Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)
Toch sleept mijne verbeelding mij mede in de wonderbare
veronderstellingen van de leer der voorwereldlijke organische
wezens. Wakende droom ik. Ik meen op de oppervlakte des waters die
verbazende Chersiten, die voorwereldlijke schildpadden, gelijk aan
drijvende eilandjes, te zien. Mij dunkt, dat ik op de verdonkerde
stranden de groote zoogdieren der eerste tijden zie rondloopen, het
Leptotherium, in de holen van Brazilie gevonden, het Mericotherium,
uit de bevrozen streken van Siberie gekomen. Verderop schuilt het
dikhuidige Lophiodon, die reusachtige tapir, achter de rotsen, gereed
om het Anoplotherium zijn prooi te betwisten, een vreemd dier, dat
iets heeft van den neushoorn, het paard, het nijlpaard en den kameel,
alsof de Schepper verscheiden dieren in een enkel had vereenigd. De
reusachtige Mastodont slingert zijn snuit en verbrijzelt met zijne
slagtanden de rotsen aan den oever, terwijl het Megatherium, stevig
op zijne verbazende pooten rustende, de aarde omwoelt en door zijn
gebrul de echo van het helder klinkende graniet wekt. Hooger op
beklimt de Protopitheek, de eerste aap, die op de oppervlakte der aarde
verscheen, de ongenaakbare toppen. Nog hooger zweeft de Pterodactylus
met gevleugelde handen als eene groote vledermuis op de samengeperste
lucht. In de bovenste lagen eindelijk ontvouwen de verbazende vogels,
sterker dan de casuaris, grooter dan de struis, hunne ontzaglijke
wieken en vliegen met den kop tegen den wand van het granietgewelf.
De geheele voorwereld herleeft weder in mijne verbeelding. Ik word
teruggevoerd naar de bijbelsche tijdperken der schepping, lang
voor het ontstaan van den mensch, toen de onvoltooide aarde nog niet
geschikt was om hem te ontvangen. Mijn droom loopt de verschijning der
bezielde wezens vooruit. De zoogdieren verdwijnen, dan de vogels, dan
de kruipende dieren der secundaire vorming, en eindelijk de visschen,
de schaaldieren, de weekdieren, de gelede dieren. De plantdieren uit
het overgangstijdperk keeren op hunne beurt tot het niet terug. Al
het leven der aarde trekt zich in mij samen en mijn hart alleen
klopt in deze ontvolkte wereld. Er zijn geene jaargetijden, geene
luchtstreken meer; de eigene warmte van den aardbol neemt onophoudelijk
toe en maakt die van het schitterende hemellichaam noodeloos. De
plantengroei breidt zich uit; ik dwaal als eene schim rond onder
de boomvormige varens, vertreed met mijne weifelende schreden den
regenboog-kleurigen mergel en den bonten zandsteen van den bodem;
ik leun tegen den stam der verbazende kegeldragers; ik leg mij neder
in de schaduw der Sphenophyllen, der Asterophyllen en der honderd
voet hooge Wolfsklauwen.
De eeuwen verloopen als dagen; ik ga weder terug in de reeks der
vormveranderingen van de aarde; de planten verdwijnen; de granietrotsen
verliezen hare hardheid; onder de werking eener sterkere warmte wordt
de vaste toestand door den vloeibaren vervangen; het water stroomt
naar de oppervlakte der aarde, het kookt, wordt luchtvormig; de dampen
omhullen de aarde, die langzamerhand slechts eene luchtmassa vormt, tot
roodgloeien gebracht, zoo groot als de zon en zoo schitterend als zij!
In het middelpunt van dat nevelachtige lichaam, dat veertien honderd
duizend maal grooter is dan de bol, dien het eens vormen zal,
word ik medegevoerd in het hemelruim; mijn lichaam wordt fijner,
wordt op zijne beurt luchtvormig en vermengt zich als een onweegbaar
stofje met die ontzettende dampen, die hunne vlammende baan in het
oneindige beschrijven!
Welk een droom! Waar voert hij mij heen? Mijne koortsige hand zet
de vreemde bijzonderheden van dien droom op het papier. Ik heb
alles vergeten, den professor, den gids, het vlot! Mijn verstand
is verbijsterd....
