A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Thrilling Holiday Gift Book: A Controversial, True Story - One Man Caught in U.S. Government Psychic Spy Experiments
SACRAMENTO, Calif. -- The ideal Christmas gift for those intrigued by governmental conspiracy, OPERATION BLUE LIGHT: My Secret Life Among Psychic Spies (Cherubim Publishing, ISBN 978-0-9816024-0-0), is one of the most scintillating memoirs ever to be written. A true story of deception and subterfuge, it took Philip Chabot 40 years to tell us about his amazing experience.

New Children's Book from Jeremy Zilber Lets Kids Know 'Mama Voted for Obama!'
MADISON, Wis. -- Building on the success of 'Why Mommy is a Democrat,' author and political activist Jeremy Zilber announces the release of his third self-published children's book, 'Mama Voted for Obama!' (ISBN: 978-0-9786688-2-2). With its Seuss-like use of repetition, rhythm, and rhyme, Mama Voted for Obama offers a whimsical celebration of Obama's historic presidential campaign while providing his supporters an entertaining way to let their kids know how they voted in 2008.

Epic Fantasy Book Series Website Honored in 2008 National Best Books Awards
LANCASTER, Texas -- The Green Stone of Healing(R) epic fantasy website is among the finalists of the 2008 National Best Books Awards sponsored by USABookNews, HealingStone Books announced today. The award-winning website is honored in the Best Website Design category. The site provides much-needed background for a complex saga packed with romance, intrigue, mysticism, and adventure.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18

WONDERREIZEN.

JULES VERNE.

NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE.







HOOFDSTUK I


Prof. Otto Lidenbrock.--Eigenaardigheden van oom.--De
studeerkamer.


Op Zondag, den 25sten Mei 1863, keerde mijn oom, professor Lidenbrock,
haastig terug naar zijn huisje No 19 van de Koningstraat, eene der
oudste straten van de oude wijk te Hamburg.

De goede Martha zou bijna gedacht hebben veel te laat te zijn, want
het middageten was nauwelijks aan de kook op het fornuis in de keuken.

"Goed," zeide ik bij mij zelven, "als hij honger heeft, zal mijn oom,
die de ongeduldigste mensch is, luide jammerkreten aanheffen."

"Is mijnheer Lidenbrock daar reeds!" riep de goede Martha vol
ontsteltenis, terwijl zij de deur der eetzaal op een kier zette.

"Ja, Martha! maar het eten behoeft nog niet klaar te zijn, want het
is nog geen twee uur. De klok der St. Michaelskerk heeft pas half
twee geslagen."

"Waarom komt mijnheer Lidenbrock dan t'huis?"

"Dat zal hij ons wellicht zeggen."

"Daar is hij! Ik maak mij uit de voeten. Mijnheer Axel! gij moet het
hem maar onder het oog brengen." En de goede Martha vluchtte naar
de keuken.

Ik bleef alleen. Maar mijn min of meer besluiteloos karakter gedoogde
niet, dat ik den opvliegendste van alle professoren iets onder het
oog zou brengen. Ik maakte mij dus gereed om voorzichtig naar mijn
bovenkamertje te wijken, toen de huisdeur op hare hengsels knarste,
zware voetstappen de houten trap deden kraken, en de heer des huizes,
de eetzaal doorgaande, terstond zijn studeervertrek binnenstormde.

Maar in dien snellen loop had hij zijn stok met een knop in den vorm
van een notenkraker in een hoek, zijn grooten hoed, tegen de vleug
in opgeborsteld, op de tafel gesmeten, en riep hij zijn neef met een
bulderende stem toe: "Axel, volg mij!"

Ik had nog geen tijd gehad om mij te bewegen, toen de professor
mij reeds op den toon van het levendigste ongeduld toeschreeuwde:
"Hoe is het, zijt gij er nog niet?"

Ik stoof het vertrek van mijn geduchten oom binnen.

Otto Lidenbrock was, ik erken het gaarne, geen kwaad mensch; maar,
als er geene ondenkbare veranderingen plaats hebben, zal hij als een
echte zonderling sterven.

