A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Thrilling Holiday Gift Book: A Controversial, True Story - One Man Caught in U.S. Government Psychic Spy Experiments
SACRAMENTO, Calif. -- The ideal Christmas gift for those intrigued by governmental conspiracy, OPERATION BLUE LIGHT: My Secret Life Among Psychic Spies (Cherubim Publishing, ISBN 978-0-9816024-0-0), is one of the most scintillating memoirs ever to be written. A true story of deception and subterfuge, it took Philip Chabot 40 years to tell us about his amazing experience.

New Children's Book from Jeremy Zilber Lets Kids Know 'Mama Voted for Obama!'
MADISON, Wis. -- Building on the success of 'Why Mommy is a Democrat,' author and political activist Jeremy Zilber announces the release of his third self-published children's book, 'Mama Voted for Obama!' (ISBN: 978-0-9786688-2-2). With its Seuss-like use of repetition, rhythm, and rhyme, Mama Voted for Obama offers a whimsical celebration of Obama's historic presidential campaign while providing his supporters an entertaining way to let their kids know how they voted in 2008.

Epic Fantasy Book Series Website Honored in 2008 National Best Books Awards
LANCASTER, Texas -- The Green Stone of Healing(R) epic fantasy website is among the finalists of the 2008 National Best Books Awards sponsored by USABookNews, HealingStone Books announced today. The award-winning website is honored in the Best Website Design category. The site provides much-needed background for a complex saga packed with romance, intrigue, mysticism, and adventure.

De mannen van \'80 aan het woord - E. D\'Oliveira

E >> E. D\'Oliveira >> De mannen van \'80 aan het woord

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9

[Transcriber's Note:

There were a LOT of inconsistencies in spelling, accents, hyphenation
and use of quotation-marks. I decided to make it as consistent as
possible, while trying to stay as close as possible to the scans.

Where hyphenated and non-hyphenated versions of a word co-existed in the
text (within lines) I converted to the hyphenated version, as those
versions were by far the most common.

The use of the grave and acute accents (almost exclusively for emphasis
in spoken fragments) was so inconsistent that there was no real bias to
be found. I changed these to modern Dutch use, i.e. acute on long (use
of) vowels and grave on short.

I tried to mess with the spelling as little as possible. 'bizonder' and
'bijzonder' and their variants were changed to 'byzonder' as this was
about 50 times more common. 'Lodewijk van Deyssel' was spelled as
'Deijssel' in the index only. That was corrected.

There were more mismatched (double) quotes than I cared to count. Some
spoken paragraphs were not quoted at all. I have done the best I could,
and made the following changes where mismatches occurred: Spoken
paragraphs all start with double quotes ("). They only end on double
quotes if 1) The speaker changes, or the next paragraph is non-spoken
text. 2) They are at the end of a chapter. This is how modern written
Dutch (and I believe English) handles it.

Eric Casteleijn]



"DE MANNEN VAN '80 AAN HET WOORD"


EEN ONDERZOEK NAAR EENIGE BEGINSELEN VAN DE "NIEUWE-GIDS"-SCHOOL


DOOR E. D'OLIVEIRA





HISTORIE VAN DIT BOEKJE.


De samensteller ging uit van de meening, dat een auteur,--al dient hij
instinctief het schoone,--met name in onzen tijd zich bewust behoort te
zijn van zijn positie als geestelijk leider, van de roeping zijnen
artistiek voelenden medemenschen een beter leven, een waardige taak voor
te houden met zijn Kunst.

Achter iedere uiting van taalkunst is derhalve een persoonlijkheid te
zoeken, die vereerd wordt, wijl de tegenstelling tusschen Idee en
Natuur, die den gemiddelden fijngevoeligen mensch kwelt, in hem--en
onmiddellijk daarna in zijn kunst--tot verzoening is geraakt. Deze
tegenstelling wordt in elke beschavingsperiode voelbaar in een vorm die
voor deze periode typisch is:--de verzoening, die het echte kunstwerk
vervult, is te beschouwen als voorbewuste levenswijsheid van een
bepaalde Cultuur.