"Wat scheelt u?" vraagt mijn oom.
Ik staar hem met opene oogen aan zonder hem te zien.
"Pas op, Axel! gij zult in zee vallen!"
Te gelijk voel ik mij stevig aangrijpen door de hand van Hans. Zonder
hem zou ik mij onder de heerschappij van mijn droom in de golven
gestort hebben.
"Wordt hij krankzinnig?" roept de professor.
"Wat is er gaande?" zeg ik eindelijk weder bijkomende.
"Zijt gij ziek?"
"Neen! ik was een oogenblik buiten mijzelven, maar het is voorbij. Gaat
anders alles goed?"
"Ja! de wind is goed, de zee effen! wij vorderen snel, en als mijne
gissing mij niet bedriegt moeten wij weldra land vinden."
Op die woorden sta ik op, zie naar den gezichteinder; maar de waterlijn
en de wolkenlijn loopen nog altijd ineen.
HOOFDSTUK XXXIII
Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In
het ijzer gebeten.--zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De
plesiosaurus bezwijkt.
Zaturdag 15 Augustus.--De zee behoudt hare eentonige
eenvormigheid. Geen land in zicht. De gezichteinder schijnt oneindig
ver.
Mijn hoofd is nog zwaar door mijn akeligen droom.
Mijn oom heeft niet gedroomd, maar hij is knorrig; hij onderzoekt
met zijn kijker al de punten van den gezichteinder en slaat met een
teleurgesteld gelaat de armen over elkander.
Ik merk op, dat professor Lidenbrock op het punt is om weder de
ongeduldige man van vroeger te worden, en teeken het feit in mijn
journaal aan. Mijne gevaren en mijn lijden waren noodig geweest
om een vonkje menschlievendheid uit hem te voorschijn te roepen;
maar sedert mijne genezing komt zijn ware aard weder boven. En toch,
waarom zou hij zich weder boos maken? Wordt de reis niet voortgezet
onder de gunstigste omstandigheden? Loopt het vlot niet bijzonder snel?
"Gij schijnt ongerust, oom!" zeide ik, toen ik hem den kijker zoo
dikwijls aan de oogen zag brengen.
"Ongerust? Neen!"
"Ongeduldig dan?"
"Men zou het ten minste worden!"
"Toch loopen wij met eene snelheid...."
"Wat baat mij dat? De snelheid is niet te gering, maar de zee is
te groot!"
Ik herinner mij nu, dat de professor voor ons vertrek de lengte van
die onderaardsche zee op omtrent dertig uur gaans schatte. Nu hadden
wij reeds een driemaal langeren weg afgelegd, en nog vertoonden zich
de zuidelijke oevers niet.
"Wij dalen niet!" hervat de professor. "Dat alles is tijd verspillen
en bovendien ben ik zoo verre niet gekomen om een pleziertochtje te
doen op een vijver!"
Hij noemt dien overtocht een pleziertochtje en die zee een vijver!
"Maar", zeide ik, "daar wij den weg gevolgd hebben, dien Saknussemm
heeft aangewezen...."
"Dat is de vraag nog. Hebben wij dien weg gevolgd? Heeft Saknussemm dit
water aangetroffen? Is hij het overgestoken? Heeft die beek, welke wij
tot gids hebben genomen, ons niet geheel van den rechten weg geholpen?"
"In allen gevalle behoeft het ons niet te spijten, dat wij tot hier
toe gekomen zijn. Dit schouwspel is prachtig, en...."
"Wij komen niet om te zien. Ik heb mij een doel voorgesteld en dat
wil ik bereiken. Spreek mij dus niet van bewonderen."
Ik houd mij voor gewaarschuwd, en laat den professor begaan, die van
ongeduld op zijne lippen bijt.
Des avonds te zes uur vordert Hans zijn loon, en zijne drie
rijksdaalders worden hem toegeteld.
Zondag 16 Augustus.--Niets nieuws. Het zelfde weder. De wind schijnt
een weinig te willen aanwakkeren. Bij mijn ontwaken is mijn eerste werk
om de lichtsterkte te onderzoeken. Ik vrees altijd, dat het electrische
verschijnsel eerst mocht verduisteren en daarna uitgaan. Maar er
is niets van aan: de schaduw van het vlot teekent zich zuiver op de
oppervlakte der golven af.