Hij was professor aan het Johannaeum en hield een cursus over
de delfstofkunde, waarbij hij zich geregeld een paar keeren boos
maakte. Niet dat hij er zich over bekommerde of zijne leerlingen zijne
lessen vlijtig bijwoonden, of zij hem oplettend volgden en of zij er
later eenig voordeel van zouden hebben; die beuzelingen verontrustten
hem niet. Hij onderwees "subjectief," zooals de duitsche wijsgeeren het
noemen, voor zich zelven en niet voor anderen. Hij was een baatzuchtig
geleerde, een put van geleerdheid, welker katrol knarste, als men er
iets uit wilde halen. Met een woord, een vrek.

Er zijn in Duitschland eenige professoren van dat slag.

Ongelukkig was mijn oom niet zeer vlug bespraakt, wel niet in den
huiselijken kring, maar toch als hij voor het publiek sprak, en dat
is een lastig gebrek voor een redenaar. Zoo bleef de professor bij
zijne voordrachten in het Johannaeum dikwijls steken; hij worstelde
tegen een weerbarstig woord, dat niet van zijne lippen wilde vloeien,
een van die woorden die tegenstand bieden, opzwellen en zich eindelijk
uiten onder den niet zeer wetenschappelijken vorm van een vloek. Van
daar zijn hevige toorn.

Er komen in de delfstofkunde vele half grieksche, half latijnsche
namen voor, die moeielijk uit te spreken zijn; van die ruwe benamingen,
die de lippen van een dichter pijn zouden doen. Het zij verre van mij
eenig kwaad van die wetenschap te willen zeggen. Maar ten opzichte van
kristalen met zes ruitvormige vlakken van retin-asphalt-harsen, van
gheleniten, van fangasiten, van loodhoudende-molybdaenumzuur zouten,
van manganesium (tungsteenzuur) zouten en van zirconium titanium,
kan zelfs de vlugste tong zich wel eens verspreken.

In de stad was dit vergeeflijke gebrek van mijn oom zeer goed
bekend. Men maakte er misbruik van, men wachtte er op bij gevaarlijke
zinnen, hij werd woedend en men lachte, hetgeen niet beleefd is, zelfs
voor Duitschers. Derhalve was er wel altijd een groote toevloed van
hoorders bij de voorlezingen van Lidenbrock, maar velen woonden ze
daarom getrouw bij om zich te vermaken met den bespottelijken toorn
van den professor.

Niettemin, ik kan het niet genoeg herhalen, was mijn oom een echt
geleerde. Hoewel hij somtijds door al te ruwe behandeling zijne
monsters brak, voegde hij toch bij het genie van den geoloog den
blik van den mineraloog. Met zijn hamer, zijn stalen stift, zijn
kompasnaald, zijn blaaspijp en zijn fleschje salpeterzuur was hij
een zeer sterk man. Op de breuk, het voorkomen, de hardheid, de
smeltbaarheid, den klank, den geur, den smaak van het een of ander
metaal af, rangschikte hij het, zonder aarzelen, onder eene der zes
honderd soorten, die de wetenschap tegenwoordig telt.

De naam van Lidenbrock werd dan ook met eere genoemd op de gymnasien
en in de verschillende maatschappijen des lands. Humphry Davy,
Humboldt, de kapiteins Franklin en Sabine verzuimden niet hem op
hunne doorreis te Hamburg te bezoeken. Becquerel, Ebelmen, Brewster,
Dumas, Milne Edwards, raadpleegden hem gaarne over de belangrijkste
vraagstukken der scheikunde. Deze wetenschap had aan hem zeer schoone
ontdekkingen te danken, en in 1853 was te Leipzig eene verhandeling
over de transcendente kristallographie door professor Otto Lidenbrock
verschenen, een groote foliant met platen, die echter de kosten
niet goedmaakte.

Voeg daar nog bij, dat mijn oom conservator was van het mineralogisch
museum van den heer Struve, gezant van Rusland, eene kostbare
verzameling, die eene europeesche vermaardheid genoot.

Dat was de persoon, die mij ongeduldig aansprak. Stel u een grooten,
mageren man voor, met een ijzeren gestel en met blonde haren, die hem
eer veertig dan vijftig jaar deden schijnen. Zijne groote oogen rolden
onophoudelijk rond achter een ontzaglijken bril; zijn lange, dunne neus
geleek op een scherp lemmet; de booze wereld beweerde zelfs dat hij
magnetisch was en ijzervijlsel aantrok. Louter laster; hij trok slechts
snuif aan, maar, ik wil er niet om liegen, in groote hoeveelheid.

