A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


Eerst na een oogenblik van geneugte riep ik uit:

"Het is ijzerhoudend water!"

"Dat is uitmuntend voor de maag," antwoordde mijn oom, "en bevorderlijk
voor de mineraalvorming! Deze reis is zoo goed als eene naar Spa
of Toeplitz!"

"O! wat smaakt het lekker!"

"Ik geloof het wel, het is ook water, dat twee uur gaans onder de
aarde geput is; het heeft een inktsmaak, die volstrekt niet onaangenaam
is. Hans heeft ons daar een opperbest hulpmiddel verschaft! Ook stel
ik voor om zijn naam te geven aan deze heilzame beek."

"Goed!" riep ik.

En de naam "Hans-beek" werd terstond aangenomen.

Hans werd er niet trotscher om. Na zich heel matig verkwikt te hebben,
ging hij met zijne gewone kalmte in een hoek leunen.

"Nu moeten wij," zeide ik, "dit water niet laten wegloopen."

"Waarom niet?" antwoordde mijn oom, "ik houd het er voor, dat deze
bron nooit zal opdrogen."

"Dat blijft hetzelfde! wij zullen den zak en de flesschen vullen en
dan de opening trachten te stoppen."

Mijn raad werd gevolgd. Hans beproefde met brokjes graniet en werk het
in den wand gemaakte gat te dichten. Dat was niet gemakkelijk. Wij
brandden onze handen zonder er in te slagen; de persing was te
aanzienlijk en onze pogingen bleven vruchteloos.

"Het is duidelijk," zeide ik, "dat de bekkens van dezen waterstroom
op eene aanzienlijke hoogte gelegen zijn, te oordeelen naar de kracht
van den straal."

"Daar is geen twijfel aan," antwoordde mijn oom; "als deze
waterkolom twee en dertig duizend voet hoog is, ondergaat zij duizend
dampkringsdrukkingen. Maar daar schiet mij iets te binnen."

"Wat dan?"

"Waarom zouden wij er zoo stijf op blijven staan om deze opening
te stoppen?"

"Wel, omdat...."

Het zou mij moeielijk geweest zijn eene goede reden te vinden.

"Zijn wij verzekerd, dat wij onze flesschen, als zij ledig zijn,
weder zullen kunnen vullen?"

"Neen, zeker niet!"

"Welnu! dan moesten wij dit water laten loopen: het zal natuurlijk
dalen en ons den weg wijzen en verkwikken te gelijk."

"Dat is goed bedacht!" riep ik, "en met deze beek tot reisgenoot zie
ik niet in, waarom wij in onze plannen niet zouden slagen."

"Komt gij eindelijk op de hoogte, mijn jongen?" zeide de professor
lachende.

"Ik kom er niet, maar ben er reeds."

"Wacht even! Wij zullen beginnen met eenige uren rust te nemen."

Ik vergat waarlijk, dat het nacht was. De tijdmeter vertelde het mij
wel. Weldra sliepen wij allen rustig, nu wij behoorlijk verkwikt en
verfrischt waren.



HOOFDSTUK XXIV


Te horizontaal.--Bijna loodrechte put.--Onder den Oceaan.


Den volgenden morgen hadden wij reeds al het uitgestane leed
vergeten. Ik verwonderde mij eerst, dat ik geen dorst meer had, en
vroeg naar de reden daarvan. De beek, die murmelend aan mijne voeten
stroomde, gaf mij het antwoord op die vraag.

Wij ontbeten en dronken dat uitmuntende ijzerhoudende water. Ik
gevoelde mij geheel opgevroolijkt en vol ijver om verder te
gaan. Waarom zou een zoo innig overtuigd man als mijn oom, met een
schranderen gids, zooals Hans, en een "vastberaden" neef, zooals ik,
bij zich, niet slagen? Zulke mooie gedachten speelden mij in het
hoofd! Als men mij voorgesteld had om naar den top van den Sneffels
terug te keeren, zou ik het met verontwaardiging afgeslagen hebben.

Maar er was gelukkig alleen sprake van dalen.

"Laten wij vertrekken!" riep ik en deed door mijne tonen vol geestdrift
de oude echo's van den aardbol ontwaken.