Die zee is waarlijk eindeloos! Zij moet de breedte der Middellandsche
zee, misschien wel van den Atlantischen Oceaan hebben. Waarom niet?
Mijn oom peilt bij herhaling; hij maakt een der zwaarste breekijzers
vast aan het uiteinde van een touw, dat hij twee honderd vaam
viert. Geen grond. Wij hebben veel moeite om ons dieplood weder op
te halen.
Toen het breekijzer weder boven was gebracht, laat Hans mij op zijn
oppervlakte zeer duidelijke indruksels zien. Men zou zeggen, dat dit
stuk ijzer sterk geklemd is geweest tusschen twee harde lichamen.
Ik zie den jager aan.
"Taender!" zegt hij.
Ik begrijp hem niet. Ik wend mij naar mijn oom, die geheel in nadenken
verzonken is. Ik durf hem niet storen. Ik keer naar den IJslander
terug. Deze, den mond bij herhaling open- en toedoende, maakt mij
zijne bedoeling duidelijk.
"Tanden!" zeide ik ontsteld, terwijl ik de ijzeren staaf oplettender
beschouwde.
Ja! wel zijn het tanden, waarvan de afdruk in het metaal is
achtergebleven! De kaken, waarin zij staan, moeten eene verbazende
kracht bezitten! Is het een monster van de verdwenen soorten, dat
onder de diepe waterlaag zich beweegt, vraatzuchtiger dan de haai,
geduchter dan de walvisch? Ik kan mijne oogen niet afwenden, van
deze half doorgebeten staaf! Zal mijn droom van den vorigen nacht
werkelijkheid worden?
Die gedachten verontrusten mij den ganschen dag, en mijne verbeelding
komt nauwelijks eenigszins tot bedaren gedurende een slaap van
eenige uren.
Maandag 17 Augustus.--Ik doe mijn best om mij de bijzondere
eigenschappen van die voorwereldlijke dieren uit het secundaire
tijdperk te herinneren, die op de weekdieren, de schaaldieren en
de visschen volgende, de verschijning der zoogdieren op den aardbol
voorafgingen. De wereld behoorde toen aan de kruipende dieren. Die
monsters heerschten onbeperkt in de zeeen der Juragroep [13]. De natuur
had hun de volkomenste inrichting geschonken. Welk eene verbazende
kracht! De tegenwoordige hagedissoorten, waarvan de alligators of
krokodillen de grootste en geduchtste zijn, zijn slechts zwakke
nabootsingen van hunne vaderen uit de eerste eeuwen!
Ik sidder, omdat ik die monsters heb opgeroepen. Geen menschelijk
oog heeft ze ooit levend gezien. Zij verschenen op aarde duizend
eeuwen voor den mensch, maar hunne versteende beenderen, die men
teruggevonden heeft in den kleiachtigen kalksteen, dien de Engelschen
"lias" noemen, hebben ons in staat gesteld hen ontleedkundig samen
te stellen en hunne kolossale vorming te leeren kennen.
Ik heb in het Museum te Hamburg het geraamte gezien van eene
dier hagedissoorten, dat dertig voet lang was. Ben ik, een
bewoner der aarde, dan voorbeschikt om mij vlak tegenover die
vertegenwoordigers eener voorwereldlijke familie te bevinden? Neen! het
is onmogelijk. Toch staat het merk der sterke tanden op de ijzeren
staaf, en aan hun afdruksel zie ik, dat zij kegelvormig zijn gelijk
die van den krokodil.
Angstig vestigen mijne blikken zich op de zee; ik vrees een van die
bewoners der onderzeesche holen boven te zien komen.
Ik veronderstel, dat professor Lidenbrock mijne gedachten, misschien
wel mijne vrees deelt, want na het breekijzer onderzocht te hebben
ziet hij rond over den oceaan.
"Naar den duivel," zeide ik in mijzelven, "met die gedachte, waarop
hij gekomen is, om te peilen! Hij heeft het een of andere zeedier in
zijne schuilplaats gestoord, en als wij niet onder weg aangevallen
worden!..."