Treedt nu de criticus op in de eerste plaats als middellaar tusschen
publiek en 's schrijvers persoonlijkheid, dan kan een deel van de
samenleving zich aan diens leefkunst spiegelen:--voordat de wijsgeer ze
tot voorbijgaand moment heeft gemaakt van een gedachtensysteem, dat--als
zoodanig--het practische leven vliedt.

De schrijver zag in zijn omgeving elementen genoeg voor een
samen-werking als hier geschetst. En de zuivere totstandkoming er van
achtte hij een zoo groot beschavingsbelang, dat hij niet opzag tegen een
langdurig en bewerkelijk onderzoek naar de mogelijkheid. In de eerste
plaats ging hij tot "De mannen van '80", een stel auteurs, door het
volksgeweten en door eigen keuze tot een groep gerekend, maar, zooals
uit het vervolg wel blijken zal, met sterk uiteenloopende gezindheden
... een "school" niettemin aan wier invloed thans geen pen-voerder van
naam in ons land ontkomen is.

Hij stelde hun zijn vragen niet zoo beslist als hij--blijkens het boven
weergegeven inzicht--wel kon: immers hij wilde weten, wie hunner "uit
eigen beweging", krachtens persoonlijkheid en verleden, zijn taak als
letterkundige opvatte gelijk hij zich die had voorgesteld.

Men bedenke ook, dat hij tegenover vreemden stond en niet rechtstreeks
zijn vragen kon richten op 't allerintiemste van hun zieleleven en
-overtuiging. Men wete verder, dat hij niet altijd verlof kreeg alles te
vragen wat hem voor den mond kwam.

In de schetsen, die hij later van zijn gesprekken met deze geestelijke
voorgangers vervaardigde, ontmoet men het vraagpunt waarvan hij uitging
dan ook min of meer verbrokkeld. Maar in den eigenaardigen loop dien het
onderhoud telkens nam--deze betoonde dit punt, gene een ander--kwam de
geestesaanleg van den behandelden auteur getrouwelijk tot uiting. Het
aandeel dat de ondervrager aan 't gesprek had werd slechts weergegeven,
voor zooverre hij daadwerkelijk de leiding behield--wat hij
liefst vermeed.

Het ware den samensteller gemakkelijker en wellicht aantrekkelijker
geweest: zijn indrukken om te zetten in romantisch-getinte schetsjes van
wat hij op zijn kunst-reis ondervond. Van begin af echter was er iets in
hem dat zich daartegen verzette. En nu hij het geheel overziet, kan hij
slechts dankbaar zijn, zich gebukt te hebben voor de overweging die hem
drong op de zaak te letten en op niets als de zaak. Beter dan in andere
omstandigheden kan nu de lezer zijn gedachten laten gaan over de
boven-historische lijn, welke verbindt een Van Deyssel, die de
eenzaamheid lief heeft; met een Emants, die in 't gemeenschaps-leven een
"baantje" zoekt om zijn waarneming frisch te houden; en een Vermeylen,
die gemeenschapstaak en artistieke wenschelijkheid niet gescheiden
houdt; de lijn welke van een Van Deyssel, die de kunst wil om de kunst;
gaat naar Emants, die 't taalschoon als "middel" tot allerscherpste
verstandsuiting schijnt te voelen, en Vermeylen, die kunst een
afspiegeling wil doen zijn van een "schoon en gezond leven". Door zijn
rubriceering heeft de samensteller getracht: vergelijking uit andere
gezichtspunten dan de hier aangeroerde van dienst te zijn. Maar de
vraag, hoe elk schrijver dacht over de verhouding van zijn
persoonlijkheid tot zijn werk en zijn invloed op de maatschappij:
beheerschte de rangschikking van deze opstellen, welke stuk voor stuk
het motto "Kunstenaar en Samenleving" tot ondertitel kunnen voeren.