Als ik hier nu nog bijvoeg, dat mijn oom wiskundig berekende schreden
deed van drie voet, en als ik zeg, dat hij onder het loopen zijne
vuisten stijf gesloten hield, het teeken van een onstuimigen aard,
zal men hem genoeg kennen om juist niet bijzonder op zijn gezelschap
gesteld te zijn.

Hij woonde in zijn huisje in de Koningstraat; eene woning half
van hout, half van steen, met een gevelmuur met trappen; zij had
het uitzicht op eene van die bochtige grachten, die zich door de
oudste wijk van Hamburg kronkelen, welke de brand van 1842 gelukkig
gespaard heeft.

Het oude huis hing wel is waar een weinig over en bedreigde de
voorbijgangers; het dak stond scheef, even als de pet van een student
van het Tugendbund; de loodrechte richting liet wel wat te wenschen
over; maar over het geheel hield het zich goed, dank zij een ouden
olmboom, die stevig aan den voorgevel was vastgegroeid en in de lente
met zijne bloesemknoppen door de vensterruiten drong.

Mijn oom was rijk voor een duitsch professor. Het huis, met al wat er
in was, behoorde hem in vollen eigendom toe. Wat er in was bestond
uit zijn petekind Graeuben, een meisje van 17 jaar, de goede Martha
en mij. In mijne dubbele hoedanigheid van neef en pupil werd ik zijn
handlanger bij zijne proefnemingen.

Ik beken gaarne, dat ik mij met de borst op de geologische
wetenschappen toelegde; het bloed van een mineraloog vloeide door
mijne aderen en ik verveelde mij nooit in gezelschap van mijne
kostbare steenen.

Kortom, men kon in dat huisje in de Koningstraat gelukkig leven,
ondanks het ongeduld van zijn eigenaar; want, al was hij soms wat
ruw, toch hield hij veel van mij. Maar die man kon niet wachten en
was zelfs voortvarender dan de natuur. Wanneer hij in April in de
bloempotten van zijn vertrek stammetjes reseda of volubilis geplant
had, ging hij regelmatig iederen morgen aan de blaadjes trekken om
hun groei te verhaasten.

Tegenover zulk een zonderling zat er niets anders op dan te
gehoorzamen. Ik vloog dus naar zijne kamer.



HOOFDSTUK II


Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document.
--Wat het oude papier kostte.


Die kamer was een waar museum. Alle monsters uit het delfstoffenrijk
waren, in de uiterste orde, van opschriften voorzien naar de drie
groote afdeelingen van brandbare, metaalachtige en steenachtige
delfstoffen.

Of ik ze kende, die bronnen der delfstofkunde! Hoe menigmaal had
ik in plaats van met jongens van mijne jaren te spelen, er behagen
in gevonden om die potloodertsen, die koolblende, die steenkolen,
die bruinkolen, die turven af te stoffen! En de jodenlijm, de
harsen, de organische zouten, die voor het geringste stofje bedaard
moesten blijven! En die metalen, van het ijzer af tot het goud toe,
wier betrekkelijke waarde verdween bij de volstrekte waarde als
wetenschappelijke voorbeelden! En al die steenen, waarmede men het
huis in de Koningstraat had kunnen herbouwen, zelfs met eene mooie
kamer er bij, die mij zoo goed zou aangestaan hebben!

Maar bij mijn binnentreden in het vertrek dacht ik in het geheel niet
aan die wonderen. Al mijne gedachten bepaalden zich tot mijn oom. Hij
lag gedoken in zijn grooten armstoel met utrechtsch fluweel bekleed
en hield een boek in de hand, dat hij met de diepste bewondering
beschouwde.

"Welk een boek! welk een boek!" riep hij uit.

Deze uitroep herinnerde mij dat professor Lidenbrock in zijne verloren
oogenblikken ook een boekengek was; maar een oud boek had in zijne
oogen alleen waarde als het onverkrijgbaar of tenminste onleesbaar was.

"Welnu," zeide hij mij, "ziet gij het dan niet? Het is een
onwaardeerbare schat, dien ik dezen morgen gevonden heb bij het
doorsnuffelen van den winkel van Hevelius, den jood."

"Heerlijk!" antwoordde ik met eene gemaakte geestdrift.

Maar waartoe diende dan ook de ophef over een ouden kwartijn in
grof kalfsleeren band, een geelachtig boek, waaruit een verkleurd
leesteeken hing?

Intusschen kwam er maar geen einde aan de uitroepen van bewondering
van den professor.

