A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht,
het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over
eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte
zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke
Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar
zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief
en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te
bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat,
hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische
uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne
verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid.

Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan
woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de
eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn
van verschijnselen, waarvan mijne "aardsche" natuur geen begrip
had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne
verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht,
bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik.

Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op
mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te
behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe
geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij de kracht eener
zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde.

Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche
opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen
zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen.

Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere
grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was,
verwonderde zich niet meer.

"Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?" vroeg hij mij.

"Ja zeker!" antwoordde ik, "niets zal mij aangenamer zijn."

"Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever
volgen."

Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs
de kust van dezen nieuwen oceaan.

Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde
rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking
maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot
heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen
wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan,
en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl
zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen.

Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek,
die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan
had sedert de schepping der wereld.

"Haar zullen wij voortaan missen!" zeide ik zuchtende.

"Ba!" antwoordde de professor, "haar of eene andere, wat maakt
dat uit?"

Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar.

Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne
aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog
voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan
onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige
zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de
luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks
den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen.

Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze
zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe
bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar
eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat
water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen,
bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over.

Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, maar op
eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk
bij hun naam.

"Het is een woud van paddestoelen," zeide hij.

En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling
dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen
ophouden. Ik wist, dat de "lycoperdon giganteum," volgens Bulliard,
een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte,
dertig a veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde
middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door
hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte
onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de
ronde daken eener afrikaansche stad.

Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel
neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in
die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen
begroette ik weder de oevers der zee.

Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet
louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze
een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren
gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met
wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige
zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge
breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in
lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige
cactussen.

"Verbazend," riep mijn oom. "Ziedaar de geheele plantenwereld uit
het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die
nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste
eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een
plantenkenner op zulk een feest geweest!"

"Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke
broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de
scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld."

"Gij zegt terecht, dat het eene broeikas is, mijn jongen! maar
gij zoudt u nog juister uitdrukken, als gij er bijvoegdet, dat het
misschien eene diergaarde is."

"Eene diergaarde!"

"Ja, zonder twijfel. Bezie het stof maar, dat wij vertreden; die op
den grond verspreide beenderen."

"Beenderen!" riep ik. "Ja! beenderen van voorwereldlijke dieren!"

Ik viel aan op die eeuwenoude overblijfselen, bestaande uit eene
onvergankelijke delfstoffelijke zelfstandigheid [12]. Ik gaf zonder
aarzelen een naam aan die reusachtige beenderen, die op uitgedroogde
boomstammen geleken.

"Dat is de onderkaak van den Mastodont," zeide ik; "dat zijn de
maaltanden van het Dinotherium, ziedaar een dijbeen, dat alleen aan het
grootste dezer dieren, het Megatherium, kan toebehoord hebben. Ja,
wel is het eene diergaarde, want die beenderen zijn hier zeker
niet gebracht door een zondvloed; de dieren, waaraan zij behooren,
hebben geleefd aan de oevers dezer onderaardsche zee, in de schaduw
dezer boomachtige planten. Zie, daar bespeur ik geheele geraamten. En
toch...."

"En toch?" zeide mijn oom.

"Begrijp ik de aanwezigheid van zulke viervoetige dieren niet in dit
hol van graniet."

"Waarom niet?"

"Omdat het dierlijke leven op aarde eerst bestaan heeft in de
secundaire tijdperken, toen de aangespoelde grond gevormd is door
het alluvium en de witgloeiende rotssteenen van het eerste tijdperk
heeft vervangen."

"Hoe! op zulk eene diepte onder de oppervlakte der aarde?"

"Zonder twijfel, en deze daadzaak kan geologisch verklaard worden. In
een zeker tijdperk bestond de aarde uit eene veerkrachtige schors,
aan afwisselende op- en nedergaande bewegingen onderworpen, tengevolge
van de wetten der aantrekkingskracht. Het is waarschijnlijk, dat
er verzakkingen in den bodem zijn gekomen, en dat een gedeelte
der aangespoelde gronden weggezonken is in de plotseling geopende
afgronden."