Breedere uiteenzetting van verschillende beginselen ware geenszins
onmogelijk geweest, misschien zelfs wenschelijk; de samenleving echter
stelde, via den uitgever, zijn eischen aan den omvang van dit boekje.
Ook is een poging om op een punt grondiger in te gaan mislukt, doordien
de heer Alberdingk Thijm in de gelegenheid was, mij gedurende de
voorbereiding van dezen herdruk te ontvangen. Maar de oplettende lezer
vindt van ieder der hier behandelde schrijvers een schoone, gevoelvolle
waarheid: weergegeven in diens eigen woorden. Deze waarheid was de
grondslag van al zijn streven. Wie ze begrijpt is nader gebracht tot 's
schrijvers werk en bedoelingen.

Deze opstellen maken aanspraak op den roep van groote nauwkeurigheid en
onpartijdigheid. Intusschen acht ik mij bij dezen tweeden druk
verplicht, ernstig te waarschuwen tegen de dwaling, dat hier eigenlijk
een verslaggever doende is, die met vaardig stift meeningen en
opmerkingen, al interviewend, genoteerd heeft en deze nu kalmweg met wat
draperie er om heen zijn ietwat gehaaste lezers voorzet. Ik ken de
oorzaken van deze schromelijke vergissing en zal haar verder niet
aanvechten. Liever gedenk ik hier een vriendelijk lezer, die mij een
exemplaar van dit boekje voorlegde, doorspekt met cijfertjes en
verwijzingen, en mij toonde hoe hij iederen uitspraak van den eenen
schrijver (zelfs uitspraken die aanvankelijk van weinig beteekenis
schenen) had getoetst aan overeenkomstige gedachten van alle anderen.
Wie zijn inzicht wil verrijken in de mate welke dit bescheiden boekje
geven kan, hij volge dit voorbeeld! Hij zal zien dat hij hier te doen
heeft met een geheel, dat door talrijke vezeltjes wordt
saamgehouden,--ook al heb ik mij beijverd, ieder onderdeel
zelfstandig te laten.

Bijna zonder uitzondering hebben de hier sprekend voorgestelde
schrijvers mij, ongevraagd, hun instemming met mijn schetsjes (die zij
uit handschrift of drukproef kenden) doen blijken. Behalve Netscher (die
alles aan mij overliet) hebben allen mij raad en voorlichting gegeven,
waar ik in woordkeus of in nuanceering van een bepaald standpunt soms
twijfelde. De ter zake kundige lezer weet hoe een klein woordje te onpas
aangebracht of weggelaten een heelen zin dood kan maken of ... laten;
hij zal dan ook de waarde van deze hulp ten volle kunnen waardeeren en
ook de mate van mijn erkentelijkheid.

Ik ben gelukkig met de sympathie, die de in dit boekje begonnen taak
bij onze geestelijke leiders heeft gevonden; aan deze sympathie heb ik
het zeker voor een deel te danken, dat deze grooten mij--leerling--zoo
uitvoerig te woord hebben willen staan.

Heb ik--ten slotte--gevonden wat ik eigenlijk zocht? De vraag
beantwoordt zichzelf. Indien alles precies zoo ware ingericht als ik
persoonlijk het wenschte, (daar schrijvers deze eigenaardigheid hebben,
dat ze hun meening ... niet voor zich houden, ware dit mij zeker niet
verborgen gebleven)--dan hadd' ik met mijn onderzoekingstocht nooit een
begin gemaakt. In hoeverre het geestelijk leven van onze natie aan mijn
schema beantwoord, de lezer beoordeele dit voorloopig zelf. Aan het slot
van een eerlang te verschijnen vervolg, dat een latere schrijvers-
"generatie" zal behandelen en dat ook een synthese van het
geheel zal bevatten, hoop ik mijn meening hierover duidelijk te zeggen.
Doch reeds nu vinde hier de verzekering plaats, dat ik de weken, aan
deze kunst-reis besteed, tot de zeer gelukkige in mijn leven tel.

