A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


Toen ik mij zoo van alle menschelijke hulp verstoken en in de
onmogelijkheid zag om iets tot mijn redding te beproeven, dacht ik aan
hemelschen bijstand. De herinneringen mijner kindsheid, die mijner
moeder, die ik slechts in mijne prilste jeugd gekend had, kwamen in
mijn geheugen terug. Ik nam mijn toevlucht tot het gebed, hoe weinig
recht ik ook had om te verwachten, dat ik gehoord zou worden door God,
tot Wien ik mij zoo laat wendde, en riep Hem vurig aan.

Dat opzien tot de Voorzienigheid maakte mij een weinig bedaarder en
ik kon nu al de krachten van mijn verstand op mijn toestand vereenigen.

Ik had voor drie dagen levensmiddelen en mijne flesch was vol. Evenwel
kon ik niet langer alleen blijven. Maar moest ik stijgen of dalen?

Natuurlijk stijgen! altijd stijgen!

Zoo moest ik op het punt komen, waar ik de bron had verlaten, bij de
noodlottige splitsing. Was ik eens daar en had ik de beek onder mijne
voeten, dan kon ik altijd weder den top van den Sneffels bereiken.

Dat ik daaraan niet vroeger gedacht had! Het bood toch altijd nog
eene vrij zekere kans op redding aan. Het was dus in de allereerste
plaats noodig om den loop der Hans-beek terug te vinden.

Ik stond op, en leunende op mijn met ijzer beslagen stok ging ik
weder naar het boveneinde der galerij. Hare helling was vrij steil. Ik
liep vol moed en onbeschroomd voort, als iemand die geene keus heeft
betreffende den weg, dien hij moet volgen.

Een half uur lang ontmoette ik geene hinderpalen. Ik beproefde den
weg te herkennen aan den vorm des tunnels, aan de uitstekende punten
van sommige rotsen, aan het voorkomen der kromten. Maar geen bijzonder
teeken trof mijn geest, en ik bespeurde weldra, dat deze galerij mij
niet op de plaats van splitsing terug kon brengen. Zij was zonder
uitgang. Ik werd gestuit door een ondoordringbaren muur en viel op
den grond.

Ik kan niet beschrijven door welk een schrik, door welk eene wanhoop ik
nu werd aangegrepen. Ik was als vernietigd. Mijne hoop was verbrijzeld
tegen dezen muur van graniet.

Verloren in dezen doolhof, welks kronkelpaden elkander in alle
richtingen kruisten, was het nutteloos eene onmogelijke vlucht te
beproeven! Ik moest den verschrikkelijksten dood sterven! En, vreemde
zaak! de gedachte rees bij mij op, dat als mijn versteend lichaam
eens opgedolven werd, het vinden daarvan op eene diepte van dertig
uur gaans aanleiding zou geven tot ernstige wetenschappelijke vragen!

Ik wilde hardop spreken, maar alleen schorre tonen kwamen over mijne
verdroogde lippen. Ik hijgde naar adem.

Te midden van dezen angst maakte zich een nieuwe schrik van mijn
geest meester. Mijne lamp was door den val beschadigd. Het ontbrak
mij aan de middelen om haar te herstellen. Haar licht verflauwde en
zou spoedig uitgaan.

Ik zag, hoe de lichtgevende stroom in de slang van den toestel
afnam. Een processie van zwevende schaduwen ging langs de verduisterde
wanden. Ik durfde mijne oogen niet sluiten, uit vreeze van het
geringste deeltje van dit wegstervende schijnsel te missen! Ieder
oogenblik meende ik, dat het geheel zou verdwijnen en dat "de zwarte
duisternis" mij omhulde.

Eindelijk flikkerde de laatste lichtstraal in de lamp. Ik volgde hem,
ik oogde hem na, ik vereenigde op hem al de macht mijner oogen, als
op de laatste gewaarwording van licht, die het hun gegeven zou zijn
te ondervinden, en ik bleef gedompeld in de allerakeligste duisternis.

Welk een ijselijke kreet ontsnapte mij! Op aarde verliest het licht,
zelfs in den donkersten nacht, nooit geheel zijne rechten; het is
verstrooid, het is fijn; maar hoe weinig er ook van moge overblijven,
toch wordt het eindelijk nog door het netvlies opgevangen! Hier
niets. De volstrekte duisternis maakte mij tot een blinde in den
volsten zin des woords.

