De Zoon van Dik Trom - C. Joh. Kieviet
Wat hadden Frans en Klaas een pret. En hoe vermaakten zij zich met
de wanhopige pogingen van het dier om zich te redden.
De lantaarnopsteker, die op zijn laddertje stond, om de lantaren schoon
te maken en de peer van de lamp te vullen, was er verontwaardigd over,
en hij riep de jongens toe, dat zij zich schamen moesten. Hij klom
naar beneden en zag, hoe het beest tevergeefs poogde zich te redden.
"'t Is meer dan schandelijk!" riep de man nog eens. "'t Beest is
onherroepelijk verloren. Wie zal het wagen, het te redden? Wie het
doet, loopt groot gevaar om zelf te verdrinken. Zulke dierenbeulen!"
Ook Jan en Karel zagen met smart de pogingen van den armen hond, om
zich te redden, 't Was duidelijk, dat het beest verdrinken moest. Eene
hevige verontwaardiging maakte zich van Jan meester, en ook Karel
vond het eene schandelijke daad.
Fik zwom in het breede wak rond, nu hier, dan daar pogingen doende,
om op het ijs te klimmen. Maar dit was te glad. Telkens gleden zijn
pootjes uit en zakte hij in het water terug.
Jan kon het niet langer aanzien.
"Mag ik dat laddertje gebruiken?" vroeg hij aan den
lantaarnopsteker. Zonder antwoord af te wachten, lichtte hij de haken
los, waarmede het aan den paal bevestigd was, en liep er mede naar
den kanaalkant.
"Niet doen, Jan, niet doen!" riep Karel hem toe.
Maar Jan antwoordde niet.
"Dan zal ik je helpen!" hernam Karel, en hij voegde zich bij zijn
vriend. Maar deze stond al op het ijs.
"Blijf daar, Karel, ik ben lichter," zei Jan kortaf.
Hij schoof het laddertje voor zich uit en naderde behoedzaam het
wak. Al was Jan nog zoo mager, en al woog zijn lichaampje nog zoo
licht, toch liet het ijs, dat bij de brug erg dun was, een dreigend
gekraak hooren. Jan liet er zich echter niet door weerhouden. Bedaard
ging hij verder, half steunende op het laddertje, dat hij met kleine
stootjes voortduwde.
"Fik! Fik!" riep hij den hond toe.
Het beest zag hem komen. Met verkleumde pooten zwom het in het
ijskoude water. Het jankte van vreugde.... Bijna kon het zich niet
meer bewegen. Het uiterste einde van het laddertje had het begin van
het wak bereikt.
Vele menschen verzamelden zich langs de brugleuning, en met angstige
spanning volgden zij de bewegingen van den knaap. Ook Jan's vader
was op de brug. Zijne oogen waren geen seconde van zijn dapperen
jongen af. Ha, hoe verheugde hij zich over deze kranige daad van zijn
kind. Hij was trotsch op hem!
Jan keek op noch om. Al zijne gedachten waren op een punt gericht,
namelijk, dat het zijn plicht was den armen hond te redden. Op handen
en knieen kroop hij behoedzaam verder.
Het ijs boog door. Er kwam water op. De ladder werd nat. Maar Jan
keerde niet terug. Hij zag, dat de hond op 't punt was van verdrinken.
Nog een sport,--daarna nog een....
Hij legde zich lang-uit op de ladder. Zijne kleeren werden nat. Toen
strekte hij den arm uit, en met een krachtigen greep trok hij den
hond uit het wak. Verkleumd bleef het dier liggen.
Jan durfde zich niet omkeeren. Hij wist bijna zeker, dat het ijs
dan breken zou. Zoo voorzichtig mogelijk kroop hij achteruit,
langzaam--langzaam verder. Den hond trok hij mee.
Eindelijk had hij het achtereinde van het laddertje bereikt en moest
hij op het ijs stappen. Maar daar was het niet zoo erg zwak meer. De
hond kwam eenigszins tot zichzelven. Bevend op zijne pooten liep het
dier naar den walkant. Daar hielp Karel het omhoog, tegen den walkant
op. Eindelijk had ook Jan den oever bereikt....