"Dat moet zoo zijn. Maar als er voorwereldlijke dieren geleefd hebben
in deze onderaardsche streken, wie verzekert ons dan, dat er nog niet
het eene of andere van die monsters rondzwerft in deze sombere wouden
of achter die steile rotsen?"

Bij deze gedachte onderzocht ik, niet zonder angst, de verschillende
punten van den gezichteinder; maar geen levend wezen vertoonde zich
op die eenzame oevers.

Ik was een weinig vermoeid; ik ging zitten op het uiteinde van een
voorgebergte, aan welks voet de golven met veel geraas braken. Van
daar omvatte mijn blik de geheele baai, die door een inham van de kust
werd gevormd. Achterin werd eene kleine haven door pyramidale rotsen
ingesloten. Haar kalm water was tegen den wind beschut. Een brik en
twee of drie schoeners hadden er gemakkelijk in kunnen omkeeren. Ik
rekende er bijna op het eene of andere vaartuig met volle zeilen te
zien uitloopen en met den zuidenwind het ruime sop kiezen.

Maar die begoocheling verdween weldra. Stellig waren wij de eenige
levende schepselen in deze onderaardsche wereld. Als de wind
soms ging liggen, daalde eene stilte, nog veel dieper dan die der
woestijn, op de dorre rotsen, en drukte op de oppervlakte van den
oceaan. Dan trachtte ik door de verre nevelen heen te boren en die
gordijn te verscheuren, die voor den geheimzinnigen achtergrond
van den gezichteinder hing. Wat al vragen verdrongen zich op mijne
lippen! Waar eindigde die zee? Waar voerde zij heen? Zouden wij immer
hare tegenoverliggende oevers bereiken?

Mijn oom twijfelde er volstrekt niet aan. Ik wenschte en vreesde het
te gelijk.

Na een uur doorgebracht te hebben met de beschouwing van dit
wonderlijke tooneel, gingen wij weder langs het strand naar de grot,
en met het hoofd vol van de zonderlingste denkbeelden viel ik in een
gerusten slaap.



HOOFDSTUK XXXI


Door een zeebad versterkt!--Vloed, ebbe en magnetische
helling.--Scheepstimmerhout.--Het vlot.


Toen ik den volgenden morgen ontwaakte was ik geheel genezen. Ik
meende, dat een bad zeer heilzaam voor mij zou zijn, en dompelde mij
daarom eenige minuten lang in het water dezer Middellandsche zee. Dien
naam verdiende zij zeker meer dan eenige andere.

Ik kwam met goeden eetlust aan het ontbijt. Hans verstond zeer goed
de kunst om onze kleine spijskaart gereed te maken; hij had water en
vuur ter zijner beschikking, zoodat hij eenige afwisseling kon brengen
in onzen gewonen kost. Bij het nagerecht schonk hij ons eenige kopjes
koffie in, en nooit proefde ik met meer smaak dien heerlijken drank.

"Nu," zeide mijn oom, "is het de tijd van den vloed, en wij moeten
de gelegenheid niet verzuimen om dit verschijnsel waar te nemen."

"Hoe, de vloed!" riep ik.

"Zonder twijfel."

"Doet de invloed van maan en zon zich dan zelfs hier gevoelen?"

"Waarom niet? Zijn de lichamen niet in hun geheel aan de algemeene
aantrekking onderworpen? Derhalve kan deze watermassa zich niet aan de
algemeene wet onttrekken. Ook zult gij zien, dat zij zich in weerwil
van de luchtdrukking op hare oppervlakte even goed verheft als de
Atlantische Oceaan zelf."

Op dit oogenblik betraden wij het zand van den oever en de golven
kwamen langzamerhand verder het strand op.

"Dat is toch het begin van den vloed," riep ik.

"Ja, Axel! en aan de strepen van het schuim kunt gij zien, dat de
zee omtrent tien voet stijgt."

"Het is vreemd!"

"Neen, het is natuurlijk."

"Gij moogt zeggen wat gij wilt: dit alles schijnt mij buitengewoon
toe en nauwelijks kan ik mijne oogen gelooven. Wie zou ooit binnen
de schors der aarde een echten oceaan met zijne ebbe en zijn vloed,
zijne winden en stormen verwacht hebben!"

