het antwoord. En met zijn armen zwaaiende en onder
een luid geschreeuw joeg hij het verhongerde beest terug.

Spoedig kwam Fik nu Frans weer tegen, en deze joeg hem ook terug. De
dierenkwellers hadden braaf schik in den angst van den hond, die,
naarmate de jongens elkander naderden, meer in het nauw gedreven
werd. Eindelijk wist het arme dier geen raad meer, en toen het
probeerde om langs de beenen van Frans te ontsnappen, op gevaar af
een schop van dien jongen te krijgen, gaf deze hem een duw, waardoor
hij van de brug af in het water viel.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12