En op 't zelfde oogenblik klonk een daverend handgeklap hem in
de ooren. De menschen, die gezien hadden, welk heldenstuk hij had
verricht, verbraken de stilte en juichten hem toe. Jan kreeg er een
kleur van. En zijn vader drong door het volk heen en drukte hem in
zijn armen. Hij had er zoowaar tranen van in de oogen.
"Ben je erg nat?" vroeg Dik.
"Haast niet, Vader," zei Jan. "Ik ga met Karel den hond even
thuisbrengen, want hij kan bijna niet loopen."
"Goed, goed," zei Dik, "maar dan direct droog goed aantrekken."
Jan en Karel vertrokken met den verkleumden hond, en de menschen
vervolgden hun weg. Met lof werd over Jan gesproken. Iedereen had er
den mond vol van. Maar de dierenbeulen Frans en Klaas waren stilletjes
afgedropen.
Het huisje van Klaas Touw, den orgeldraaier, stond een weinigje
achteraf, aan een achterweg. De jongens hadden het spoedig bereikt. Zij
deden de deur van het armoedig hutje open en traden binnen.
Mietje zat bij de tafel. Zij zag er bleek en mager uit, en hare oogen
keken de jongens droevig aan. De bedsteedeuren aan den achterkant
van het kamertje stonden open, en de jongens zagen, dat Klaas Touw
te bed lag. Hij was ziek.
"Hier is uw hond, Mietje," zei Jan, die den hond in de kamer liet
loopen. "We hebben hem uit het water gehaald. Hij lag in het wak bij
de brug."
"Neen, wij niet, maar Jan heeft hem er uitgehaald," zei Karel, die
zijn vriend om diens heldendaad bewonderde. "Met levensgevaar heeft
hij hem gered."
"Zoo,--arme Fik," zei Mietje. "Was hij maar verdronken."
"Waarom?" vroegen de jongens als uit een mond. Zij waren niet weinig
verwonderd over die woorden.
"Waarom? Wel, dan was hij meteen uit zijn lijden. Klaas is ziek,
en hij zal wel zoo gauw niet beter wezen, zegt de dokter. We hebben
zelf niet eens te eten, hoe zal ik dan voor den hond zorgen?"
De jongens keken de vrouw zwijgend aan. En hun blik dwaalde door
het armoedige vertrek en naar het bed van den zieke. Zij zagen ook,
dat er geen vuur was in de oude kachel, en dat de bloemen dik op de
ruiten stonden.
"En uw orgel dan?" vroeg Jan na een poosje.
"Dat is weggehaald, omdat wij de huur ervan niet betalen konden,"
zei Mietje, en zij kreeg de oogen vol tranen. "Wij lijden armoe,
jongens, erger dan ik het zeggen kan."
De jongens wisten niet veel te zeggen, maar zij kregen diep medelijden
met die arme menschen.
"Weet je wat, Mietje," zei Jan. "Morgen is het ijs wel sterk. Ga dan
met een tentje op het ijs staan, om melk en koek te verkoopen."
Vrouw Touw lachte droevig.
"Hoe moet ik aan melk komen?" zei ze met een zucht. "En aan chocolade
en suiker en koek? Wie zal mij dat alles borgen?"
"Mijn vader wel," zei Jan beslist. "Ik ga het hem vragen. Ga je mee,
Karel?"
De jongens liepen op een drafje naar huis. En toen Jan verteld had,
hoe het met den orgeldraaier en diens vrouw gesteld was, zei Dik:
"Zeker wil ik helpen, jongen! Ga maar aan Mietje zeggen, dat ik haar
alles wil voorschieten, wat zij noodig heeft."
"Hoera!" riep Jan. "Wat is u toch goed, Vader. En mogen ze een paar
oude stoelen hebben, en wat palen en een paar banken?"
"Ja," zei Dik lachend, want het verheugde hem, dat Jan en Karel zich
zoo druk maakten om een paar arme menschen te helpen, die in nood
verkeerden. "Maar weet je, wat in de eerste plaats noodig is? De
stakkers hebben niets in huis, zelfs geen brandstof om de kachel
te stoken. Span je bok voor den wagen, en breng er dadelijk flink
wat turven naar toe. Ik zal dan meteen een en ander uit den winkel
inpakken, zoodat ze van avond wat te eten hebben ook."
"Ja, ja,--ik met den bokkenwagen, en Karel met de automobiel! Dat
zal leuk wezen."