"Waarom niet? Is er eene natuurkundige reden tegen?"

"Ik zie er geene, zoodra ik het stelsel der inwendige warmte moet
opgeven."

"Tot nu toe wordt de theorie van Davy dus bevestigd?"

"Zeker, en dan is er ook niets te zeggen tegen het bestaan van zeeen
of landen binnen den aardbol."

"Zonder twijfel, maar onbewoond."

"Waarom? zouden deze wateren geene onbekende vischsoorten kunnen
herbergen?"

"In allen gevalle hebben wij er tot nu toe geene aangetroffen."

"Welnu, wij kunnen hengels maken en zien, of de hoek hier beneden
even gelukkig zal zijn als in de ondermaansche zeeen.

"Wij kunnen het beproeven, Axel! want wij moeten al de geheimen dezer
nieuwe gewesten uitvorschen."

"Maar waar zijn wij, oom? want ik heb u deze vraag nog niet gedaan,
waarop uwe werktuigen u het antwoord moeten geven."

"In een waterpasse richting driehonderd vijftig uur gaans van IJsland."

"Zoo ver?"

"Ik ben zeker, dat ik mij geen vijf honderd vadem bedrieg."

"En wijst het kompas nog altijd zuidoost?"

"Ja! met eene westelijke afwijking van negentien graad en twee en
veertig minuten, juist als op aarde. Met zijne helling heeft iets
bijzonders plaats, dat ik met de uiterste zorg heb waargenomen."

"En dat is?"

"Dat de naald, in plaats van naar de pool te hellen, zooals zij op
het noordelijk halfrond doet, integendeel rijst."

"Daaruit moeten wij dus opmaken, dat het punt van magnetische
aantrekking ligt tusschen de oppervlakte van den aardbol en de plaats
waar wij ons thans bevinden?"

"Juist! en het is waarschijnlijk, dat, als wij onder de poolstreken
kwamen, waar James Ross de magnetische pool ontdekt heeft, wij
zien zouden, dat de naald loodrecht gaat staan. Derhalve ligt dat
geheimzinnige middelpunt van aantrekking niet zeer diep."

"Dat is inderdaad een feit, dat de wetenschap niet vermoed heeft."

"De wetenschap, mijn jongen! is samengesteld uit dwalingen, maar uit
zulke, die het goed is te begaan, want zij voeren langzamerhand tot
de waarheid."

"En op welke diepte zijn wij?"

"Op eene diepte van vijf en dertig uur gaans."

"Dan is," zeide ik de kaart naziende, "het Schotsche Hoogland boven
ons, en daar verheft het Grampian-gebergte zijne met sneeuw bedekte
kruin tot eene aanzienlijke hoogte."

"Ja!" antwoordde de professor lachende, "de vracht is wel wat zwaar,
maar het gewelf is stevig; de groote bouwmeester van het heelal heeft
het van goede bouwstoffen gemaakt, en nooit zou de mensch er zulk eene
draagkracht aan hebben kunnen geven! Wat zijn de bogen der bruggen
en de spitsbogen der hoofdkerken vergeleken met dit schip van een
straal van drie uur gaans, waaronder een oceaan en stormen zich op
hun gemak kunnen ontwikkelen?"

"O! ik vrees niet, dat de hemel zal instorten. Oom, wat zijn nu uwe
plannen? Denkt gij er niet aan om naar de oppervlakte van den aardbol
terug te keeren?"

"Terugkeeren! Nu nog mooier! Onze reis voortzetten, ja! daar tot nu
toe alles zoo goed gaat."

"Maar ik zie niet in, hoe wij door deze vloeibare massa heen moeten
komen."

"Ik ben niet van plan om er mij met het hoofd naar beneden in te
storten. Maar als de oceanen eigenlijk gezegd slechts meren zijn, daar
het land hen omringt, dan is het zeker dat deze binnenzee ingesloten
is door het vaste graniet."

"Dat is niet twijfelachtig."