De tocht werd Donderdag morgen te acht uur hervat. De granieten
gang, zich in allerlei bochten kronkelende, vertoonde onverwachte
krommingen en bootste de verwikkeling van een doolhof na; maar zijne
hoofdrichting bleef toch altijd zuidoostelijk. Mijn oom raadpleegde
gedurig zeer oplettend zijn kompas om zich rekenschap te kunnen geven
van den doorloopen weg.

De galerij liep bijna zuiver waterpas verder met hoogstens twee duim
helling per vadem. De murmelende beek stroomde langzaam, onder onze
voeten. Ik vergeleek haar met een vriendelijken geest, die ons door de
aarde geleidde, en met mijne hand streelde ik de vochtige stroomnimf,
die onze schreden met hare gezangen begeleidde. Mijne opgeruimdheid
nam gaarne eene mythologische wending.

Wat mijn oom aangaat, hij, "de man der loodlijn," raasde geducht over
de waterpasse richting van den weg. Deze, verlengde zich tot in het
oneindige en in plaats van langs den straal der aarde voort te gaan,
zoo als hij het noemde, ging hij langs de schuine zijde. Maar wij
hadden geene keus, en zoo lang wij, al was het ook nog zoo weinig,
het middelpunt naderden, hadden wij geen recht om te klagen.

Ook nam van tijd tot tijd de helling toe; de stroomnimf tuimelde
bruisende voort en wij daalden dieper met haar.

Over het geheel legden wij dezen en den volgenden dag een groot
eind af in eene waterpasse richting, maar betrekkelijk weinig in
eene loodrechte.

Vrijdag avond, den 10den Juli, waren wij naar onze berekening dertig
uur gaans ten zuidoosten van Reikiavik en op eene diepte van derdehalf
uur gaans.

Nu opende zich een verschrikkelijke put voor onze voeten. Mijn oom
kon zich niet weerhouden om in de handen te klappen, toen hij de
steilte zijner helling berekende.

"Die zal ons ver brengen," riep hij, "en gemakkelijk ook, want de
uitstekende punten der rots vormen eene ware trap."

"Hans maakte de touwen behoorlijk vast om ongelukken te voorkomen. De
afdaling begon. Ik durf niet zeggen, dat zij gevaarlijk was, want ik
was reeds gewoon aan die halsbrekende oefeningen.

Deze put was eene nauwe spleet in de vaste rots, van de soort die men
"faille" [11] noemt; het was duidelijk, dat zij ontstaan was door de
samentrekking van het gebeente der aarde, tijdens hare afkoeling. Als
zij vroeger tot een doorgang gediend had voor de gesmoltene stoffen
door den Sneffels uitgebraakt, kan ik mij niet verklaren, waarom er
geen spoor van was achtergebleven. Wij gingen langs eene soort van
wentelende schroef, die door menschenhanden vervaardigd scheen. Om
het kwartier moesten wij stilhouden om de noodige rust te nemen en
aan onze beenen hunne veerkracht terug te geven. Dan gingen wij met
afhangende beenen op eene uitstekende punt zitten, aten en praatten
en leschten onzen dorst aan de beek.

Het spreekt van zelf, dat de Hans-beek, tot nadeel voor haren
omvang, een waterval in deze spleet vormde; maar zij was nog meer dan
toereikend om onzen dorst te stillen; ook kon het niet missen of zij
moest haren rustigen loop hernemen, zoodra de helling afnam. Op dit
oogenblik deed zij mij denken aan mijn waardigen oom, zijn ongeduld
en zijn toorn, terwijl zij door hare zachte hellingen het beeld was
van de kalmte des ijslandschen jagers.

Den 6den en 7den Juli drongen wij, steeds de schroeflijnen dezer spleet
volgende, nog twee uur gaans dieper in de aardschors door, hetgeen
bijna vijf uur gaans onder het vlak der zee uitmaakte. Maar den 8sten,
tegen den middag, kreeg de spleet in de richting van het zuidoosten
eene veel zachtere helling van omstreeks vijf en veertig graad.

De weg werd nu gemakkelijk en zeer eentonig. Het kon ook bezwaarlijk
anders. De veranderingen van het landschap konden de reis niet
afwisselen.

Eindelijk waren wij op woensdag, den 15den, zeven uur gaans onder den
grond en omtrent vijftig uur gaans van den Sneffels af. Wij waren
wel een beetje vermoeid, maar onze gezondheid bleef bevredigend en
de reisapotheek was nog onaangeroerd.