't Was intusschen al donker geworden, en de sterretjes begonnen al
weder aan het hemelgewelf te flonkeren.
Jan en Karel hadden het druk, want zij maakten van Dik's mildheid
een ruim gebruik. De automobile werd volgestapeld met turven en
kachelblokjes, en in het bakje van den bokkenwagen kwamen verscheidene
zakjes met levensmiddelen. Dik wist wel, wat het meest noodig was.
Toen de jongens wegreden, keken Dik en Anneke hen lachend na, en Dik
herinnerde zich op dat oogenblik weer levendig, hoe hij zich als kind
op een donkeren avond geheel alleen op weg begeven had, om aan de
heks op den achterweg, die ook in nood verkeerde, levensmiddelen te
brengen. En hij voelde zich gelukkig, dat hij zulk een goed kind had.
In het hutje van de twee arme menschen heerschte dien avond groote
blijdschap. Jan en Karel werden hartelijk door den orgeldraaier en
diens vrouw bedankt.
"Morgen zullen we een tent voor u bouwen, Mietje," zei Jan. "En Vader
wil u al het noodige voorschieten, om alles te kunnen inslaan. Wacht
maar, u zal eens zien, hoe 'n mooie tent wij zullen maken."
De jongens keerden naar huis terug. De bok liep met opgetrokken
pooten, want hij vond de bevroren sneeuw erg koud, en hij was
er slecht over gestemd, dat hij zijn warm plaatsje bij den hit
had moeten verlaten. Karel draaide lustig aan het wiel van de
automobile. "Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf klonk het achter den bokkenwagen. De
beide lantarens gaven een helder licht, en de jongens vonden het een
prettig tochtje. Zij spraken af, den volgenden morgen vroeg op te
staan en dan ijverig te gaan bouwen aan de tent. Met een prettig
gevoel in hun borst keerden zij in huis terug. Zij voelden zich
tevreden en gelukkig.
Twaalfde Hoofdstuk.
Een goede daad, een vroolijke dag en een treurige morgen.
Wat was Jan Trom vroeg wakker. 't Was nog maar kwart over zessen,
toen hij uit zijn bed stapte. Zijn vader werd er wakker van, toen
Jan de luiken opende.
"Wie is daar?" vroeg Dik.
"Ik Vader," zei Jan. "Weet u niet meer, dat we eene tent zouden bouwen
voor Mietje van Klaas Touw. De bloemen staan weer dik op de ruiten. 't
Heeft bepaald erg hard gevroren."
"Zeker wel," zei Dik.
Jan was spoedig aangekleed. Hij opende de provisiekast en nam er een
paar sneden brood uit, die hij gebruikte met een glas melk. Daarna
verliet hij het huis, om zijn vriend te gaan wekken. Nauwelijks was
hij vertrokken, of ook Dik stapte zijn bed uit. Hij was bang, dat het
bouwen van een ijstent de krachten der jongens te boven zou gaan, en
daarom wilde hij gereed zijn om zoo noodig een handje te kunnen helpen.
Karel van Dril was al op, toen Jan hem kwam roepen.
"Wat is het koud, he?" zei Karel huiverend.
"Ja, erg koud," zei Jan. "Maar wij zullen ons wel warm werken. Om
negen uur moet de tent klaar zijn, want dan gaat de school aan en
moeten wij binnen zijn."
"Ja," zei Karel. "Ik ben klaar, Jan. Zullen we gaan?"
"Goed."
De jongens gingen naar buiten. Lange, dunne palen namen zij op de
schouders en droegen die naar het ijs. Het kanaal was dicht bij hun
huis. Zij hadden den weg maar over te steken om het te bereiken. Een
goed plaatsje was spoedig gevonden. Zij besloten de tent te bouwen
vlak voor den winkel van Dik Trom. Een paar malen liepen zij heen en
weer om alles te halen, wat zij noodig hadden.
Daarna gingen zij aan het werk.
Eerst moesten er met een bijl gaten in het ijs worden gemaakt. Jan
begon te hakken. O, wat was het ijs hard. De splinters spatten hem
bij elken hak om de ooren, en rinkelend vlogen zij een eind ver over
de gladde ijsvlakte.