"Welnu! op den tegenoverliggenden oever ben ik zeker nieuwe uitwegen
te zullen vinden."

"Hoe lang veronderstelt gij dan, dat deze oceaan is?"

"Dertig of veertig uur gaans."

"Zoo!" antwoordde ik, maar dacht toch dat die schatting wel
onnauwkeurig zou zijn.

"Wij hebben dus geen tijd te verliezen, en morgen reeds steken wij
in zee."

Onwillekeurig zochten mijne oogen het schip, dat ons moest overbrengen.

"Wij zullen ons dus inschepen," zeide ik. "Goed! En met welk schip
zullen wij den overtocht doen?"

"Niet met een schip, mijn jongen! maar met een goed en stevig vlot."

"Een vlot!" riep ik; "een vlot is even onmogelijk te vervaardigen
als een schip, en ik zie niet...."

"Gij ziet niet, Axel! maar als gij luisterdet, zoudt gij kunnen
hooren!"

"Hooren?"

"Ja! eenige hamerslagen, die u zouden zeggen, dat Hans reeds aan het
werk is."

"Vervaardigt hij een vlot?"

"Ja!"

"Heeft hij dan reeds boomen onder zijne bijl doen vallen?"

"O! de boomen waren reeds geveld. Kom mede en gij zult hem aan het
werk zien."

Na eene wandeling van een kwartier uurs zag ik Hans werken aan de
andere zijde van het voorgebergte, dat de kleine natuurlijke haven
vormde; nog eenige stappen en ik was bij hem. Tot mijne groote
verbazing lag een half voltooid vlot op het zand; het bestond uit
balken van eene bijzondere houtsoort, en een groot aantal zware
planken. Kromhouten en allerlei spanten bedekten letterlijk den
bodem. Er lag daar genoeg om eene geheele vloot te timmeren.

"Oom!" riep ik, "wat is dat voor hout?"

"Het is pijnboomhout, dennenhout, beukenhout, al de soorten van
noordsche kegeldragers, die versteend zijn door de werking van het
zeewater."

"Is het mogelijk!"

"Dat noemt men "Surtarbrandur" of versteend hout."

"Maar als fossiel hout moet het zoo hard zijn als steen, en kan het
dan drijven?"

Soms niet; dat hout wordt wel eens echte koolblende; weder ander hout,
zooals dit, heeft nog slechts een begin van versteening ondergaan. "Zie
maar," voegde mijn oom er bij, terwijl hij een stuk van dat kostbare
strandgoed in zee wierp.

Het hout zonk eerst, kwam toen weder boven en dreef op de golven.

"Zijt gij overtuigd?" zeide mijn oom.

"Vooral daarvan, dat het onmogelijk is."

Den avond van den volgenden dag was, dank zij de bekwaamheid van
den gids, het vlot voltooid; het was tien voet lang en vijf breed;
de balken van Surtarbrandur met stevige touwen aan elkander verbonden
boden een vaste oppervlakte aan, en toen het te water was gelaten,
dreef dit nieuwe vaartuig rustig op de golven der Lidenbrock-zee.



HOOFDSTUK XXXII


Zeilklaar--Vertrek van Graeubenhaven.--Het
scheepsjournaal.--Voorwereldlijke visch.--Blindheid
van die visch.--Axel's droom.--Axel ontwaakt.


Den 13den Augustus werden wij zeer vroeg wakker. Wij moesten een
nieuwe soort van snel en weinig vermoeiend middel van vervoer inwijden.

Een groote mast, gemaakt van twee gewangde stammen, eene ra, uit
een derden gevormd, een zeil, van onze dekens genomen, maakten al
de tuigage van het vlot uit. Aan touwen ontbrak het niet. Het geheel
was stevig.

Te zes uur gaf de professor het sein om aan boord te gaan. De
levensmiddelen, de bagage, de werktuigen, de wapens en eene
aanzienlijke hoeveelheid zoet water waren reeds aanwezig.

Hans had een roer gemaakt, dat hem in staat stelde zijn drijvenden
toestel te besturen. Hij greep de roerpen. Ik maakte het touw los,
dat ons aan den oever verbond; het zeil werd bij den wind gehaald en
wij staken snel van land.