Nu werd ik geheel radeloos. Ik stond op, stak de armen vooruit en
trachtte rond te tasten, hetgeen mij telkens veel pijn veroorzaakte;
ik begon te vluchten, liep in den blinde rond door dien verwarden
doolhof, daalde aanhoudend, liep door de aardschors gelijk een bewoner
der onderaardsche mijngangen, riep, schreeuwde, huilde, kwetste mij
spoedig aan de uitstekende rotspunten, viel en stond bebloed weder op,
trachtte het bloed te drinken, dat mijn gelaat bevochtigde, en wachtte
onophoudelijk dat de eene of andere onvoorziene muur een hinderpaal
zou opleveren, waartegen ik mijn hoofd moest verpletteren.

Waarheen voerde mij die zinnelooze loop? Ik zal het nooit te weten
komen. Na verloop van verscheiden uren viel ik, zonder twijfel door
volslagen verlies van krachten, als een levenlooze klomp zoo lang ik
was op den' grond en verloor alle bewustheid van mijn bestaan!



HOOFDSTUK XXVIII


Een geraas!--Het geluid van woorden.--Foerlorad.--Gemeenschap.
--Gesprek op anderhalf uur gaans.--Bemoediging.--Bewusteloos
neergeploft.


Toen ik weder bijkwam, was mijn gelaat vochtig, maar van tranen. Hoe
lang die gevoelloosheid geduurd had, kan ik niet zeggen. Ik bezat
geen middel meer om den tijd te berekenen. Nooit was eene verlatenheid
zoo volkomen!

Na mijn val had ik veel bloed verloren. Ik baadde er in! Ach! wat speet
het mij, dat ik niet dood was "en dat het nog terecht kon komen!" Ik
wilde niet meer denken. Ik verdreef alle gedachten en door de smart
overwonnen, rolde ik mij naar den anderen wand.

Reeds voelde ik de bezwijming terug komen, en met haar mijn laatste
uur, toen een hevig geraas mijn oor trof. Het geleek op het gerommel
van den donder, en ik hoorde de geluidsgolven langzaam wegsterven in
de verwijderde diepten van den afgrond.

Van waar dat geraas? zeker van het eene of andere natuurverschijnsel,
dat in den schoot der aarde plaats had. De ontploffing eener gassoort
of de val van eene zware laag van den aardbol.

Ik bleef luisteren. Ik wilde weten, of dit geraas herhaald zou
worden. Een kwartier uurs verliep. Er heerschte stilte in de
galerij. Ik hoorde zelfs het kloppen van mijn hart niet meer.

Eensklaps verbeeldde ik mij, dat mijn oor, hetwelk toevallig tegen
den muur lag, onduidelijke, onverstaanbare, verwijderde woorden
opving. Ik beefde.

"Het is verbeelding!" dacht ik.

Maar neen. Oplettender luisterende, hoorde ik wezenlijk een gemompel
van stemmen. Maar mijne zwakheid liet niet toe, dat ik begreep,
wat er gezegd werd. Toch sprak men. Ik was er zeker van.

Ik koesterde een oogenblik de vrees, dat het mijne eigene woorden
mochten zijn, die de echo herhaalde. Misschien had ik geroepen zonder
het te weten? Ik sloot mijne lippen stijf op elkander en legde op
nieuw mijn oor tegen den wand.

"Ja, zeker, men spreekt! men spreekt!"

Nadat ik eenige voeten verder langs den muur voortgekropen was,
hoorde ik duidelijker. Het gelukte mij eenige onzekere, zonderlinge,
onbegrijpelijke woorden op te vangen. Het scheen mij toe, alsof die
woorden slechts zachtjes, om zoo te zeggen mompelende gesproken
werden! Het woord "foerlorad" werd meermalen herhaald op een toon
van smart.

Wat beteekende het? Wie sprak het uit? Ongetwijfeld mijn oom of
Hans. Maar als ik hen hoorde, konden zij mij ook hooren.

Ik riep dus zoo hard ik kon: "Help! Help!"