't Was een zwaar werkje. Al spoedig had Jan geen last meer van de kou,
en hij merkte, dat het niet gemakkelijk zou gaan, een gat in het ijs
te hakken. Hij zuchtte zoo hard, dat Karel er om lachen moest.
"Toe maar, hak maar raak," zei hij. "Ik zal wel voor je zuchten."
Jan begon te wanhopen, of hij er wel mee klaar zou komen. Maar
eindelijk toch zakte zijn bijl door het ijs. Het water drong er
doorheen. Nog een paar slagen, en het schotsje was los. Met de bijl
wipte hij het stuk ijs omhoog.
"Zie zoo, dat is er een," zei hij. "Nu den paal er in."
"Doe jij dat maar, dan zal ik intusschen het tweede gat hakken,"
zei Karel. Hij nam de bijl, en trok aan 't werk. Op dit oogenblik
kwam Dik Trom aanstappen. Hij kwam eens kijken, of de jongens het
klaar zouden spelen.
"Gaat het goed?" vroeg hij.
"Best, Vader," zei Jan. "O, maar wat is dat ijs hard. Ik kan er bijna
niet doorheen slaan met de bijl."
"Ja, dat dacht ik wel. Daarom kwam ik juist even kijken. Maar ik zie
wel, dat mijn hulp niet noodig is. Hoeveel palen moeten er in?"
"Wij dachten van zeven," zei Karel. "'t Zou met minder kunnen, maar
als het dan wat hard gaat waaien, is de tent niet sterk genoeg."
"Je hebt gelijk," zei Dik. "Wel, wel, wat is dat ijs gl...."
"Glad," wilde hij zeggen, maar zoover kwam hij niet, want plotseling
gleden zijne beenen onder hem weg, en viel de dikke Dik met een
geweldigen bom op het ijs. Het ging zoo snel en onverwachts, dat hij
eerst niet wist, wat er gebeurde. Het ijs kraakte niet zoo'n beetje,
en er kwam een groote ster in.
Gelukkig bezeerde Dik zich niet, en de jongens konden er dus naar
hartelust om lachen. Doch zij gunden zich daar niet veel tijd toe,
want zij moesten hard werken om op tijd klaar te komen. Om de beurt
hakten zij een gat in het ijs, en toen Dik koud werd, hakte hij er
ook een. De tent schoot flink op. Aan drie kanten werden er zeilen
aan de palen bevestigd, en de vierde kant bleef natuurlijk open. Om
acht uur waren zij met hun arbeid gereed. Toen repten zij zich naar
huis, om een oude tafel, wat afgedankte stoelen en een paar banken te
halen. Ook namen zij ieder eene vlag mee, en die werden aan de twee
voorste palen bevestigd. Om half negen was de tent kant en klaar. Dik
was al lang naar huis, want hij zag, dat de jongens zijne hulp best
konden ontberen, en hij vond het een prettiger idee voor hen, dat
zij de tent geheel alleen bouwden. Toen om half negen Mietje op het
ijs verscheen, sloeg zij van verbazing de handen in elkaar, en zij
was wat grootsch op de mooie tent, die de jongens voor haar hadden
gemaakt. En alles was gereed. Zij had er om zoo te zeggen zoo maar
in te stappen. Alleen moest zij nog melk koken en de noodige koeken
bij den bakker bestellen. De arme ziel wist geen woorden te vinden,
om de jongens te bedanken voor alles, wat zij voor haar en haar zieken
man hadden gedaan.
"Hoe is het met Klaas?" vroeg Jan.
"Nog hetzelfde," was het antwoord. "Hij ligt nu al vier weken te
bed, en ik zie niet den minsten vooruitgang. Maar hoe zou dat ook
kunnen? Wij zijn te arm, om de versterkende middelen te kunnen koopen,
die zijn verzwakt lichaam noodig heeft, want hij is door en door
verzwakt, zegt de dokter."
"Nu, wie weet, hoeveel u vandaag nog verdient," zei Karel. "En hoe
is het met Fik?"
"O, die is weer geheel en al in orde. Hij houdt den baas
gezelschap. Die moet natuurlijk den heelen middag alleen in huis
blijven. Maar hij zal zich wel redden. Ik zal de tafel bij zijn bed
schuiven en alles, wat hij noodig heeft, daarop klaar zetten. Voor
twee uur van middag behoef ik niet in de tent te staan, en om vijf
uur kan ik wel al weer thuis zijn. Dan wordt het donker en gaan de
schaatsenrijders naar huis. Dus langer dan een uur of drie, vier is
hij niet aan zijn lot overgelaten. O jongens, wat redden jullie me
heerlijk uit den nood; je weet niet, hoe dankbaar ik ben."