Op het oogenblik dat wij de kleine haven verlieten, wilde mijn oom;
die veel prijs stelde op eene aardrijkskundige benaming, haar een
naam geven, den mijnen bij voorbeeld.

"Op mijne eer!" zeide ik, "ik wilde u een anderen voorstellen."

"Welken?"

"Den naam van Graeuben. Graeubenhaven, dat zal zeer goed staan op
de kaart."

"Het zij zoo! Graeubenhaven dan."

En zoo werd de herinnering aan mijn lief meisje verbonden met onze
hachelijke onderneming.

Er woei een noordoostenwind; wij vorderden zeer snel met den wind
van achteren. De zeer dichte luchtlagen hadden eene aanzienlijke
drijfkracht en werkten op het zeil als een sterke luchttrekker.

Na verloop van een uur was mijn oom in staat onze snelheid te
berekenen.

"Als wij zoo blijven voortgaan," zeide hij, "zullen wij minstens dertig
uur per dag afleggen en weldra den tegenovergestelden oever bereiken."

Ik antwoordde niet en nam plaats voor op het vlot. Reeds neigde
de noordkust naar den gezichteinder, de beide armen van den oever
scheidden zich verre van een, als om ons vertrek gemakkelijk te
maken. Eene onmetelijke zee strekte zich voor mij uit, de grauwe
schaduw van groote wolken, die op dit doodsche water scheen te
drukken, vloog snel over zijne oppervlakte. De zilveren stralen van
het electrische licht, hier en daar door een droppeltje teruggekaatst,
deden lichtende punten op de zijden van het vaartuig ontstaan. Weldra
was het land geheel uit het gezicht, elk kenbaar punt verdween, en
zonder het schuimende zog van het vlot zou men hebben kunnen denken,
dat het onbeweeglijk lag.

Tegen den middag zagen wij verbazend groote wierplanten aan de
oppervlakte der golven drijven. Ik kende de groeikracht dezer
gewassen, die meer dan twaalf duizend voet diep op den zeebodem
kruipen, zich vermenigvuldigen onder eene drukking van bijna vier
honderd dampkringen en dikwijls zulke uitgestrekte banken vormen,
dat zij de vaart der schepen belemmeren; maar nooit, geloof ik,
waren er reusachtiger wierplanten dan die van de Lidenbrock-zee.

Ons vlot dreef langs zeegras van drie en vier duizend voet lang,
onmetelijke slangen, die zich verre buiten het bereik van het gezicht
voortslingerden; ik vermaakte mij met die eindelooze linten na te
staren, steeds meenende hun einde te bereiken, en uren lang werd mijn
geduld op de proef gesteld, terwijl mijne verbazing toenam.

Welke natuurkracht was in staat om zulke planten voort te brengen,
en hoedanig moet het voorkomen der aarde in de eerste eeuwen van haar
bestaan geweest zijn, toen onder den invloed van warmte en vochtigheid
alleen het plantenrijk zich op hare oppervlakte ontwikkelde!

Het werd avond, en zooals ik reeds den vorigen avond opgemerkt had,
verminderde de lichtgevende toestand der lucht niet. Het was een
standvastig verschijnsel, op welks duur men staat kon maken.

Na het avondeten strekte ik mij uit aan den voet van den mast en
sliep weldra in onder vadsige droomerijen.

Hans, die onbeweeglijk aan het roer stond, liet het vlot maar
voortdrijven, dat overigens met den wind van achteren niet eens
behoefde bestuurd te worden.

Sedert ons vertrek van Graeubenhaven had professor Lidenbrock mij
opgedragen om het "scheepsjournaal" te houden, om de geringste
waarnemingen aan te teekenen, om de belangrijke verschijnselen, de
richting van den wind, de verkregen snelheid, den afgelegden weg, met
een woord al de voorvallen van dezen vreemden zeetocht te beschrijven.

Ik zal mij dus vergenoegen met hier die dagelijksche aanteekeningen
in te lasschen, die om zoo te zeggen door de gebeurtenissen in de
pen werden gegeven, om een nauwkeurig verslag van onzen overtocht
te leveren.





