De jongere generatie - E. D\'Oliveira
[Transcriber's Note: Spelling, accents, use of quotation marks and
hyphenation are terribly inconsistent throughout the source text, and
have been left as they were. Only obvious printing errors have
been fixed.]
"DE JONGERE GENERATIE"
door
E. D'OLIVEIRA
(VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80")
GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE
LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUETE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL
GEESTELIJK LEVEN
GEILLUSTREERD
[Illustratie: LOUIS COUPERUS]
TER INLEIDING
Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in
zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te
kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van
onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De
medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw
Henriette Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden.
Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is
tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven
van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de
onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk
logisch volgt en--tegenover de opoffering van ... persoonlijke
gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben
getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod
van Gorter om--wie had 't ooit gedacht!--de redenen van zijn afwijzende
beschikking te vermelden.
Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een
belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat
mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op
grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik
hoor 't al, uit hun _oeuvre_ is voor mijn doel heel veel op te maken,
doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet,
daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet
het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze
literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek
groepeert zich om die richting--al schat ik in dit geval de
persoonlijkheden--wel te onderscheiden van de individueele
hebbelijkheidjes--hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder
gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan.
Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en
de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het
geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen.
Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen
deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De
Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nu op den achtergrond gehouden,
al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en
slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit
pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband
beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord
onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo
zal het den opmerkzamen lezer--vlei ik mij--toch wel duidelijk worden,
welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen,
temperamenten, richtingen, heb gevormd.
Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet
kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen
en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te
"halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft
te lezen.
Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden,
waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op
de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar,
dat is als leidsman, zouden optreden.
Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de
representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij
publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een
zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of
wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poetisch vermogen, dat
naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars-
aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten?
Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft
de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?--deze elementen (de lezer
voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of
meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen
stijl van zijn volk zal leiden.
Naast deze vraag van algemeene strekking--en ook in verband met haar--is
voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers
beinvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur-
verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal
geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel
eens op iets groots zou kunnen uitloopen--dat dan echter niet veel op
zijn verwekker zal gelijken.
Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert.
Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen
den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben
toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij
ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en
gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor
zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden.
Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit
de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men
daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de
socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite
hebben bekoord--totdat de practijk van den politieken strijd kentering
en afscheiding bracht?
Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en
natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze:
Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een
voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo
ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren
en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis
--welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd
de duistre drangen zijns gemoeds--even onbetrouwbaar en aanmatigend,
even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn
persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken?
Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis
van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij
zijn persoonlijkheid--alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe",
oftewel "ik-heidje" gedoopt--te offeren om de massa tot zijne hoogte
langs wegen van strijd op te voeren;--in het midden latend of hij
geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook
grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven,
miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude
cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat--helaas--nog
nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te
leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar
hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak)
tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa
(op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der
toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet
verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken?
Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze
gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne
beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de
pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid,
maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische
kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van
spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische
levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het
onvoorziene, voor "le grand imprevu", hier gaarne toegepast.
Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele
slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men
oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo
waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan
woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde
toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld,
dat het toeval mij in handen speelde.
Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan
heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence,
later van Muenchen uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per
post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik
legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn
niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn
"Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer
was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch
spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske",
waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen,
nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin
van dit boekje afgedrukt.
"Het is maar goed dat u mij niet in Muenchen is komen bezoeken,--vergeef
mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele,
successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn
ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook
al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van
meet aan uitgesloten."
Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met
eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad
(het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder
heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd--ik
ken u, o Couperus--dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met
korte aanduidingen al wat blij zou zijn. _Conclusie_: Overdreven
zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen
geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld.
Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een
kronkelende neerhaal:
"Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit
nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn
gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik
dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken
over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die
boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig
leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en
eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in
interview.
"Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij
over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen
heeft."
_Conclusie_: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk
slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten
naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen
een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een
definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de
tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de
eerste:
"En vindt u dat overlezen een "mer a boire", dan zou ik u willen raden,
begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"--reeds in enkele
bundels uitgegeven--en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich
toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult."