"Dat is niet noodig, Mietje. We hopen, dat je vandaag nu maar
flink geld verdient. Maar 't wordt voor ons tijd om naar school te
gaan. Vanmiddag zullen we wel vacantie krijgen, denk ik, nu het zulk
mooi ijs is."
"'t Is te hopen," zei Karel. "He, wat heb ik een zin om te gaan
rijden."
"En ik!--Dag Mietje, tot vanmiddag!"
De jongens gingen naar huis. Het gebruikte gereedschap namen zij mee,
en eenige minuten later stapten zij de school binnen. Zij dachten
dien morgen meer aan het mooie ijs, dan aan de lessen.
Mietje was intusschen druk in de weer om alles voor den middag in
gereedheid te brengen. Bij den bakker bestelde zij een groot getal
ijskoeken, die ook wel dikke Pieten werden genoemd, eene lekkernij,
waar de jongens verzot op waren, en die de meisjes ook wel lustten. Dik
Trom had aan den bakker gezegd, dat hij voor de goede betaling borg
stond. Ook gaf Dik de noodige chocolade en suiker, en mocht zij bij
Wobbe op zijne rekening zooveel melk bestellen, als zij dacht noodig
te hebben. Mietje vloeide over van dankbaarheid.
"Zorg nu," zei Dik, "dat alles er netjes en zindelijk uitziet in je
tent, en maak de kopjes telkens schoon, als er uit gedronken is. De
menschen hebben een hekel aan vuile koppen en schotels."
Dik wist wel, dat Mietje niet aan overdreven zindelijkheid leed.
"Daar zal ik voor zorgen," zei Mietje.
Van een kastelein had zij de noodige koppen en schotels geleend. Zoo
werd Mietje door de hulp van verschillende menschen, die medelijden
met haar hadden, netjes ingespannen, en om een uur stond zij al in
hare tent, gereed om de gasten te ontvangen.
Jan en Karel hadden goed geraden. Dien middag kregen zij inderdaad
vacantie. Dat gaf eene vreugde. Onder een luid gejoel verlieten de
kinderen de school, om te gaan eten. Sommigen gunden zich daar haast
den tijd niet eens toe, zoo verlangden zij om op 't ijs te komen.
Om een uur krioelde het al van jongens en meisjes op de baan, en Mietje
kreeg het al aardig druk in hare tent. Jan en Karel waren er ook. Hun
eerste gang was naar Mietje, want zij wilden graag de eersten zijn,
die wat bij haar kochten. En Mietje zag er wat helder uit. Van Anneke
had zij een grooten huishoudboezelaar gekregen, die hare armoedige
plunje geheel bedekte. Ook de kopjes waren helder gewasschen, en
't zag er gezellig bij haar uit. Jan en Karel zagen met genoegen,
dat zij het verbazend druk kreeg. Dat was trouwens geen wonder, want
zij was de eenige, wier tent geheel klaar was. Er waren er nog wel
verscheidene in aanbouw, maar gereed was er nog maar een, en dat
was de hare. Wat hadden de twee jongens er een pret in. Vroolijk
zwierden zij op de baan heen en weer, want zij konden goed rijden,
vooral Jan. Die kon al zwieren als de beste. Dat had hij van zijn
vader geleerd die ook een groot liefhebber van het ijsvermaak was. En
als zij een poosje gereden hadden, gingen zij uitrusten in de tent
van Mietje, die er recht gelukkig en tevreden uitzag, want zij kon
wel aan het bedienen blijven.
"Dikke Pieten! Dikke Pieten!" riep Karel lachend zijne kameraden
toe. "Steekt er eens op, en legt er eens aan! Lekkere, versche dikke
Pieten! De mooiste ijskoeken van de wereld!"
De jongens en meisjes lachten er om, en toen zij hoorden, dat Mietje
het zoo erg arm had en dat haar man ziek was, en daarbij vernamen, dat
Karel en Jan samen die mooie tent voor haar hadden gebouwd, kijk,--toen
wilde iedereen ook een steentje bijdragen om den nood der arme menschen
te lenigen, en wie wat koopen wilde, deed het daarom bij Mietje.