Ik luisterde, ik loerde in de duisternis op een antwoord, een schreeuw,
een zucht. Niets liet zich hooren. Eenige minuten gingen voorbij. Eene
geheele wereld van gedachten was in mijn geest ontstaan. Ik dacht,
dat mijne verzwakte stem niet tot mijne reisgezellen kon doordringen.

"Want zij zijn het," herhaalde ik. "Wie anders dan zij zouden dertig
uur gaans onder den grond begraven zijn?"

Ik begon weder te luisteren. Met mijn oor langs den wand gaande
vond ik een meetkunstig punt, waar de stemmen haren hoogsten graad
van sterkte schenen te bereiken. Het woord "foerlorad" kwam weder in
mijn oor, daarna dat gerommel van den donder, waardoor ik uit mijne
verdooving was gewekt.

"Neen," zeide ik, "neen! Die stemmen doen zich niet hooren door de
vaste stof heen. De wand bestaat uit graniet, hij zou de sterkste
losbranding niet doorlaten. Dat geraas komt uit deze zelfde
galerij! Hier moet een zeer buitengewoon uitwerksel van het geluid
plaats hebben!"

Ik luisterde weder en ditmaal, ja! ditmaal hoorde ik mijn naam
duidelijk door de ruimte roepen!

Het was mijn oom, die hem uitsprak! Hij sprak met den gids, en het
woord "foerlorad" was een deensch woord.

Nu begreep ik alles. Om mij te doen verstaan moest ik juist langs dezen
muur spreken, die mijne stem zou geleiden, gelijk de metaaldraad de
electriciteit geleidt.

Maar ik had geen tijd te verliezen. Als mijne makkers zich slechts
eenige schreden verwijderden, dan was het verschijnsel van het geluid
verdwenen. Ik naderde dus den muur en sprak zoo duidelijk mogelijk
deze woorden: "Oom Lidenbrock!"

Ik luisterde met een levendigen angst. Het geluid heeft geene
buitengewone snelheid. De dichtheid der luchtlagen vermeerdert zelfs
zijne snelheid niet, zij vermeerdert slechts zijne kracht. Eenige
seconden, die zoo vele eeuwen schenen, verliepen en eindelijk bereikten
deze woorden mijn oor:

"Axel! Axel!, zijt gij het?"

-- -- --

"Ja! ja!" antwoordde ik.

-- -- --

"Arm kind! waar zijt gij?"

-- -- --

"Verloren, in de zwartste duisternis!"

-- -- --

"Maar uwe lamp?"

-- -- --

"Is uit."

-- -- --

"En de beek?"

-- -- --

"Is verdwenen."

-- -- --

"Axel! arme Axel! vat moed!"

-- -- --

"Wacht even, ik ben uitgeput; ik heb geene kracht meer om te
antwoorden. Maar spreek gij!"

-- -- --

"Houd moed," hernam mijn oom, "spreek niet; luister naar mij. Wij
zijn de galerij op en af gegaan om u te zoeken. Maar het was
onmogelijk om u te vinden. Ach! wat heb ik u beweend, mijn kind! In
de veronderstelling dat gij den weg der Hans-beek volgdet, zijn wij
weder onder het lossen van geweerschoten benedenwaarts gegaan. En nu,
al kunnen onzen stemmen zich vereenigen door een uitwerksel van het
geluid, zoo kunnen onze handen zich toch nog niet vereenigen! Maar
wanhoop niet, Axel! Het is reeds iets als men elkaar verstaan kan."

-- -- --

Intusschen had ik nagedacht. Eene zekere, nog onbestemde hoop werd
weder levendig in mijn hart. In de allereerste plaats stelde ik er
belang in om een ding te weten. Ik legde dus mijn mond tegen den muur
en zeide: "Oom?"

-- -- --

"Kind?" werd mij na eenige oogenblikken geantwoord.

-- -- --

"Wij moeten eerst weten welke afstand ons scheidt."

-- -- --

"Dat is gemakkelijk."

-- -- --

"Hebt gij uw tijdmeter bij u?"

-- -- --

"Ja!"

-- -- --

"Welnu, neem hem. Spreek mijn naam uit en geef nauwkeurig acht op
de seconde, waarin gij spreekt. Ik zal hem herhalen, en gij zult ook
het juiste oogenblik waarnemen, waarop mijn antwoord tot u komt."