"Zie," zeide hij, zich zelven vragende en antwoordende, "is het
niet mooi? Ja, zelfs bewonderenswaardig! En welk een band! Gaat het
boek gemakkelijk open? Ja, want het blijft bij iedere bladzijde open
liggen. Maar sluit het wel goed? Ja, want de band en de bladen vormen
een goed geheel, zonder zich ergens te scheiden of te gapen! En dan
die rug, waarin na een bestaan van 700 jaar nog geen enkele scheur
is! Bozerian, Closs of Purgold zouden trotsch geweest zijn op zulk
een band!"

Zoo sprekende opende en sloot mijn oom gedurig het oude boek. Het
minste wat ik doen kon was hem naar den inhoud te vragen, hoewel die
mij geen het minste belang inboezemde.

"En wat is dan wel de titel van dat merkwaardige boek?" vraagde ik
met eene drift, die te hevig was om niet geveinsd te zijn.

"Dit werk," antwoordde mijn oom vol opgewondenheid, "is de
Heims-Kringla van Snorre Turleson, den beroemden ijslandschen schrijver
uit de twaalfde eeuw. Het is de kroniek der noorweegsche vorsten,
die over IJsland regeerden."

"Waarlijk!" deed ik mijn best om uit te roepen, "dan is het zonder
twijfel eene duitsche vertaling?"

"Nu nog mooier!" antwoordde de professor driftig, "eene vertaling! Wat
zou uwe vertaling mij baten? Wie geeft iets om uwe vertaling? Het is
het oorspronkelijk werk in de ijslandsche taal, die prachtige, rijke
maar tevens eenvoudige taal, die de meest verschillende spraakkunstige
verbindingen en talrijke vormveranderingen der woorden toelaat."

"Even als het duitsch," bracht ik vrij gelukkig in het midden.

"Ja," antwoordde mijn oom, de schouders ophalende; "maar met dit
onderscheid, dat de ijslandsche taal de drie geslachten heeft, even
als het grieksch en de eigennamen verbuigt als het latijn."

"Zoo!" zeide ik een weinig in mijne onverschilligheid geschokt,
"en is de druk van dit boek fraai?"

"Druk! wie spreekt er van druk, ongelukkige Axel? Druk! Houdt gij
dit dan voor een gedrukt boek? Neen, domoor! het is een handschrift
en wel een runisch handschrift!..."

"Een runisch?"

"Ja! Zoudt gij misschien willen, dat ik u eene verklaring van dat
woord gaf?"

"Daar zal ik wel op passen," antwoordde ik op den toon van iemand,
wiens eigenliefde gekwetst is.

Maar mijn oom draafde door en onderrichte mij tegen mijn zin in zaken,
die ik niet verlangde te weten.

"De runen," hernam hij, "waren schrijfletters, die vroeger op
IJsland in gebruik waren, en volgens de overlevering had Odin zelf
ze uitgevonden. Goddelooze! bezie en bewonder dan toch die teekens,
welke uit het brein van een god zijn voortgekomen!"

Niet wetende wat te antwoorden, was ik waarlijk op het punt om neder
te knielen, eene soort van antwoord, dat den goden even zeer moet
bevallen als den koningen, omdat het het voordeel heeft van hen nooit
in verlegenheid te brengen, toen een toeval den loop van het gesprek
eene andere wending gaf.

Het was de verschijning van een smerig perkament, dat uit het boek
gleed en op den grond viel.

Mijn oom viel met eene onbegrijpelijke gretigheid op die vod aan. Het
kon niet missen of een oud document, misschien sedert onheugelijke
tijden in een oud boek gesloten, moest hooge waarde in zijn oog hebben.

"Wat is dat?" riep hij uit.

En tegelijk ontvouwde hij zorgvuldig op zijne tafel een stuk perkament,
10 duim lang en 6 duim breed, waarop in dwarse lijnen onverklaarbare
teekens stonden.

Wij voegen een nauwkeurig fac-simile er van hiernevens.


[AFBEELDING]


Ik stel er prijs op om die zonderlinge teekens te doen kennen, want
door hen werden professor Lidenbrock en zijn neef aangezet om den
vreemdsten tocht der negentiende eeuw te ondernemen.

De professor beschouwde eenige oogenblikken deze rij letters;
vervolgens zeide hij zijn bril afnemende:

"Het is runisch schrift; deze letterteekens zijn geheel overeenkomstig
met die van het handschrift van Snorre Turleson! Maar ... wat zou
het toch beteekenen?"