Jan ging ook achter de tafel staan, en riep zoo hard hij kon:
"Heete melk en koude Jan,
Steekt er eens op en legt er eens an!"
De kinderen moesten er hartelijk om lachen, maar 't gevolg was toch,
dat de koeken als 't ware wegvlogen, en dat Mietje telkens een nieuwen
voorraad melk moest koken. Hare zaakjes gingen best, opperbest, en
zij ontving zooveel geld, als zij in haar heele leven nog niet bij
elkaar had gezien.
Later op den middag kreeg zij het nog drukker. Toen kwamen de groote
menschen op de baan. Ook Dik Trom stapte met zijn schaatsen onder
den arm het ijs op. En even later verschenen de twee mannen, met
wie hij al van zijne vroegste jeugd af trouwe vrienden was geweest,
namelijk Piet van Dril, de smid, en Jan Vos, de metselaar. In de
tent van Mietje bonden zij de schaatsen onder. Dik trakteerde eenige
jongens, die dicht in de nabijheid stonden, op dikke Pieten, en even
later zwierde het drietal lustig over de baan. Wat kreeg deze meer en
meer een vroolijk aanzien. De andere tenten waren nu langzamerhand ook
gereed gekomen, en de vlaggen wapperden vroolijk in den wind. En wat
kwamen er een menschen op het ijs! 't Werd er hoe langer hoe voller,
en soms, als de menschen erg dicht op een hoop stonden, gaf het ijs
een geweldigen krak, zoodat iedereen er van schrikte en men ijlings
uit elkander stoof.
De baanvegers hadden weinig te doen, want het ijs was spiegelglad. Des
te meer tijd hadden zij om geld op te halen.
"Een centje voor den baanveger!" klonk het hier. "Een centje voor den
baanveger," klok het daar. 't Leek wel, of de baanvegers uit den bodem
van het kanaal opstegen, zooveel kwamen er. Maar de schaatsenrijders
genoten volop, en zij hadden een gulle bui. Dik Trom, wiens winkel
thans verreweg de grootste was van het geheele dorp, zoodat hij veel
geld verdiende en van nabij met den toestand der baanvegers bekend was,
liet menig dubbeltje in de handen der baanvegers overgaan. Hij was
niet gierig, en als hij wist, dat hier of daar armoede geleden werd,
was hij altoos bereid om te helpen. Hij was dan ook verbazend bemind
onder zijne dorpsgenooten. Iedereen had een vriendelijk woord voor
hem over, en niemand passeerde hem zonder een groet.
"Dag Dik!" werd er overal geroepen, waar hij voorbij reed. "Dag
Dik! Dat is nog eens een echt ouderwetsch dagje, he?"
't Was vreemd, maar Dik werd op het dorp nog bijna door iedereen Dik
genoemd. Zelden zeide men Trom tegen hem.
Hij kon mooi schaatsenrijden, veel mooier, dan men van zoo'n
dikken man verwacht zou hebben. Als hij goed aan het zwieren was,
had hij aan de breede baan niet genoeg, neen, dan gebruikte hij
wel de halve breedte van het kanaal. En 't was grappig om te zien,
als Jan achter hem aanzwierde. Dik had altoos een ijsstok bij zich,
met aan elk einde een knop. Soms hield Dik het eene einde onder den
arm, en Jan het andere, en dan zwierden zij samen zoo kolossaal,
dat de menschen bleven staan om er naar te kijken. En 't was een
grappig gezicht, dien dikken Dik en dien mageren Jan samen aan den
stok te zien zwieren. Iedereen lachte er om, en Dik zelf ook.... Ha,
wat was Jantje dan grootsch. Dan reed hij zoo prachtig beentje-over,
dat Karel van Dril er jaloersch op was.
Het drukste punt van de geheele ijsbaan was, waar de tent van Mietje
stond. Karel en Jan zagen met onbeschrijflijk veel genoegen, dat hare
tent nooit leeg was. Altijd zaten er menschen op de stoelen of banken,
om uit te rusten, en iedereen gebruikte wat bij haar. De koek was om
drie uur al uitverkocht, maar melk had zij in overvloed. Haar zak
was zwaar van de centen, die zij ontvangen had, en steeds kwam er
meer bij. Iedereen wilde haar helpen in den nood. Alleen de andere
tenters waren er een beetje boos om, maar toch niet heel erg, want
het was zoo druk op de baan, dat ook zij een heel goeden dag maakten.