D'OLIVEIRA.





LODEWIJK VAN DEYSSEL


[Illustratie: K. J. L. ALBERDINGK THIJM (Lodewijk van Deyssel)]




K.J.L. ALBERDINGK THIJM


(LODEWIJK VAN DEYSSEL)

_Baarn_.

"Hoe vaart u, meneer? Aangenaam u te zien. Heeft u den weg alleen kunnen
vinden? Een kruier genomen, zegt u? Wel, dat is aardig. Ja, u hebt
gelijk, ik woon hier wel wat afgelegen. Maar ik zal u straks een weg
aanwijzen ... die is misschien wel een beetje langer, maar die heeft 't
voordeel, dat u niet missen kunt.... Zoo, wilt u nu misschien even
mee komen?"




EERSTE INDRUK.


Ik had mij gedroomd den Van Deyssel van de portretten, den tot zich zelf
gekeerden, met donkeren blik en borsteligen baard.... Ik had gedacht,
dat hij onbeweeglijk zou tronen in het halfduister van een wijd vertrek
met lood-gevatte ruitjes en langs de wanden hooge boekenstapels. Stil
zou hij daar zitten aan zijn breede tafel, de nerveuse hand slechts even
heffend uit zijn baard, om mij met een korten, forschen wenk een plaats
te wijzen ... dan weer zonder spraak, norsch wachtend tot ik wat zou
zeggen.... De eenzame, die zoo hatelijk kan zijn als een koude
stormnacht, die kan grijnzen als een satan en die een poosje later,
neen! tegelijkertijd, kan glimlachen zoo innig als een eerste
lentemorgen en de zon kan aanroepen als een kweelend vogeltje, dat
licht omhoog zich werpt in de wazige lucht....

En was dat nu Van Deyssel? die vriendelijke, voorkomende, gezellig
babbelende heer, met zijn stijven knevel en zijn netjes
gladgeschoren kaken?

--"Zoo, wilt u nu misschien even mee naar boven komen? Ik zal u maar
voorgaan, niet waar? Past u op, het is hier wat donker, en voordat u in
de gang komt, moet u nog een treedje op. Bent u er? Prachtig. Nu hier
maar binnen."

Als men in Van Deyssel's werkkamer komt is men niet heelemaal op zijn
gemak. Men voelt zich beklemd bij de gedachte aan den taaien strijd, die
hier zoo vaak werd gestreden, en men verbeeldt zich ... luister!...
"Toen ben ik gaan wezen alleen met mij zelf, en heb mij in wanhoop
bekend, dat ik de gedachte nooit zou zien, haar nooit zou weten en
kennen, nooit, nooit voor mij de gedachte.... Ik houd van schrijvers,
die lang-uit erge mooie, errege groote zaken schrijven, van schrijvers
met volumineuze, dikke, breede, zware zinnen.... Ik houd van woorden,
die op mij aanstormen ... als ... kom eens hier, Janneman ... je bent
heelemaal niet geleerd...."--men verbeeldt zich, dat er van onder het
gele lampe-schijnsel fragmenten van zinnen en rythme van zwaar-gehouwen
proza, verward, vaag, onwezenlijk komen aangemurmeld.

En al heb je nu ook jaren verlangd eens een enkel keertje bij hem, bij
hem, te mogen zijn, heelemaal op je gemak voel je je niet. Maar....

"Gaat u toch zitten. Wou u wat meer in het licht komen? Om
aanteekeningen te maken? Zoo, dat is heel aardig. U doe maar! Een
sigaar? Nee, ik vind uw vragen niet onbescheiden.... Welnee, heelemaal
niet. Vraag u maar gerust."

En je bent plotseling verlost van je beklemming, en zoo blij, zoo blij!