Ik sla een blik op de wapens en verzeker mij, dat zij in goeden staat
zijn. Mijn oom ziet, wat ik doe, en maakt eene goedkeurende beweging.
Reeds verraden geweldige golvingen van de oppervlakte der baren de
onrust der dieper liggende lagen. Het gevaar is nabij. Wij moeten op
onze hoede zijn.
Dinsdag 18 Augustus.--Het wordt avond, of liever het oogenblik komt,
waarop de slaap onze oogleden bezwaart; want het wordt nooit nacht
op dezen oceaan en het onverzoenlijke licht vermoeit hardnekkig onze
oogen, alsof wij onder de zon der poolzeeen voeren. Hans staat aan
het roer. Gedurende zijne wacht slaap ik in.
Twee uur later doet een vreeselijke schok mij ontwaken. Het vlot is
met eene onbeschrijfelijke kracht opgeheven en twintig vadem verder
nedergeworpen geworden.
"Wat is er gaande?" roept mijn oom; "hebben wij gestooten?"
Hans wijst met den vinger op een afstand van twee honderd vadem eene
zwartachtige massa, die beurtelings rijst en daalt. Ik bezie haar en
roep uit:
"Het is een kolossale bruinvisch!"
"Ja!" antwoordt mijn oom; "en ziedaar ook een buitengewoon groote
zeedraak!"
"En verder een monsterachtige krokodil! Zie zijn breeden muilen de
rijen tanden, waarmede deze gewapend is. Ha! hij verdwijnt!"
"Een walvisch! een walvisch!" roept de professor. "Ik merk zijne
ontzaglijke vinnen! Zie, wat al lucht en water hij uit zijne neusgaten
spuit!"
Inderdaad verheffen zich twee vloeibare zuilen op eene aanmerkelijke
hoogte boven de zee. Wij staan verbaasd, ontsteld, beangst tegenover
deze troep zeemonsters. Zij hebben bovennatuurlijke afmetingen en
het kleinste hunner zou het vlot met een beet verbrijzelen. Hans
wil te loefwaart afhouden, om die gevaarlijke buren te ontwijken;
maar hij bemerkt aan de andere zijde niet minder geduchte vijanden:
eene veertig voet groote schildpad en eene slang van dertig voet,
die haar geduchten kop boven de golven uitsteekt.
Het is onmogelijk om te vluchten. Die kruipende dieren naderen;
zij draaien rondom het vlot met eene vaart, die een sneltrein niet
zou kunnen evenaren; zij beschrijven om hetzelve evenmiddelpuntige
cirkels. Ik heb mijne karabijn gegrepen. Maar welke uitwerking kan
een kogel hebben op de schubben, waarmede het lichaam dezer dieren
bedekt is.
Wij zijn stom van angst. Daar naderen zij! Van den eenen kant de
krokodil, van den anderen de slang. De overigen zijn verdwenen. Ik wil
vuur geven. Hans houdt mij door een teeken tegen. De twee monsters gaan
het vlot op vijftig vadem afstands voorbij, storten zich op elkander,
en hunne woede belet hun ons te bemerken.
Het gevecht begint op een afstand van honderd vadem van het vlot. Wij
zien de beide monsters duidelijk handgemeen worden.
Maar het schijnt mij toe, dat de andere dieren, de bruinvisch, de
walvisch, de zeedraak, de schildpad, nu ook deel komen nemen aan
de worsteling; ieder oogenblik meen ik hen te zien. Ik wijs ze den
IJslander. Deze schudt ontkennend het hoofd.
"Tva!" zegt hij.
"Hoe! twee? Hij beweert, dat slechts twee dieren...."
"Hij heeft gelijk," roept mijn oom, die den kijker niet van zijne
oogen heeft weggenomen.
"Nu nog fraaier!"
"Ja! het eerste dezer monsters heeft den bek van een bruinvisch,
den kop van een zeedraak, de tanden van een krokodil en dat heeft
ons bedrogen. Het is het vreeselijkste der voorwereldlijke kruipende
dieren, de ichthyosaurus!"
"En het andere?"