Mijn oom teekende van uur tot uur de aanwijzingen van het kompas,
van den tijdmeter, den luchtdichtheidsmeter en den thermometer op,
die hij later in het wetenschappelijk verhaal zijner reis heeft
opgenomen. Hij kon zich dus gemakkelijk rekenschap geven van zijn
toestand. Toen hij mij mededeelde, dat wij waterpas vijftig uur gaans
ver waren, kon ik een uitroep niet weerhouden.

"Wat scheelt u toch?" vroeg hij.

"Niets, ik maak slechts eene opmerking."

"En die is, mijn jongen?"

"Deze, dat als uwe berekeningen juist zijn, wij ons niet meer onder
IJsland bevinden."

"Gelooft gij dat?"

"Het is gemakkelijk om daarvan zekerheid te krijgen."

Ik mat het met den passer op de kaart af.

"Ik bedroog mij niet," zeide ik; "wij zijn kaap Portland voorbij en
die vijftig uur gaans naar het zuidoosten brengen ons in volle zee."

"Onder de volle zee!" antwoordde mijn oom zich in de handen wrijvende.

"Dan strekt," riep ik, "de oceaan zich boven ons hoofd uit!"

"Maar, Axel! niets is eenvoudiger! Zijn er te Newcastle geene
steenkolenmijnen, die ver onder de golven voortloopen?"

De professor mocht dit al eenvoudig vinden, maar de gedachte, dat ik
onder de watermassa voortliep, boezemde mij toch eenige ongerustheid
in. En evenwel, of de vlakten en bergen van IJsland, dan wel de
golven van den Atlantischen Oceaan zich boven ons bevonden, dat maakt
eigenlijk geen verschil, zoodra het gewelf van graniet slechts stevig
genoeg was. Overigens gewende ik mij spoedig aan die gedachte, want de
nu eens rechte dan weder kromme gang, in zijne hellingen even grillig
als in zijne kronkelingen, liep toch voortdurend naar het zuidoosten
en drong gedurig lager, zoodat hij ons spoedig op eene aanzienlijke
diepte bracht.

Vier dagen later, Saterdag, den 18den Juli, kwamen wij des avonds
bij eene soort van vrij groote grot; mijn oom gaf Hans zijne drie
rijksdaalders weekhuur en er werd bepaald dat de volgende dag een
rustdag zijn zou.



HOOFDSTUK XXV


Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Humphry Davy gelijk?
--Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand.


Ik werd dus 's Zondags morgens wakker zonder die gejaagdheid, die
gewoonlijk gepaard gaat met een ophanden zijnd vertrek. En al was
het ook in den diepsten afgrond, zoo was het toch wel aangenaam. Ook
waren wij gewoon aan dat leven van holbewoners. Ik dacht niet meer
aan de zon, de sterren, de maan, de boomen, de huizen, de steden,
aan al die aardsche overtolligheden, die voor het ondermaansche wezen
eene behoefte geworden zijn. Als in de aarde begravenen lachten wij
wat met die nuttelooze wonderen.

De grot vormde eene groote zaal; de getrouwe beek vloeide zachtjes
over haren bodem van graniet. Op zulk een afstand van zijne bron had
het water nog slechts den warmtegraad der omringende voorwerpen en
liet het zich zonder bezwaar drinken.

Na het ontbijt wilde de professor eenige uren wijden aan het in orde
brengen zijner dagelijksche aanteekeningen.

"Eerst," zeide hij, "zal ik eenige berekeningen maken, om mij te
vergewissen van de plaats, waar wij zijn; ik wil in staat zijn om
na onze terugkomst eene kaart van onze reis te teekenen, eene soort
van loodrechte doorsnede van den aardbol, die eene voorstelling van
onzen tocht zal geven."

"Dat zal merkwaardig zijn, oom! maar zullen uwe waarnemingen een
voldoenden graad van nauwkeurigheid hebben?"

"Ja! ik heb de hoeken en hellingen zorgvuldig opgeteekend; ik ben
zeker, dat ik mij niet zal bedriegen. Eerst wil ik zien, waar wij
zijn. Neem het kompas en zie, welke streek het wijst.