Dan Van Deyssel, doodkalm, met een vriendelijk gezicht aan het
vertellen. Van tijd tot tijd komt hij bijna in opwinding. Niet heelemaal
... want dat doet-ie niet in gezelschap. Maar een klein beetje. Als het
zoover met hem is, buigt hij voorover uit zijn leunstoel en slaat zijn
zware witte hand driftig op en neer:




VAN DEYSSEL'S DEBUUT.


"Ik ben van een familie van auteurs. Ik zag mijn vader altijd schrijven,
en toen ben ik het ook maar gaan probeeren. En toen was er ... wacht
eens, in welk jaar was dat? ... in '79 of '80 zoowat, toen verscheen
er.... U moet weten, mijn vader had een tijdschrift: "De Dietsche
Warande" ... en ik had veel Fransche auteurs gelezen.... En toen kwam er
in 'n ander tijdschrift een artikel van dr. Schaepman; tegen Victor Hugo
was dat gesteld. Ik was toen zestien jaar ... ik voelde mij juist een
groot bewonderaar van Hugo.... Toen voelde ik mij geroepen, om daar een
lang artikel tegen in te gaan schrijven: "De eer der Fransche meesters".
Bij die gelegenheid bracht ik ook den naam Van Deyssel in de wereld.
Mijn artikel lokte heel wat polemiek uit; niemand wist van wien het was
en de grappigste veronderstellingen liepen daarover. Ik was toen nog
heel jong feitelijk, en aan mij dacht niemand. Op mijn verdediging kwam
natuurlijk weer een antwoord; de zaak trok de aandacht van de pers,
tijdschriftartikelen en brochures werden geschreven en de geschiedenis
heeft wel een jaar geduurd.

"Dat was een aardig debuut ... ja ... omdat sommige menschen dachten, dat
mijn vader het was ... en daardoor werd er meer werk van gemaakt dan
anders misschien wel het geval zou geweest zijn. Die "Dietsche Warande"
had maar heel weinig abonne's en verscheen niet eens op gezette tijden.
Nu, als er dan eens wat byzonders in stond, dan had mijn vader het
gedaan, dachten de menschen. Die dr. Schaepman heeft in sommige van zijn
artikelen alleraardigste beelden gebruikt. Zoo wist hij b.v. te
vertellen, dat ik "den pauwstaart van mijn ijdele belezenheid had
uitgezet" en toen ik mij over Bossuet, u weet: de zeventiend' eeuwsche
Fransche prediker, toen ik mij daar in minder prijzende woorden over had
uitgelaten, schreef hij, dat ik "het hondje speelde tegen monumenten."

"Nu, dat is toen altijd zoo door blijven gaan. De menschen vonden mijn
schrijverij blijkbaar heel aardig--en ik werd verschrikkelijk
hoogmoedig, "'t Zal dan wel je roeping zijn en zoo moet het maar
blijven," dacht ik.

"Toen leerde ik kennen, degenen die redacteur van de "Nieuwe Gids" zijn
geweest. Dat was in 1882. Het eerst Van der Goes, u weet wel, die later
socialist is geworden. Dat was hij toen nog niet ... dat begon pas een
jaar of tien daarna."




"EEN LIEFDE."


Mijn eerste roman "Een Liefde", ben ik begonnen op zeventienjarigen
leeftijd. Ik heb daar heel lang over geschreven en hij is bij
tusschenpoozen ontstaan. Daar heb ik, op verschillende tijdperken, aan
gewerkt van mijn zeventiende tot mijn een-en-twintigste jaar zoowat. Van
1881 tot 1885.

Ja, dat is heelemaal verzonnen. Het spreekt van zelf, dat je bij het
scheppen van je personages wel eens denkt aan menschen, die je hebt
ontmoet of aan dingen, die je hebt gezien. Dat gaat nu eenmaal niet
anders. En bovendien, ik wilde de dingen vertellen, wel niet zooals ze
waren gebeurd, maar dan toch zooals ze zouden kunnen gebeuren.