"Het andere is eene slang, verborgen in de schaal eener schildpad,
de verschrikkelijke vijandin van den eerste, de plesiosaurus!" Hans
heeft de waarheid gesproken. Slechts twee monsters beroeren zoo de
oppervlakte der zee en ik heb twee kruipende dieren der oorspronkelijke
zeeen voor mij. Ik bemerk het bloedige oog van den ichthyosaurus,
dat zoo groot is als een menschenhoofd. De natuur heeft hem een
buitengewoon sterken gezichtstoestel geschonken, die in staat is om de
drukking der waterlagen in de diepte die hij bewoont, te weerstaan. Men
heeft hem terecht den walvisch der hagedissoorten genoemd, want hij
heeft zijne snelheid en gedaante. Deze meet niet minder dan honderd
voet, en ik kan over zijne grootte oordeelen, als hij zijne loodrechte
staartvinnen boven de golven uitsteekt. Zijn kaak is ontzettend groot,
en volgens de natuurkundigen bevat zij niet minder dan honderd twee
en tachtig tanden.
De plesiosaurus, eene slang met een rolrond lichaam en korten staart,
heeft pooten in de gedaante van roeiriemen. Haar geheele lichaam is
met eene schaal bedek, en haar hals, even buigzaam als die der zwaan,
steekt dertig voet boven de golven uit.
Deze dieren tasten elkander met eene onbeschrijfelijke woede
aan. Zij doen vloeibare bergen oprijzen, die zich tot het vlot toe
uitbreiden. Twintigmaal zijn wij op het punt van om te slaan. Een
ontzettend schel gefluit doet zich hooren. De twee dieren hebben
zich in elkander geslingerd. Ik kan het eene niet van het andere
onderscheiden! Alles hebben wij te vreezen van de woede des
overwinnaars.
Een, twee uren verloopen. De worsteling wordt met dezelfde razernij
voortgezet. De strijdenden naderen en verlaten beurtelings het
vlot. Wij blijven onbeweeglijk, maar houden ons gereed om te vuren.
Plotseling verdwijnen de ichthyosaurus en de plesiosaurus, en vormen
een echten maalstroom in den schoot der golven. Verscheidene minuten
verloopen. Zal het gevecht ten einde gebracht worden in de diepten
der zee?
Maar eensklaps komt een ontzaglijke kop, die van den plesiosaurus,
boven water. Het monster is doodelijk gekwetst. Ik bemerk zijne
verbazende schaal niet meer. Zijn lange hals alleen richt zich
overeind, zakt, verheft zich weder, kromt zich nogmaals, drijft op de
golven als eene reusachtige zweep en wringt zich als een doorgesneden
worm. Het water spat tot op een aanzienlijken afstand. Het verblindt
ons. Maar spoedig eindigt de doodsangst van het kruipende dier, zijne
bewegingen verminderen, zijne stuiptrekkingen bedaren, en het lange
lijf der slang strekt zich als eene levenlooze massa op de tot rust
gekomene golven uit.
Maar de ichthyosaurus, heeft hij zijn onderzeesch hol weder
opgegezocht, of zal hij nog eens aan de oppervlakte der zee
verschijnen?
HOOFDSTUK XXXIV
Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser.
Woensdag 19 Augustus.--Gelukkig heeft de hevige wind ons in staat
gesteld om snel het tooneel van den strijd te ontvluchten. Hans staat
nog altijd aan het roer. Mijn oom, die door de wisselingen van dien
strijd uit zijne alles overheerschende overpeinzingen was wakker
geschud, vervalt weder in zijne ongeduldige beschouwing van de zee.
De reis wordt weder even eentonig als te voren, hetgeen ik niet meer
verlang te zien afbreken ten koste van de gevaren van gisteren.
Donderdag 20 Augustus.--Een vrij onbestendige
noord-noordwestenwind. Warm weder. Wij vorderen drie en een halve
mijl per uur.
Tegen den middag doet zich in de verte een geraas hooren. Ik stip
hier het feit aan zonder er eene verklaring van te kunnen geven. Het
is een aanhoudend geloei.
"De zee breekt in de verte op eene rots of een eilandje," zegt de
professor.
Hans klautert in den top van den mast, maar seint geene klip. De
oceaan is effen tot aan den gezichteinder.
Drie uren verloopen. Het geloei schijnt voort te komen van een
verwijderden waterval.