Ik zag op het werktuig, en na een nauwlettend onderzoek antwoordde ik:

"Oost-ten-zuiden."

"Goed!" sprak de professor, terwijl hij de waarneming opschreef en
vlug eenige berekeningen maakte. "Ik besluit daaruit, dat wij van
ons uitgangspunt af vijf en tachtig uur gaans hebben afgelegd."

"Dus reizen wij onder den Atlantischen Oceaan?"

"Juist."

"En misschien barst er op dit oogenblik een storm los en worden de
schepen boven ons hoofd door de golven en den orkaan geslingerd?"

"Wel mogelijk!"

"En beuken de walvisschen met hun staart de muren onzer gevangenis?"

"Wees gerust, Axel! zij zullen haar niet doen schudden. Maar laten
wij onze berekeningen voortzetten. Wij zijn vijf en tachtig uur gaans
ten zuidoosten van den voet van den Sneffels, en volgens mijne vorige
aanteekeningen schat ik de bereikte diepte op zestien uur gaans."

"Zestien uur gaans!" riep ik.

"Zonder twijfel."

"Maar dat is de uiterste grens, die de wetenschap heeft gesteld aan
de dikte der aardschors."

"Ik ontken het niet."

"En hier moest volgens de wet van de toeneming der warmte eene hitte
van vijftien honderd graad heerschen."

"Moest, mijn jongen!"

"En al dit graniet zou niet in een vasten toestand kunnen blijven,
maar zou moeten smelten."

"Gij ziet, dat het zoo niet is, en dat de feiten, ouder gewoonte,
de theorien logenstraffen."

"Ik ben genoodzaakt het te erkennen, maar het verbaast mij toch."

"Hoe staat de thermometer?"

"Op zeven en twintig en zes tienden graad."

"De geleerden hebben dus gelijk op veertien honderd twee en zeventig en
vier tienden graad na. Derhalve is de evenredige toeneming der warmte
eene dwaling. Derhalve heeft Humphry Davy zich niet vergist. Derhalve
heb ik geen ongelijk gehad hem te gelooven. Wat hebt gij hierop
te antwoorden?"

"Niets."

Inderdaad had ik heel wat kunnen zeggen. Ik nam de theorie van Davy
geenszins aan, ik hield het nog altijd met de inwendige warmte,
hoewel ik er de uitwerkselen niet van gevoelde. Ik nam veel liever
aan, dat deze schoorsteen van een uitgebranden vulkaan door de lava
met eene terugkaatsende korst bedekt, de warmte verhinderde zich door
zijne wanden voort te planten.

Maar zonder mij te vermoeien met het zoeken van nieuwe bewijzen,
bepaalde ik er mij toe om den toestand te nemen, zooals hij was.

"Oom!" hernam ik, "ik houd uwe berekeningen voor juist; maar veroorloof
mij er eene onbetwistbare gevolgtrekking uit af te leiden."

"Ga gerust uw gang, mijn jongen!"

"Ter plaatse waar wij thans zijn, onder de breedte van IJsland,
bedraagt de straal der aarde ten naasten bij vijftien honderd drie
en tachtig uur gaans?"

"Vijftien honderd drie en tachtig en een derde uur gaans."

"Wij zullen een rond getal van zestien honderd uur gaans nemen. Van
eene reis van zestien honderd uur gaans hebben wij er zestien achter
den rug."

"Zooals gij zegt."

"En dat na een weg van vijf en tachtig uur gaans geloopen te hebben?"

"Juist!"

"In ongeveer twintig dagen?"

"In twintig dagen."

"Nu, zestien uur gaans is het honderdste deel van den straal der
aarde. Als wij zoo voortgaan, zullen wij twee duizend dagen of bijna
vijf en een half jaar aan de nederdaling besteden!"

De professor antwoordde niet.

"Zonder nog te rekenen, dat als eene loodrechte lijn van zestien
uur gaans verkregen wordt door een waterpasse van tachtig, dit acht
duizend uur gaans naar het zuidoosten zal bedragen, en wij dus reeds
lang door een punt van den omtrek gegaan zullen zijn, voor wij het
middelpunt bereiken."