IMPRESSIONISME.


Mijn bedoeling was: te geven "Impressionisme in de literatuur", zooals
ik het genoemd heb. Vooral voor het plastische gedeelte dan. Dat idee is
vooral bereikt in het dertiende hoofdstuk. Wat de lengte betreft, is dat
zonder eenige verhouding tot de andere hoofdstukken. Die manier van
schrijven brak toen als 't ware los.

Frans Netscher was toen dien kant al opgegaan. Die schreef toentertijd
heel mooie novellen in dien trant. Hij was stenograaf in de Tweede
Kamer, en ik herinner me dat juist, omdat hij in een van zijn opstellen
de Tweede Kamer beschreef. Dat trof mij sterk, dat boekje van dien
Netscher, want ik voelde verwantschap met wat ik zelf wou. In de
"Amsterdammer" van 1881 heb ik toen nog een stukje geschreven om er de
aandacht op te vestigen. Het bundeltje heette: "Studies naar het naakt
model". Het was wel niet precies mijn bedoeling, maar het ging toch in
dezelfde richting.

Ik dweepte in die dagen met Zola. En toch wilde ik heel wat anders doen
dan hij gedaan had. Ik wilde mijn werk locaal-Hollandsch maken en mijn
verwantschap toonen met de groote negentiend' eeuwsche schilderkunst.

Mijn psychologie komt langs den weg van observatie en gedachte. Ik heb
er nooit wetenschappelijk-psychologische werken voor bestudeerd. De
schrijvers van wetenschappelijke boeken op dit gebied, de
geneeskundigen, ontleenen hun stof toch voor een groot gedeelte aan
romanschrijvers....




DE "ONVOEGZAAMHEDEN" IN "EEN LIEFDE."


Mijn eerste boek dan, werd uitstekend ontvangen. Het was maar een kleine
oplaag, 500 exemplaren geloof ik, maar zij was dan ook in eenige maanden
uitverkocht. Ja, wat nu de critiek betreft, er stonden in mijn roman
enkele ... onvoegzaamheden. Om mijn theorie te doen zegevieren, had ik
allerlei zaken zonder de minste schuchterheid behandeld. Maar ik denk,
dat mijn uitgever het handschrift aanvaard had, zonder het eerst eens
door te lezen. Ik had al eenige bekendheid als weekblad-schrijver: "Een
Liefde" verscheen in het najaar van 1887, en van 1882 af had ik al aan
journalistiek gedaan. Nu zagen de menschen er een manifestatie in van
den bekenden weekblad-schrijver en iets geheel nieuws in de literatuur.
Ook had ik in 't voorjaar van 1886 een brochure doen verschijnen, het
bekende geschriftje "Over Literatuur", en dat kan beschouwd worden als
een soort van inleiding, een introductie tot mijn grooter werk, dat
daarin dan ook al aangekondigd werd. De uitgever was er door mijn
bekendheid min of meer ingeloopen en dat merkte hij al heel gauw. Want
zijn confraters lieten hem geen rust ... ze toonden zich byzonder boos
over de nog nooit vertoonde vrijheid in de schildering van zekere
toestanden, die ik me had veroorloofd en die hij de wereld had
ingestuurd. Toen ik nu bij hem aanklopte om een tweeden druk, wou hij
daar zoo gemakkelijk niet toe overgaan en liet niets van zich hooren.
Eenige jaren later kocht de firma Scheltema & Holkema 'n paar
fondsartikelen van mijn uitgever ... daar was mijn werk ook bij, en bij
die gelegenheid heb ik eenige plaatsen niet omgewerkt, maar geschrapt
... en dat niet zoozeer onder aandrang van het publiek, zooals men wel
eens beweert, maar omdat ik het zelf veel beter zoo vond. Die plaatsen
detoneerden uit 'n letterkundig oogpunt beschouwd, ze leken mij niet in
overeenstemming met 'n goeden literairen smaak. En dat komt precies uit!
Ik heb u immers al verteld, waarom ik zoo erg vrij was geweest in mijn
manier van schrijven, in de keuze van de onderwerpen, die ik
gedetailleerd beschreef? Niet? Louter en alleen om de theorie te
demonstreeren. Ik was nog in mijn prille jeugd, toen ik daarmee begon.
En precies om die reden viel het mij wel gemakkelijk, afstand te doen
van sommige passages, die ik, letterkundig gesproken, fout vond.