-- -- --

"Goed! en de helft van den tijd, die tusschen mijne vraag en uw
antwoord zal verloopen, zal den tijd aanwijzen, dien mijne stem noodig
heeft om tot u te komen."

-- -- --

"Zoo is het, oom!"

-- -- --

"Zijt gij gereed?"

-- -- --

"Ja!"

-- -- --

"Welnu! geef acht! ik zal uw naam uitspreken."

-- -- --

Ik leg mijn oor tegen den wand, en zoodra het woord "Axel" mij
bereikte, antwoordde ik onmiddelijk "Axel" en wachtte.

-- -- --

"Veertig seconden," zeide nu mijn oom; "er zijn veertig seconden
tusschen de beide woorden verloopen; het geluid besteedt dus twintig
seconden om den afstand tusschen ons te doorloopen. Berekend op
duizend en twintig voet per seconde, maakt het twintig duizend vier
honderd voet uit of een en vijf achtste uur gaans."

-- -- --

"Ruim anderhalf uur gaans!" klaagde ik.

-- -- --

"Welnu! daar is overkomen aan, Axel!"

-- -- --

"Maar moet ik stijgen of dalen?"

-- -- --

"Dalen, en wel om deze reden. Wij zijn in eene uitgestrekte ruimte
aangekomen, waarop een groot aantal galerijen uitloopen. Die welke
gij gevolgd hebt, moet er u stellig heenbrengen, want het schijnt,
dat al die spieten en scheuren van den bol als stralen uitgaan van
het onmetelijke hol, waarin wij ons bevinden. Sta dus op en ga weder
op weg; loop, kruip, als het zijn moet, glijd van de steile hellingen
af en gij zult onze armen gereed vinden om u aan het einde van den
weg op te vangen. Op weg, mijn kind! op weg!"

-- -- --

Die woorden bemoedigden mij weder.

"Vaarwel, oom!" riep ik, "ik vertrek. Onze stemmen kunnen de
gemeenschap niet langer onderhouden, zoodra ik deze plaats heb
verlaten. Vaarwel dan!"

-- -- --

"Tot weerziens, Axel! tot weerziens!"

-- -- --

Dit waren de laatste woorden, die ik hoorde. Dit vreemde gesprek,
gevoerd door de dichte massa der aarde heen, terwijl de sprekers meer
dan een uur gaans van elkander verwijderd waren, eindigde met die
vertroostende woorden. Ik zond een dankgebed tot God op, want Hij had
mij door de duisternis heen naar het eenige punt misschien gevoerd,
waar de stem mijner makkers mij kon bereiken.

Dit zeer verbazende uitwerksel van het geluid kon gemakkelijk
verklaard worden door natuurkundige wetten; het was een gevolg van
de gedaante van den gang en het geleidend vermogen der rots; er
zijn meer voorbeelden van die voortplanting van geluiden, die voor
tusschengelegen punten onmerkbaar zijn. Ik herinnerde mij, dat dit
verschijnsel op vele plaatsen wordt waargenomen, o.a. op de binnenste
galerij van den koepel der St. Paulskerk te Londen en vooral onder de
merkwaardige holen op Sicilie in de onderaardsche steengroefkerkers
bij Syracuse gelegen, waarvan de zonderlingste van dien aard bekend
is onder den naam van het oor van Dionysius.

Dit alles herinnerde ik mij en ik zag duidelijk in, dat daar de stem
van mijn oom tot mij kwam, geen hinderpaal tusschen ons bestond. Den
weg van het geluid volgende moest ik er stellig ook komen, zoo de
krachten mij onderweg niet begaven.

Ik stond dus op. Ik kroop meer dan ik liep. De helling was nog al
steil; ik liet mij afglijden.

Weldra nam de snelheid mijner nederdaling op eene vrees inboezemende
wijze toe en dreigde op een val te gaan gelijken. Ik had de kracht
niet meer om mij op te houden.

Eensklaps voelde ik geen grond meer. Ik rolde, telkens opspringende,
langs de oneffenheden van eene loodrechte galerij, een waren put; mijn
hoofd sloeg tegen een scherp rotspunt en ik geraakte buiten kennis.



HOOFDSTUK XXIX


Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten.


Toen ik weder bijkwam, lag ik in een half donker op dikke dekens. Mijn
oom waakte en zocht op mijn gelaat naar eenig teeken van leven. Bij
mijn eersten zucht greep hij mijne hand, bij mijn eersten oogopslag
slaakte hij een vreugdekreet.