Daar het runisch schrift mij voorkwam eene uitvinding van geleerden te
zijn om den grooten hoop zand in de oogen te strooien, speet het mij
geenszins, toen ik zag, dat mijn oom er niets van begreep. Dat maakte
ik ten minste op uit de beweging zijner vingers, die hij geducht heen
en weer draaide.

"Het is echter oud ijslandsch!" bromde hij binnensmonds.

En professor Lidenbrock moest het wel weten, want men hield hem voor
een groot taalkenner. Wel sprak hij de 2000 talen en 4000 tongvallen,
die op de oppervlakte der aarde in gebruik zijn, niet vloeiend,
maar hij wist er toch aardig wat van.

Toen deze moeielijkheid zich opdeed, was hij op het punt zich aan
al de onstuimigheid van zijn karakter over te geven en ik voorzag
een heftig tooneel, toen het twee uur sloeg op het kleine uurwerk op
den schoorsteenmantel.

Dadelijk opende de goede Martha de deur van het vertrek, zeggende:
"De soep staat op tafel."

"De drommel hale de soep," riep mijn oom, "en haar, die ze gekookt
heeft, en hen, die ze zullen eten!"

Martha vluchtte, ik ijlde haar achterna, en zonder te weten hoe,
zat ik op mijne gewone plaats in de eetzaal.

Ik wachtte eenige oogenblikken. De professor kwam niet. Dit was
de eerste keer, voorzoover ik wist, dat hij bij het middagmaal
gemist werd. En welk een kostelijk middagmaal! eene groentesoep, een
spekpannekoek met zuring bestrooid met notemuskaat, een kalfsnierstuk
met ingelegde pruimen, en tot nagerecht garnalen met suiker, alles
besproeid met lekkeren Moezelwijn.

Zooveel kostte dat oude papier aan mijn oom. In mijne hoedanigheid
van liefhebbenden neef meende ik inderdaad verplicht te zijn om voor
hem en mij te eten, hetgeen ik ook met de grootste nauwgezetheid deed.

"Ik heb nooit zoo iets gezien!" zeide de goede Martha onder het
bedienen. "Mijnheer Lidenbrock niet aan tafel!"

"Het is haast ongelooflijk."

"Dat voorspelt de eene of andere gewichtige gebeurtenis!" hernam de
oude meid het hoofd schuddende.

Mijns inziens voorspelde het niets anders dan een heftig tooneel,
als mijn oom zijn middagmaal verdwenen zou zien.

Ik peuzelde juist mijne laaste garnaal op, toen eene bulderende stem
mij aan de genoegens van het nagerecht ontrukte. In een sprong was
ik uit de zaal in het studeervertrek.



HOOFDSTUK III


Een runisch handschrift.--Uitleg van het alphabet--Het
geheimschrift.--Een geleerd man.--Nichtje Graeuben.--Ontcijfering
van het dokument.--Einde der ontcijfering.


"Het is stellig runisch," zeide de professor zijne wenkbrauwen
fronsende. "Maar er schuilt een geheim achter, dat ik ontdekken zal,
of...."

Een driftig gebaar gaf zijne bedoeling genoegzaam te kennen.

"Ga daar zitten," voegde hij er bij, terwijl hij met zijne vuist de
tafel aanwees, "en schrijf."

In een oogenblik was ik gereed.

"Nu zal ik u iedere letter van ons alphabet opnoemen, die met eene
van deze ijslandsche letters overeenkomt. Wij zullen zien wat dat
geeft. Maar, bij St. Michael! pas op, dat ge u niet vergist."

De opnoeming begon. Ik deed mijn uiterste best; de eene letter werd
na de andere opgenoemd en vormde zoo de onverstaanbare opeenvolging
der volgende woorden:



m.rnlls esreuel seeJde
sgtssmf unteief niedrke
kt,samn atrateS Saodrrn
emtnaI nuaect rrilSa
Atvaar nscrc ieaabs
ccdrmi eeutul frantu
dt,iac oseibo KediiI


Toen dit werk af was, nam mijn oom driftig het blad, waarop ik
geschreven had, en bekeek het lang met aandacht.

"Wat beteekent dat?" herhaalde hij werktuigelijk.

Op mijne eer, ik zou het hem niet hebben kunnen zeggen. Daarenboven
ondervroeg hij mij ook dienaangaande niet en ging voort met tot zich
zelven te spreken.