Mijn liefde voor Zola bleef natuurlijk, hoewel de vurige bewondering
zich langzamerhand had omgezet in hoogachting.

Mijn roman "De Kleine Republiek" is van niet veel later. Hij werd
geschreven in 1888 en mijn bedoeling was toen nog altijd dezelfde
gebleven: het impressionisme te brengen in de literatuur. Het groote
verschil met "Een Liefde" zit hem wel hierin, geloof ik, dat er in mijn
tweede boek minder hoogten en laagten voorkomen. Het is meer egaal
gebleven. Voor wie houdt van hooge, vurige opwellingen, voor die is "Een
Liefde" weer aardiger. Maar in "De Kleine Republiek" is het evenwicht
meer bereikt, zou ik zeggen.




L'ART POUR L'ART.


Ik heb altijd willen geven: de kunst om de kunst zelf. Dat is naar mijn
meening ook wat een componist, een schilder, een beeldhouwer bedoelt met
zijn werk. Ik heb mij altijd beschouwd als geboren proza-schrijver, en
voor het maken van verzen, zelfs van vrije verzen, heb ik nooit veel
gevoeld. Toch geloof ik zeker, dat sommige kunstenaars zich beter
uitdrukken in vormen, die al bestaan ... Ik kan dat het best vergelijken
met dansen. Op enkele uitzonderingen na, bestaan de gebruikelijke dansen
al. En iemand, waarvan men in het algemeen zegt, dat hij mooi danst, is
iemand, die bestaande dansen uitmuntend uitvoert.




VAN DEYSSEL GEZELLIG.


"Mag ik u nog een kopje thee inschenken? Dit is zeker uw kopje? Wat?
hebt u nog geen thee gehad? Heb ik vergeten u te geven? Och, wat
spijt me dat."

--"Ik zou van deze gelegenheid om u te onderbreken wel graag gebruik
maken om u een paar vragen te stellen. Hebt u wel eens moeite gehad met
uitgevers? Moeite in den ruimsten zin des woords?"

"Jawel. Met mijn eerste boek niet. Dat was, zooals ik u al zei, direct
geplaatst. Dat kwam door mijn bekendheid. Niet doordat de uitgever het
erg eens was met mijn richting in de literatuur. De man dacht: "Hij is
bekend, en hij zal dus wel goed van de hand gaan."

"Maar met mijn tweede boek heb ik een verschrikkelijke
lijdensgeschiedenis beleefd. Ik weet niet meer, wie mij dien raad
gegeven heeft, maar ik ben er mee gegaan naar een klein uitgevertje,
zijn naam schiet me nu niet juist te binnen, en ik heb mijn werk doen
uitgeven voor eigen rekening. De man was eigenlijk meer drukker dan
uitgever. Ik woonde toen in Belgie en alles werd per correspondentie
gedaan. Dat ging uitstekend: de proeven kreeg ik tijdig en het boek
verscheen ook op zijn tijd: Maar op een gegeven oogenblik, meneer, kreeg
ik drie brieven van menschen, die het boek wilden koopen, en het nergens
krijgen konden. En de uitgever beweerde, dat het was uitverkocht. Ik
vond dat heel aardig, en vroeg hem een afrekening. Hij gaf mij een
overzicht, goed en wel, maar dat ding kwam in de verste verte niet uit.
De helft van de exemplaren was maar vermeld. Toen ben ik naar hem
toegegaan, en ik vond stapels bestellingen liggen, die hij niet had
uitgevoerd. Het was 's mans vak ook niet. En ik moest er een advokaat
bij halen, die er per slot van rekening nog niets van terecht bracht.
Later is het boek ook bij Scheltema & Holkema gekomen."