"Hij leeft! hij leeft!" riep hij.

"Ja!" antwoordde ik met eene zwakke stem.

"Mijn kind!" zeide mijn oom mij aan zijn hart drukkende, "nu zijt
gij gered!"

Ik was levendig getroffen door den toon, waarop die woorden werden
gesproken en nog meer door de zorgen, die er mede gepaard gingen. Maar
zulke beproevingen werden ook vereischt om den professor zulk eene
ontboezeming af te persen.

Op dit oogenblik kwam Hans. Hij zag mijne hand rusten in die van
mijn oom; ik durf verklaren dat zijne oogen een levendig genoegen
uitdrukten.

"God dag!" zeide hij,

"Goeden dag, Hans! goeden dag!" mompelde ik. "Zeg mij nu eens,
oom! waar wij thans zijn?"

"Morgen, Axel! morgen, nu zijt gij nog te zwak; ik heb uw hoofd met
compressen omwoeld, die gij niet moet verschuiven; slaap dus, mijn
jongen! en morgen zult gij alles weten!"

"Maar," hernam ik, "zeg mij ten minste hoe laat en welke dag het is."

"'s Avonds elf uur; het is nu Zondag, de 9de Augustus, en ik verbied
u mij iets meer te vragen voor den 10den dezer maand."

Ik was inderdaad zeer zwak, mijne oogen vielen onwillekeurig toe. Ik
had een nacht rust noodig; ik viel dus in slaap met de gedachte,
dat mijne eenzaamheid vier lange dagen had geduurd.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, keek ik eens rond. Mijne
legerstede, uit al de reisdekens bestaande, was opgeslagen in eene
heerlijke grot, versierd met prachtigen dropsteen, en welker bodem
met fijn zand was bedekt. Er heerschte een half donker. Geene toorts,
geene lamp brandde er, en toch drong van buiten een onverklaarbaar
schijnsel door eene nauwe opening in de grot. Ook hoorde ik een
vreemd, onbepaald gemurmel, gelijk aan het geluid der golven, die op
een vlakken oever breken en soms het fluiten van den wind.

Ik vroeg mij zelven of ik wel wakker was, of ik nog droomde,
of mijne hersenen, door den val geschud, geene zuiver ingebeelde
geluiden vernamen. Echter konden mijne oogen en ooren zich niet zoo
erg vergissen.

"Het is een straal van het daglicht," dacht ik, die door deze
rotsspleet dringt! Het is toch het geraas van golven! Het is toch het
fluiten van den wind! Bedrieg ik mij, of zijn wij op de oppervlakte
der aarde teruggekomen? Heeft mijn oom dan van zijn tocht afgezien,
of zou hij hem gelukkig volbracht hebben!"

Ik legde mij deze onoplosbare vragen voor, toen de professor
binnenkwam.

"Goeden dag, Axel!" sprak hij opgeruimd. "Ik durf wedden, dat gij
welvarende zijt!"

"Zeker!" antwoordde ik op de dekens overeind gaande zitten.

"Dat kan niet anders, want ge hebt rustig geslapen. Hans en ik hebben
beurtelings bij u gewaakt en wij hebben uwe genezing snelle vorderingen
zien maken."

"Ik gevoel mij inderdaad weder opgevroolijkt, en om het te bewijzen zal
ik eer doen aan het ontbijt, dat gij mij wel zult willen voortzetten!"

"Gij zult eten, mijn jongen! de koorts heeft u verlaten. Hans heeft uwe
wonden ingesmeerd met ik weet niet welke zalf, waarvan de IJslanders
het geheim bezitten en zij zijn uitmuntend geheeld. Een ferme vent,
onze jager!"

Zoo sprekende bereidde mijn oom eenige spijzen, die ik gretig verslond
in weerwil van zijne waarschuwingen. Intusschen overstelpte ik hem
met vragen, die hij zich haastte te beantwoorden.

Ik vernam nu, dat mijn gelukkig afgeloopen val mij juist aan het
uiteinde eener bijna loodrechte galerij had gebracht; daar een vloed
van steenen, waarvan de kleinste voldoende zou geweest zijn om mij te
verpletteren, met mij mede was gekomen, moest men daaruit afleiden,
dat een gedeelte der vaste massa met mij was afgegleden. Dit
verschrikkelijk voertuig bracht mij dus in de armen mijns ooms,
waar ik bloedend en bewusteloos nederviel.