Frans Thor en Klaas Zwart waren ook aan het schaatsenrijden, maar de
andere jongens ontweken hen zooveel mogelijk. Zij wilden 't liefst
niet met hen te maken hebben.
Eindelijk begon de schemering te vallen, en de drukte op het ijs
verminderde gaandeweg. Vele boerenjongens en -meisjes moesten naar
huis, om de koeien te melken en het vee te voederen, en langzamerhand
zakten ook de anderen op huis af. Jan en Karel waren onder de laatsten,
die vertrokken.
"Kunnen we je helpen, om een en ander naar huis te brengen,
Mietje?" vroegen zij. Want zij hadden zich nu eenmaal voorgenomen,
Mietje zooveel zij konden terzijde te staan.
"Neen, jongens, dank je vriendelijk," was het antwoord. "De kopjes
en schoteltjes doe ik in een sleetje en neem ik mee naar huis. Maar
den vuurpot en den ketel laat ik van nacht hier maar staan. Dat wordt
anders maar heen- en weer sjouwen voor niemendal."
"En heb-je goede zaken gemaakt?" vroegen de jongens blij, want zij
wisten wel, hoe het antwoord zou zijn.
"Goede zaken?"--Of ik!" zei Mietje, en zij klopte met hare hand
op den zak, die onder haar boezelaar hing. De jongens hoorden een
rinkelend geluid.
"Allemaal centen, Mietje!" plaagde Jan. "Dat beschiet niet veel."
"Allemaal centen?" herhaalde Mietje, terwijl zij een flinken
greep in den zak deed, en den inhoud van hare hand op de tafel
uitstortte. "Allemaal centen? Kijk eens, een dubbeltje, weer een, hier
nog een, een kwartje, nog een kwartje, daar nog een dubbeltje,--neen,
neen, als het nog een paar dagen mag blijven vriezen, ga ik den winter
zonder zorg tegemoet.--En dat heb ik alles aan jelui te danken,--en
aan je vader, Jan."
Zij deed het geld weer in den zak, pakte alles wat meegenomen moest
worden, in de slede, schoof de tafels en stoelen zooveel mogelijk in
elkaar en ging naar huis.
"Zeg aan je vader, dat ik vanavond met hem kom afrekenen," zei ze
nog tegen Jan. "Ik heb vandaag wel zooveel verdiend, dat ik mezelf
verder redden kan. 't Is een pak van m'n hart, jongens."
Jan en Karel gingen recht vergenoegd naar huis. De lucht zag er wel
naar uit, dat het weer geducht vriezen zou.
's Avonds kwam Mietje inderdaad met Dik afrekenen en zij deelde hem
mede, dat zij wel meer dan twintig gulden had verdiend. Dik was er
recht blijde om, en hij gaf Jan een knipoogje, of hij zeggen wilde:
"Zie je, Jan, dat is het werk van jou en je vriend. Je hebt eene
goede daad gedaan."
Vol vreugde keerde Mietje naar haar hutje terug. Klaas en zijne vrouw
hadden zich in langen tijd niet zoo gelukkig gevoeld.
Helaas, de blijdschap van Mietje zou al spoedig in verdriet
veranderen. Toen zij den volgenden morgen in de tent kwam, om alles
voor den middag in orde te brengen, want het had weer sterk gevroren,
bemerkte zij tot haar grooten schrik, dat de ijzeren pot, dien zij
van Van Dril te leen had gekregen, en de mooie koperen ketel, dien
De Vries, de kastelein, haar ten gebruike had afgestaan, verdwenen
waren. Eerst meende zij nog, dat de andere tenters een grapje hadden
willen hebben en een en ander hadden weggehaald, maar dat bleek niet
zoo te zijn. Die menschen vermisten ook voorwerpen, die zij in de
tenten hadden achtergelaten, en zij waren erg boos en terneergeslagen.
"'t Is eene schande," zei er een. "Ik dacht zoo, dat de diefstallen
ten einde waren, en nu komen zij ons armoedje nog wegstelen."