De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer a boire"" is onwezenlijk.
Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het
oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in
"Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen
denken, en waar Couperus zich _rechtstreeks_ geeft, terwijl hij zich in
de romans alleen maar "niet verbergt". _Conclusie_: Hier is inderdaad de
wending in de levenslijn die wij voelden aankomen.
En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog,
die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het
geheel omslingert, verloopt.
"Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over
mij te schrijven ... wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij
vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op
uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U
zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt
willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt
nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn
innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop
hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als
die eene geheime deur zult beschouwen."
_Conclusie_: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste
verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich
ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al,
dat de beantwoording van mijn vragen--waarover hij niet zou hebben
nagedacht--zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen
natuurlijk)--zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de
onderstelling dat hij er over zou gaan denken. Hij zou dan een zwaarder
taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn
schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt.
Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en
moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een
ononderbroken "Begriffsdichtung" in de toch bestaande behoefte aan een
geestelijk steunsel komt voorzien.
Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit
antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet
fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als
leid-hypothese zou kunnen dienen?
Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen
bereiken--maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?--al
weet ik ook heel goed, dat nog wel enkele persoonlijkheden, maar dan
meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn
aan te wijzen (waar is 't eind'?)--wanneer men dit boekje leest in den
geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen
tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook
onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere
literatuur.
En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter
zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre
als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder
scha kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn
arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven houvast
zoeken.
D'OLIVEIRA.
Hilversum, Oudejaarsavond 1913.
VOETNOTEN:
[1] De heer Heijermans heeft mij wel te woord gestaan, maar toen een
eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was
verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn
roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een
vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een
scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in
cynische onheuschheid zijn weerga zoekt. Hoewel H's klachten door den
heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview
niet af: 1 deg. om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2 deg. omdat ik
mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen
aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel
slechts op een hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het
geheel zouden treffen.--De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.--
[2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat
zegt deze in den aanhef van zijn brief?
JOHAN DE MEESTER
[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne
dochter, Annie de Meester]
(* 6 FEB. 1860)
Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar
in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek,
niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Medoc wordt
geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de
kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's
niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt
begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe
van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een
geroutineerd gastheer, hij geeft onweerstaanbaar leiding aan het
gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten
over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij
is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zeer
oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps
uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het
onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet
aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en
dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken
slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig,
omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in
Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte
omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan
plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een
Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er
niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt
snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij een gedachte uit laat,
worden de andere ideeen, weer door nieuwe volgsters opgedrongen,
ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo
levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot
stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij
langdurig steunt en drukt, om dan met een zetje over te springen op het
woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een
ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een
gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn
converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel
van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in
enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen
woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken.
Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te
spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen
zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te
zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan
naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar
zelfs daar moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn
zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch
roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te
dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol--
geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder
inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met
schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld.
Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die
voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt
u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter
zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was
wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a.
staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn
dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die
jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in
mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen.
Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die
ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote
dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood.
Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in
zijn roeiboot.
In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader
burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in
zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste
zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger
zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel
klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_
huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedweept met Robinson
Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te
beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat
prettige eiland.
Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd
rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn
schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ...
niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering
voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en
dat opschrijven.
Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen.
Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en
nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik
was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs
wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en
maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je
kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar:
De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de
andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen
serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden.
Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel
bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt
tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water.
Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die
kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga
je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een
flinke kerel zou worden.
Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv.
heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je
ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin
ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie
hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in
dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een
soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop
op de toekomst.
In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door
het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou
schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef
thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht
schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals
je dat op dien leeftijd doet.
Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en
toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor
me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als
ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en
grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was
minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en
_social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik
leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een
mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij
daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten
rondkomen van een f 1200 a f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan
lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik
er niets voor.
Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op
gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook.
Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin
ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets
van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes,
maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen
al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de
spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en
daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van
zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de
schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en
van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde
die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder
Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar
onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat
een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op
achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je
niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je
schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij
afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven,
om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan
het werk te gaan.