"Loop naar den duivel met uwe berekeningen!" antwoordde mijn
oom met eene toornige beweging. "Loop naar den duivel met uwe
veronderstellingen! Waar berusten zij op? Wie zegt u, dat deze gang
niet rechtstreeks tot ons doel voert? Daarenboven heb ik een vroeger
geval voor mij. Wat ik thans doe heeft een ander reeds gedaan, en
waar hij geslaagd is, zal ik op mijne beurt slagen."

"Ik hoop het, maar toch mag ik wel...."

"Gij moogt zwijgen, Axel! wanneer gij zulke zotteklap wilt uitslaan."

Ik zag wel, dat de verschrikkelijke professor weder uit de huid van
den oom dreigde te voorschijn te komen, en hield mij voor gewaarschuwd.

"Raadpleeg nu," zeide hij, "den luchtdichtheidsmeter. Wat wijst
hij aan?"

"Eene aanzienlijke drukking."

"Goed. Gij ziet, dat wij door zachtjes te dalen ons langzamerhand aan
de dichtheid dezer dampkringslucht gewennen en er niet onder lijden."

"Op wat oorpijn na."

"Dat is niets. Dat onbehaaglijke gevoel kunt gij doen verdwijnen
door de buitenlucht snel in gemeenschap te brengen met de lucht in
uwe longen."

"Zeer goed," antwoordde ik, vast besloten zijnde om mijn oom niet
verder tegen te spreken. "Het verwekt zelfs een waar genoegen, als
men zich zoo gedompeld voelt in dezen dichteren dampkring. Hebt gij
wel opgemerkt, met hoeveel kracht het geluid zich voortplant?"

"Zonder twijfel. Een doove zou hier eindelijk opperbest gaan hooren."

"Maar die kracht zal zeker nog toenemen?"

"Ja, volgens eene vrij onbepaalde wet; het is waar, dat de
zwaartekracht verminderen zal, hoe lager wij komen. Gij weet, dat hare
werking zich het sterkst doet gevoelen aan de oppervlakte der aarde,
en dat de voorwerpen in het middelpunt van den aardbol geene zwaarte
meer hebben."

"Ik weet het; maar zeg mij, zal deze lucht eindelijk niet de dichtheid
van het water krijgen?"

"Zonder twijfel, onder eene drukking van zeven honderd en tien
dampkringen."

"En lager?"

"Lager zal die dichtheid nog toenemen."

"Hoe zullen wij dan dalen?"

"Dan zullen wij steenen in onze zakken stoppen."

"Op mijne eer, oom! gij hebt voor alles een antwoord klaar."

Ik durfde mij niet verder wagen op het veld der veronderstellingen,
want ik zou nogmaals gestooten hebben op de eene of andere
onmogelijkheid, die den professor razend zou gemaakt hebben.

Het was echter duidelijk, dat de lucht onder eene drukking, die tot
duizenden dampkringen kon stijgen, eindelijk tot den vasten toestand
moest overgaan, en aangenomen zelfs dat onze lichamen dit konden
doorstaan, dan zouden wij toch de onderneming hebben moeten opgeven
in spijt van alle redeneeringen van de wereld.

Maar ik kwam met dit bewijs niet voor den dag. Mijn oom zou mij weder
geantwoord hebben met den eeuwigen Saknussemm, een vroeger geval
zonder eenige waarde; want al hield men de reis van den geleerden
IJslander ook voor echt, zoo was er toch nog eene zeer eenvoudige
zaak tegen in te brengen, namelijk:

In de zestiende eeuw waren de barometer en de luchtdichtheidsmeter
nog niet uitgevonden; hoe had Saknussemm dan kunnen bepalen, wanneer
hij het middelpunt van den aardbol had bereikt?

Maar ik hield deze tegenwerping voor mij en wachtte de verdere
gebeurtenissen af.

Het overige van den dag werd doorgebracht met rekenen en praten. Ik
beaamde altijd het gevoelen van professor Lidenbrock en benijdde
de volmaakte onverschilligheid van Hans, die zonder zoo naar
uitwerksels en oorzaken te zoeken, blindelings ging waar het noodlot
hem heenvoerde.



HOOFDSTUK XXVI


Toenemende stilzwijgendheid.--Verdwaald.