Vrijdag 14 Augustus. Stijve noordwestenwind. Het vlot loopt snel in
eene rechte lijn. De kust blijft dertig uur gaans van ons af onder
den wind. Er is niets aan den gezichteinder te zien. De sterkte
van het licht verandert niet. Mooi weer, dat wil zeggen, de wolken
drijven zeer hoog, zijn niet zwaar en baden in een witten dampkring,
als ware het smeltend zilver.

De thermometer wijst +32 deg. C.

Tegen den middag maakt Hans een hoek vast aan een touw; het aas bestaat
uit een stukje vleesch; hij werpt hem in zee. Gedurende twee uur
vangt hij niets. Zijn die wateren dan onbewoond? Neen. Hans voelt,
dat hij beet heeft, haalt den hoek op en brengt een visch boven,
die hevig spartelt.

"Een visch!" roept mijn oom.

"Het is een steur!" riep ik op mijne beurt, "een kleine steur."

De professor beschouwt het dier oplettend en deelt mijn gevoelen
niet. Deze visch heeft een platten, ronden kop, en het achterlijf is
met beenachtige platen bedekt; zijn bek is tandeloos; vrij ontwikkelde
borstvinnen zitten aan zijn staarteloos lichaam. Dit dier behoort
wel tot eene orde, waaronder de natuurkundigen den steur hebben
gerangschikt, maar het verschilt er van in sommige gewichtige punten.

Mijn oom bedriegt er zich niet in, want na een vrij kort onderzoek
zegt hij:

"Deze visch behoort tot eene sedert eeuwen uitgestorven familie, wier
versteende overblijfselen men alleen in devonische gronden terugvindt."

"Hoe!" riep ik uit, "zouden wij dan een van die bewoners der
oorspronkelijke zeeen levend gevangen hebben?"

"Ja!" antwoordde de professor, terwijl hij zijne waarnemingen
voortzette, "en gij ziet dat die fossiele visschen niet de minste
overeenkomst hebben met de tegenwoordige soorten. Een dier wezens
levend te bezitten is een waar geluk voor den natuurkundige."

"Maar tot welke familie behoort hij?"

"Tot de orde der Ganoiden, familie der Cephalaspiden, geslacht...."

"Welnu?"

"Geslacht der Pterychti, daar zou ik op zweren; maar deze levert eene
bijzonderheid op, die naar men zegt bij de visschen der onderaardsche
wateren aangetroffen wordt."

"Welke?"

"Hij is blind!"

"Blind!"

"Niet alleen blind, maar hij mist zelfs geheel het gezichtsorgaan."

Ik kijk en zie dat het volkomen waar is. Maar het kan een bijzonder
geval zijn. Andermaal wordt er een aas aangeslagen en het snoer in zee
geworpen. Die oceaan is bepaald zeer vischrijk, want binnen een paar
uur vangen wij eene groote hoeveelheid Pterychti, benevens visschen,
behoorende tot een insgelijks uitgestorven familie, de Dipteriden,
maar wier geslacht mijn oom niet kan herkennen. Alle zijn beroofd
van het gezichtsorgaan. Deze onverwachte vangst bezorgt ons een
goeden voorraad.

Het schijnt dus stellig zeker, dat deze zee slechts fossiele soorten
bevat, waarvan de visschen en de kruipende dieren des te volmaakter
zijn, naar mate zij eerder geschapen zijn.

Misschien treffen wij nog wel eenige van die hagedissoorten aan,
die de wetenschap weder heeft weten samen te stellen uit een stuk
been of kraakbeen.

Ik neem den kijker en onderzoek de zee. Zij is eenzaam. Zonder twijfel
zijn wij nog te dicht bij de kusten.

Ik zie naar boven. Waarom zouden niet sommige van die vogels, die
de onsterfelijke Cuvier weder heeft samengesteld, klapwieken in
die zware luchtlagen? De visschen zouden hun overvloed van voedsel
verschaffen. Ik sla den omtrek gade, maar de lucht is even onbewoond
als de oevers.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18