"Dat noemen wij geheimschrift," zeide hij, "waarvan de zin verborgen
is onder letters, die opzettelijk verkeerd geplaatst zijn en die
ordelijk geschikt een verstaanbaren zin zouden opleveren! En wanneer
ik bedenk, dat daarin misschien de verklaring of de aanwijzing eener
groote ontdekking is opgesloten!"

Ik voor mij dacht wel, dat er niets in opgesloten was, maar hield
mijne meening voorzichtig voor mij.

Daarop nam de professor het boek en het perkament en vergeleek ze
met elkander.

"Deze twee geschriften zijn niet van dezelfde hand," zeide hij; "het
geheimschrift is jonger dan het boek, en ik zie daarvan terstond een
onwraakbaar bewijs. Inderdaad, de eerste letter is eene dubbele M,
die men te vergeefs in het boek van Turleson zou zoeken, want zij werd
eerst in de 14de eeuw bij het ijslandsche alphabet gevoegd. Derhalve
liggen er minstens 200 jaar tusschen het handschrift en het document."

Dat scheen mij, ik erken het, vrij logisch te zijn.

"Dus word ik er toe gebracht," hernam mijn oom, "om te denken,
dat een der bezitters van dit boek deze geheimzinnige teekens heeft
geschreven. Maar, voor den drommel! wie was die bezitter? Zou hij
zijn naam niet ergens op dit handschrift gezet hebben?"

Mijn oom nam zijn bril af, kreeg een sterke loep en onderzocht
nauwkeurig de eerste bladzijden van het boek. Op de keerzijde van de
tweede, die van den voortitel, ontdekte hij een soort van vlek, die
er op het oog als eene inktvlek uitzag. Intusschen onderscheidde men,
als men het van nabij bezag, eenige half uitgewischte teekens. Mijn
oom begreep, dat de hoofdzaak daar zat; hij bleef dus op de vlek
turen en met behulp van zijne groote loep, bespeurde hij eindelijk
de bijgaande teekens, runische letters, die hij zonder aarzelen las:

[AFBEELDING]

"Arne Saknussemm!" riep hij op een zegepralenden toon, "maar dat is
een naam en wel een ijslandsche naam! die van een geleerde uit de
16de eeuw, van een beroemden goudmaker!"

Ik zag mijn oom met zekere bewondering aan.

"Die goudmakers," hernam hij, "Avicenne, Bacon, Lulle, Paracelsius,
waren de echte, de eenige geleerden van hun tijd. Zij hebben
ontdekkingen gedaan, waarover wij met recht verbaasd staan. Waarom
zou die Saknussemm onder dat onverstaanbare geheimschrift niet de
eene of andere verrassende uitvinding verborgen hebben? Dat moet zoo
zijn. Het is zoo!"

De verbeeldingskracht van den professor werd door die veronderstelling
aangevuurd.

"Zonder twijfel," waagde ik te antwoorden, "maar welk belang kon die
geleerde er bij hebben om zoo de eene of andere vreemde ontdekking
te verbergen?"

"Waarom? Waarom? Weet ik het? Heeft Galilei niet hetzelfde gedaan
met Saturnus? Overigens zullen wij wel eens zien; ik moet achter het
geheim van dit document komen en ik zal eten noch slapen, voor ik
het geraden heb."

"Zoo, zoo!" dacht ik.

"Maar gij ook niet, Axel!" hernam hij.

"Drommels!" zeide ik bij mij zelven, "het is gelukkig dat ik voor
twee gegeten heb!"

"Vooreerst," zeide mijn oom, "moeten wij de taal van dit geheimschrift
vinden. Dat kan niet moeielijk zijn."

Op deze woorden hief ik driftig mijn hoofd op. Mijn oom hervatte
zijne alleenspraak:

"Niets is gemakkelijker. Er zijn in dit document honderd twee en
dertig letters, negen en zeventig medeklinkers tegen drie en vijftig
klinkers. In deze evenredigheid zijn tennaastenbij de woorden der
zuidelijke talen gevormd, terwijl de noordsche veel rijker zijn in
medeklinkers. Het is dus eene zuidelijke taal."

Deze gevolgtrekkingen waren zeer juist.

"Maar welke taal is het?"

Nu moest het blijken, wat de geleerde was, in wien ik echter een
grondig analyticus vond.