Ik maak er mijn oom opmerkzaam op, die het hoofd schudt. Toch ben
ik overtuigd, dat ik mij niet bedrieg. Loopen wij dan een waterval
in den mond, die ons in den afgrond zal storten? Het is mogelijk,
dat die manier van te dalen den professor zal bevallen, omdat zij
dichter bij het loodrechte komt; maar ik voor mij....
In allen gevalle moet er eenige uren verder onder den wind een
geraasmakend natuurverschijnsel plaats hebben, want het geloei laat
zich nu met groote hevigheid hooren. Komt het uit de lucht of uit
den oceaan?
Ik wend mijne blikken naar de in den dampkring zwevende dampen, en
tracht hunne hoogte te peilen. De lucht is stil; de wolken, die naar
het hoogste punt van het gewelf worden gevoerd, schijnen onbeweeglijk
en verliezen zich in de sterke stralenschieting van het licht. Dus
moet ik de oorzaak van het verschijnsel ergens anders zoeken.
Ik onderzoek nu den zuiveren en onbenevelden gezichteinder. Zijn
voorkomen is niet veranderd. Maar als dat geraas voortkomt uit een
val, een waterval; als deze geheele oceaan in een lager bekken stort;
als dat geloei wordt voortgebracht door eene vallende watermassa,
dan moet de stroom versnellen en zijne toenemende snelheid kan mij
eene maat aangeven van het gevaar, dat ons bedreigt. Ik onderzoek de
stroomsnelheid. Zij is gelijk nul. Eene ledige flesch die ik in zee
werpt, blijft onder den wind.
Tegen vier uur staat Hans op, klemt zich aan den mast en klautert naar
den top. Vandaar doorloopt zijn oog den cirkelboog, dien de oceaan voor
het vlot beschrijft, en blijft op een punt rusten. Zijn gelaat drukt
geene verrassing uit, maar zijn oog blijft in dezelfde richting staren.
"Hij heeft iets gezien," zegt mijn oom.
"Ik geloof het ook."
Hans komt weder beneden, strekt den arm naar het zuiden uit en zegt
"Dernere!"
"Ginds!" antwoordt mijn oom.
En zijn kijker nemende, ziet hij oplettend eene minuut, die mij wel
eene eeuw toescheen, voor zich uit en roept:
"Ja, ja!"
"Wat ziet gij?"
"Eene verbazende waterzuil, die zich boven de golven verheft."
"Weder het eene of andere zeedier?"
"Misschien."
"Laten wij dan den steven naar het westen wenden, want wij hebben
reeds kennis gemaakt met het gevaar van die voorwereldlijke monsters
te ontmoeten!"
"Wij zullen niet van koers veranderen," antwoordt mijn oom.
Ik wend mij naar Hans. Deze bestuurt het roer met vaste hand.
En toch moet het, als wij op den afstand, die ons van dit dier
scheidt en dien wij gerust op twaalf uur gaans kunnen schatten, de
waterzuil kunnen zien, die het uit zijne neusgaten spuit, van eene
bovennatuurlijke grootte zijn.
Vluchten zou dus niets anders zijn dan zich gedragen volgens de wetten
der meest gewone voorzichtigheid. Maar wij zijn niet hier gekomen om
voorzichtig te zijn.
Wij gaan dus vooruit. Hoe dichterbij wij komen, hoe grooter de zuil
wordt. Welk monster kan zich met zulk eene hoeveelheid water opvullen
en het zoo zonder tusschenpoozen uitblazen?
Te acht uur des avonds zijn wij er geene twee uur gaans meer van
af. Zijn zwartachtig, ontzaglijk en heuvelachtig lichaam strekt zich
als een eilandje in zee uit. Is het verbeelding? is het angst? Zijne
lengte schijnt mij toe meer dan duizend vadem te bedragen. Wat is dat
dan voor een walvischaardig dier, welks bestaan de Cuviers noch de
Blumenbachs hebben kunnen vermoeden? Het is onbeweeglijk en schijnt te
slapen; de zee schijnt het niet te kunnen optillen en de baren golven
langs zijne zijden. De waterzuil, die vijfhonderd voet hoog opgeworpen
wordt, valt weder met een oorverdoovend geraas als regen neder. Wij
houden als krankzinnigen op dien ontzaglijken klomp aan, dien honderd
walvisschen ook slechts voor een dag niet zouden verzadigen.