Van Deyssel's spreektaal heeft iets eentonigs, iets byzonder gewoons.
Als men in gesprek met hem is, merkt men niets van zijn geweldig
vermogen: de woorden precies op hun plaats te zetten, niets van de rake
woordkeus, die zijn geschriften kenmerkt, niets ook van zijn kwistigen
woorden-rijkdom. Mij dunkt, hij kan geen goed redenaar zijn, en niet de
gesproken geluiden heeft hij in zijn macht, maar de innerlijke klanken,
die niet worden uitgegalmd. Hij heeft, als veel schrijvers, het zich tot
gewoonte gemaakt: conventioneele uitdrukkingen te vermijden, nieuwe
woordgroepen te zoeken, altijd maar nieuwe woordverbindingen, die in
kleur overeenkomen met de dingen en de gedachten, die hij wil beelden.
Dit geeft zijn manier van zeggen een karakter van onbestemdheid: men
voelt aanhoudend en zeer diep: dat hij aan het tasten is, dat het ieder
oogenblik kan hokken ... men wordt ongerust. En toen ik daar voor hem
zat, en dit nog niet had overdacht ... wilt ge wel gelooven, lezer, dat
ik soms meende: den echten Van Deyssel niet te zien?

--"Ik had mij u eigenlijk heel anders voorgesteld," begon ik. "En ik
denk wel, dat heel veel menschen zich een ander idee van u maken, dan ik
hun nu zal kunnen geven."




DE "OUDE" VAN DEYSSEL.


"De menschen kennen mij uit mijn hartstochtelijke periode. Uit den tijd,
dat je iedereen, die niet werkt naar je zin, beschouwt als aanrander van
het ideaal. Ieder, die den hartstocht voor het schoone in zich heeft,
zal mijn woestheid van vroeger verontschuldigen niet alleen, maar ook
begrijpen, dat het goed is: de menschen zoo eens te lijf te gaan.... Is
dat nu werkelijk waar, wat u zegt? Zijn er menschen, die denken, dat ik
niet kan lachen? U leert mij nu toch wel van een andere zijde kennen,
nietwaar? En bovendien, er zijn, meen ik, in mijn "Verzamelde Opstellen"
toch wel artikelen, waar vroolijke zetten in voorkomen. Maar die zal men
dan zeker beschouwen als een kwaadaardig grijnzen, en het heeft er dan
ook soms wel iets van.... O, in mijn jeugd heb ik wel tijden gekend, dat
ik heel weinig lachte. Toen was ik vervuld van een heiligen ernst, en
dat is ook mooi...."

--"Bent u overigens van oordeel, dat men uw optreden juist geapprecieerd
heeft?"

"Ik weet het niet. Ik spreek zoo weinig menschen. Het is mij niet zoo
dikwijls gebeurd, een lezer te ontmoeten, die buiten de literatuur en
buiten de pers staat. Maar als je wel eens zoo'n gewonen doorsnee-lezer
spreekt, dan krijg je de wonderlijkste dingen te hooren. Dan merk je
wel, dat je boeken met een heel ander idee gelezen worden, dan je er
zelf in wilde leggen. Iedereen denkt, dat ik iets wil propageeren,
buiten de kunst als zoodanig om. Toen ik de "Kleine Republiek" deed
verschijnen, vroegen de menschen mij: "O, u is zeker tegen kostscholen?"
Omdat ik in mijn werk een kostschool op een realistische manier had
beschreven. Dat is absoluut onjuist. Dan zou ik tegen alles zijn, ten
slotte. Ik zeg ook niet, dat ik voorstander ben van kostscholen, maar ik
beweer, dat het een heel andere quaestie is."


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9