"Die Saknussemm," hernam hij, "was een geleerd man; zoodra hij dus
niet in zijne moedertaal schreef, moest hij bij voorkeur de gewone taal
der geleerden van de zestiende eeuw kiezen, ik bedoel het latijn. Als
ik mij bedrieg, kan ik het beproeven met het spaansch, het fransch,
het italiaansch, het grieksch, het hebreeuwsch. Maar de geleerden der
zestiende eeuw schreven meestal in het latijn. Ik heb dus het recht
om a priori te zeggen: "dit is latijn."

Ik schoof heen en weder op mijn stoel. Mijne herinneringen als latinist
kwamen in opstand tegen de meening, dat deze rij van zinledige woorden
zou kunnen behooren tot de zoete taal van Virgilius.

"Ja, latijn," hernam mijn oom, "maar verbasterd latijn."

"Het zij zoo!" dacht ik. "Als gij het ontwart, moet gij slim zijn,
oom!"

"Laat ik nog eens goed zien," zeide hij, het blad weder opnemende,
waarop ik geschreven had. "Ziedaar eene rij van honderd twee en dertig
letters, die zich in eene schijnbare wanorde voordoen. Er zijn woorden,
waarin alleen medeklinkers voorkomen, zooals het eerste "m.rnlls,"
andere, in tegendeel, met veel klinkers, b.v. het vijfde "unteief,"
of het voorlaatste "oseibo." Die schikking nu is blijkbaar niet
willekeurig; zij is op wiskunstige gronden ingegeven door de onbekende
reden, die de opeenvolging dezer letters heeft geregeld. Het is dunkt
mij zeker, dat de oorspronkelijke volzin regelmatig is opgeschreven
en daarna omgekeerd volgens eene wet, die ik moet ondekken. Wie den
sleutel van dit geheimschrift bezat, zou het vlug lezen. Maar welke
is die sleutel? Axel! hebt gij dien sleutel?"

Op die vraag antwoordde ik niets en wel om de volgende reden. Mijn
oog was gevallen op een lief portret, dat aan den muur hing, het
portret van Graeuben. De pupil van mijn oom was toen te Altona bij eene
harer bloedverwanten, en hare afwezigheid maakte mij zeer treurig;
want, ik mag het nu bekennen, het lieve meisje en de neef van den
professor beminden elkander met al het geduld en al de bedaardheid
van Duitschers; wij waren verloofd buiten weten van mijn oom, die te
zeer geoloog was om dergelijke gevoelens te begrijpen. Graeuben was
eene lieve blonde deern met blauwe oogen een eenigszins zwaarmoedig
karakter en een nadenkenden geest; zij beminde mij daarom niet minder;
ik voor mij aanbad haar, als dat woord ten minste in de oud-duitsche
taal bestaat! De beeltenis mijner aangebedene wierp mij dus plotseling
uit de wereld der naakte werkelijkheid in die der hersenschimmen,
der herinneringen.

Ik zag de getrouwe gezellin van mijn arbeid en van mijne vermaken
terug. Zij hielp mij iedereen dag om de kostbare steenen van mijn oom
te rangschikken; zij plaatste er met mij de briefjes op. Juffrouw
Graeuben was zeer sterk in de delfstofkunde! Meer dan een geleerde
zou een lesje bij haar hebben kunnen halen. Zij onderzocht gaarne
grondig de netelige vraagstukken der wetenschap. Wat al zoete uren
hadden wij doorgebracht met samen te studeeren, en hoe benijdde ik
somtijds het lot dier gevoellooze steenen, die zij met hare bekoorlijke
handen aanraakte.

Als daarna het uur van uitspanning kwam, gingen wij beiden uit; wij
kozen de lommerrijke lanen van de Alster en begaven ons gezamenlijk
naar den ouden geteerden molen, die zich zoo goed voordoet aan het
uiteinde van het meer; onderweg keuvelden wij, elkander bij de hand
houdende; ik vertelde haar allerlei, waarover zij luidkeels lachte;
zoo kwamen wij aan den oever der Elbe en na de zwanen, die tusschen
de groote witte plompen rondzwemmen, goeden nacht gewenscht te hebben,
keerden wij per stoomboot naar de kaai terug.

Zoo ver was ik met mijn gepeins, toen mijn oom, met zijne vuist op
de tafel slaande, mij met geweld tot de werkelijkheid terugvoerde.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18