"Waarlijk," zeide hij mij, "het is te verwonderen dat gij niet
duizendmaal den dood hebt gevonden. Maar, laten wij elkander in Gods
naam niet meer verlaten; want wij zouden gevaar loopen elkaar niet
meer terug te zien!"

"Laten wij elkander niet meer verlaten!" De reis was dan nog niet ten
einde? Ik zette van verbazing groote oogen op, hetgeen onmiddellijk
tot deze vraag aanleiding gaf:

"Wat scheelt u toch, Axel?"

"Ik moet u iets vragen. Gij zegt, dat ik gezond en wel ben?"

"Zonder twijfel."

"Dat mijn lichaam ongedeerd is?"

"Zeker."

"En mijn hoofd?"

"Uw hoofd staat op eenige kneuzingen na, ongeschonden op zijne plaats
op uwe schouders."

"Welnu! ik vrees, dat mijne hersenen in de war zijn."

"In de war?"

"Ja. Zijn wij niet op de oppervlakte van den aardbol terug?"

"Zeker niet!"

"Dan moet ik gek zijn; want ik bemerk het daglicht, ik hoor het geraas
van den wind, die blaast en van de zee, die op het strand breekt!"

"Zoo! is het anders niet?"

"Zult gij het mij ophelderen?"

"Ik zal u niets ophelderen, want het is onverklaarbaar; maar gij zult
zien en begrijpen, dat de geologische wetenschap haar laatste woord
nog niet heeft gesproken!"

"Laten wij dan heen gaan!" riep ik driftig opstaande.

"Neen, Axel! neen! de open lucht zou u kwaad kunnen doen."

"De open lucht?"

"Ja! het waait vrij hard. Ik wil niet, dat gij u zoo blootstelt."

"Maar ik verzeker u, dat ik heel wel ben."

"Een beetje geduld, mijn jongen! Als gij weder instort, zou ons dat
in groote ongelegenheid brengen, en wij moeten geen tijd verliezen,
want de overtocht kan lang duren."

"De overtocht?"

"Ja! rust vandaag nog wat uit, dan zullen wij ons morgen inschepen."

"Ons inschepen!"

Dat laatste woord deed mij van vreugde opspringen.

Hoe! ons inschepen! Hadden wij dan een stroom, een meer, eene zee ter
onzer beschikking? Lag er een schip voor anker in de eene of andere
inwendige haven?

Mijne nieuwsgierigheid werd ten hoogste geprikkeld. Te vergeefs poogde
mijn oom mij tegen te houden. Toen hij zag, dat het ongeduld mij meer
kwaad zou doen dan de bevrediging mijner wenschen, gaf hij toe.

Ik kleedde mij spoedig aan; uit overdrevene voorzichtigheid draaide
ik mij in eene der dekens, en verliet de grot.



HOOFDSTUK XXX


De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende
zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees
voor voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.


Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich
terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan
verbaasd.

"De zee!" riep ik.

"Ja!" antwoorde mijn oom, "de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat
geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben,
noch het recht om haar naar mij te noemen!"

Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een oceaan
strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever
vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel
zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin de eerste wezens der
schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas,
dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeen, het
lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en
eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand,
omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van
verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene
onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar
scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der
branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver
uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder.

Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers,
maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen.

Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat
een "bijzonder" licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht
met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding
zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin
der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De
sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere
en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien
van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen
oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te
zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een
oceaan kon bevatten.

Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit
groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der
verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou
gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene
verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene
natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar
nu "was het mooi weer." De electrische plekken brachten verbazende
spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere
schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls
schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke
kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak
dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen
indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde
door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte
op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet
toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet.

Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde
gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht
ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl twee sterren,
Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij
de waarheid gesproken hebben?

Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare
breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het
gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik
werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat
hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar
steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet
waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte
op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der
aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke
dichtheid der lucht moest worden toegeschreven.

Het woord "hol" drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze
onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal
schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt.

Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk
eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar
kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers
sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18