Ik moet bekennen, dat alles tot nu toe goed ging, en het zou mij
leelijk gestaan hebben om te klagen. Als de "middelevenredige" der
bezwaren niet toenam, konden wij ons doel niet missen. En welk een
roem kon dat ons geven! Ik was reeds zoover, dat ik in vollen ernst
in den trant van Lidenbrock redeneerde. Vloeide dat voort uit de
vreemde middelstof, waarin ik leefde? Misschien.

Eenige dagen lang voerden steiler hellingen, eenige zelfs
verschrikkelijk loodrecht, ons diep in het massieve binnenste der
aarde; op enkele dagen kwamen wij anderhalve a twee mijl dichter
bij het middelpunt. Het waren gevaarlijke nederdalingen, waarbij
de behendigheid en verbazende koelbloedigheid van Hans ons zeer
te pas kwamen. Deze ongevoelige IJslander offerde zich met eene
onbegrijpelijke onversaagdheid op, en door hem overwonnen wij menige
moeielijkheid, die wij alleen niet te boven gekomen zouden zijn.

Zijne stilzwijgendheid werd van dag tot dag erger. Ik geloof zelfs, dat
zij ons ook aanstak. De omringende voorwerpen hebben een wezenlijken
invloed op de hersenen. Wie zich tusschen vier muren opsluit, verliest
eindelijk het vermogen om gedachten en woorden te verbinden. Hoe vele
cellulair-gevangenen zijn, zooal niet krankzinnig dan toch kindsch
geworden uit gebrek aan oefening van het denkvermogen!

In de twee weken, die op ons laatste gesprek volgden, had er niets
plaats der vermelding waardig. Ik herinner mij alleen nog, en niet
zonder reden, een zeer ernstig voorval. Het zou mij moeielijk vallen
om er de geringste omstandigheid van te vergeten.

Den 7den Augustus hadden onze achtereenvolgende nederdalingen ons
op eene diepte van dertig uur gaans gebracht; dat wil zeggen, dat er
boven ons hoofd dertig uur gaans rotsen, oceaan, vasteland en steden
lagen. Wij moesten nu twee honderd uur gaans van IJsland af zijn.

Dien dag had de tunnel slechts eene geringe helling.

Ik liep vooruit; mijn oom droeg een der beide toestellen van Ruhmkorff,
ik den anderen. Ik onderzocht de lagen graniet.

Eensklaps bespeurde ik, toen ik mij omkeerde, dat ik alleen was.

"Goed," dacht ik, "ik heb te hard geloopen, of Hans en mijn oom hebben
zich onderweg opgehouden. Kom, ik ga ze opzoeken. Gelukkig stijgt de
weg merkbaar."

Ik keerde terug. Ik liep een kwartier uurs door. Ik zag rond, maar
bespeurde niemand. Ik riep, maar kreeg geen antwoord. Mijne stem
verloor zich in de echo's der holen, die zij plotseling opwekte.

Ik begon ongerust te worden. Eene rilling liep mij over de leden.

"Bedaard toch!" zeide ik hardop. "Ik ben zeker, dat ik mijne makkers
terug zal vinden. Er zijn geen twee wegen. Daar ik vooruit was,
moet ik achterwaarts gaan."

Ik ging nog een half uur ver opwaarts. Ik luisterde of ik ook geroepen
werd, en in dezen dichten dampkring kon het geluid van verre tot mij
komen. Eene buitengewone stilte heerschte in de onmetelijke galerij.

Ik bleef staan. Ik kon niet gelooven, dat ik alleen was. Ik wilde
wel verdwaald zijn, maar niet verloren. Als men verdwaald is, kan
men elkaar terug vinden.

"Laat eens zien," herhaalde ik, "daar er slechts een weg is, dien
zij volgen, moet ik weder bij hen komen. Het is genoeg, als ik nog
hooger op ga. Ten minste als zij, mij niet vindende en vergetende
dat ik vooruit was, niet op de gedachte gekomen zijn om achteruit te
gaan. Welnu! zelfs in dit geval zal ik, als ik mij haast, hen terug
vinden. Dat is duidelijk!"

Ik herhaalde deze laatste woorden als iemand, die niet overtuigd
is van hetgeen hij zegt. Bovendien duurde het lang voor ik zulke
eenvoudige gedachten had kunnen samenvoegen en uiten onder den vorm
eener redeneering.

Eene bange twijfeling bekroop mij nu. Was ik wel vooruit? Zeker. Hans
volgde mij en ging mijn oom voor. Hij had zelfs eenige oogenblikken
stil gestaan om zijne bagage op zijn schouder vast te binden. Deze
omstandigheid schoot mij weder te binnen. Juist op dat oogenblik had
ik mijn weg vervolgd.

"Bovendien," dacht ik, "heb ik een zeker middel om niet te verdwalen,
een draad om mij in dezen doolhof tot gids te strekken en die niet
breken kan, mijne getrouwe beek. Ik behoef haren loop opwaarts slechts
te volgen en dan moet ik noodzakelijk de sporen mijner makkers terug
vinden."

Deze gedachte bemoedigde mij weder en ik besloot zonder tijdsverzuim
weder op weg te gaan.

Hoe dankbaar was ik nu voor de voorzorg mijns ooms, toen hij den
jager belette de spleet in den granietwand gemaakt te stoppen! Zoo zou
dan die weldadige bron, na onderweg onzen dorst gelescht te hebben,
mij nu geleiden door de kronkelingen der aardschors.

Ik meende, dat eene wassching mij goed zou doen, voor ik verder ging.

Daarom bukte ik mij om mijn voorhoofd te dompelen in het water der
Hans-beek.

Men oordeele over mijne ontsteltenis!

Ik raakte het droge en hobbelige graniet aan! De beek stroomde niet
meer onder mijne voeten!



HOOFDSTUK XXVII


Levend begraven.--Splitsing der galerij.--Bede tot God.--In
de zwarte duisternis.


Ik kan mijne wanhoop niet schetsen; geen woord uit de menschelijke
taal kan wedergeven, wat ik gevoelde.

Ik was levend begraven met het vooruitzicht van te bezwijken onder
de kwellingen van honger en dorst.

Werktuiglijk streek ik mijne gloeiende handen over den grond. Hoe
uitgedroogd scheen die rots mij toe!

Maar hoe had ik dan toch den loop der beek verlaten? Want zij was er in
allen gevalle niet meer! Ik besefte nu de oorzaak van die zonderlinge
stilte, toen ik voor de laatste maal luisterde of geen geroep mijner
makkers tot mijn oor zou doordringen. Dus had ik van het oogenblik af,
dat ik mijne eerste schrede op dien dwaalweg zette, het afwezen der
beek niet opgemerkt. Het is duidelijk, dat zich op dat oogenblik de
galerij in tweeen splitste; terwijl de Hansbeek, eene andere helling
volgende, zich met mijne makkers naar onbekende diepten begaf!

Hoe zou ik terugkeeren? Geene sporen waren zichtbaar. Mijn voet liet
geen indruk op dat graniet achter. Ik brak mijn hoofd met het zoeken
naar de oplossing van dit onoplosbare vraagstuk. Mijn toestand kon
uitgedrukt worden door het enkele woord: verloren!

Ja! verloren in eene diepte, die mij onmeetbaar toescheen! Die dertig
uren aardschors drukten met eene verschrikkelijke zwaarte op mijne
schouders! Ik gevoelde mij verpletterd.

Ik beproefde mijne denkbeelden weder op aardsche zaken te leiden. Met
moeite slaagde ik er in. Hamburg, het huis in de Koningstraat, mijn
arme Graeuben, de geheele wereld, waaronder ik verdwaald was, alles
ging in een oogwenk voorbij in mijne verwarde herinneringen. Ik
zag in eene levendige zinsbegoocheling de voorvallen op de reis,
den overtocht, IJsland, den heer Fridriksson, den Sneffels terug! Ik
zeide tot mijzelven, dat als ik in mijn toestand nog slechts eene
schaduw van hoop behield, dit een teeken van dwaasheid zijn zou en
dat het beter was te wanhopen!

Inderdaad, welke menschelijke macht kon mij op de oppervlakte van
den aardbol terug brengen en die verbazende gewelven scheiden, die
zich boven mijn hoofd opeen stapelden? Wie kon mij op den rechten
weg terug brengen en met mijne reisgezellen vereenigen?

"O, oom!" riep ik op wanhopenden toon.

Het was het eenige woord van verwijt, dat over mijne lippen kwam;
want ik besefte, wat de ongelukkige man moest lijden, als hij mij op
zijne beurt zocht.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18