De schrik bevangt mij. Ik wil niet verder gaan. Ik zal, als het
noodig is, den val van het zeil doorsnijden! Ik verzet mij tegen den
professor, die mij geen antwoord geeft.
Eensklaps staat Hans op, en met den vinger het dreigende punt
aanwijzende, zegt hij:
"Holme!"
"Een eiland!" roept mijn oom.
"Een eiland!" zeg ik, op mijne beurt de schouders ophalende.
"Zeker!" antwoordt de professor schaterende van lachen.
"Maar die waterzuil?"
"Geyser", zegt Hans.
"Zonder twijfel, een geyser", antwoordt mijn oom, "een geyser gelijk
aan dien op IJsland!" [14].
Ik wilde eerst niet toegeven, dat ik mij zoo lomp vergist had. Een
eilandje aangezien te hebben voor een zeemonster! Maar het wordt
duidelijk, dat het zoo is, en ik moet eindelijk mijne dwaling
erkennen. Het was slechts een gewoon verschijnsel.
Naarmate wij naderen, worden de afmetingen der waterzuil
grootscher. Het eilandje stelt met eene bedrieglijke juistheid een
walvischaardig dier voor, welks kop tien vadem boven de golven
uitsteekt. De geyser, een woord, dat "woede" beteekent, verheft
zich statig aan het uiteinde. Van tijd tot tijd hebben er doffe
ontploffingen plaats, en de verbazende waterstraal, door hevigen
toorn aangegrepen, schudt zijn vederbos van dampen en stijgt tot de
eerste wolkenlaag. Hij staat op zich zelven. Zwaveldampen noch heete
bronnen omringen hem, en al de vulkanische kracht vereenigt zich
in hem. De stralen van het electrische licht vermengen zich met die
verblindende waterzuil, waarvan elke droppel geschakeerd wordt met
de prismatische kleuren.
"Aan wal gaan!" beval de professor.
Maar wij moeten zorgvuldig die waterhoos vermijden, die het vlot in
een oogenblik zou doen zinken. Behendig sturende brengt Hans ons aan
het uiteinde van het eilandje.
Ik spring op de rots; mijn oom volgt mij gezwind, terwijl de jager op
zijn post blijft, als iemand die boven zulke verwondering verheven is.
De bodem bestaat uit graniet vermengd met kiezelachtigen tufsteen;
hij beeft onder onze voeten, gelijk de wanden van een stoomketel,
waartegen oververhitte stoom bonst; hij is brandend heet. Wij komen
in het gezicht van een klein bekken in het midden, waaruit de geyser
zich verheft. Ik dompel een thermometer in het kokende water, die
eene hitte van honderd drie en zestig graad teekent.
Dit water komt dus uit een vuurhaard. Dat is lijnrecht in strijd
met de theorien van professor Lidenbrock. Ik kan niet nalaten het op
te merken.
"Welnu!" antwoordt hij, "wat bewijst dit tegen mijne leer?"
"Niets!" zeg ik op een drogen toon, ziende dat ik stoot op eene
ongeneeslijke stijfhoofdigheid.
Niettemin moet ik bekennen, dat wij tot nu toe buitengewoon begunstigd
zijn, en dat deze reis, door eene mij onbekende oorzaak, volbracht
wordt onder bijzondere warmtetoestanden; maar het is, dunkt mij,
stellig zeker dat wij vroeger of later in die streken zullen komen,
waar de inwendige warmte de uiterste grenzen bereikt en alle
graadverdeelingen der thermometers overtreft.
"Wij zullen wel zien." Zoo sprak de professor, die, na dit vulkanische
eilandje naar zijn neef genoemd te hebben, het sein geeft om ons
weder in te schepen.
Ik blijf nog eenige minuten den geyser beschouwen. Ik merk op, dat de
toevoer van zijn straal onregelmatig is, dat hij somtijds in kracht
vermindert, dan weder nieuwe sterkte krijgt, hetgeen ik toeschrijf
aan het verschil in drukking van de dampen, die in zijn vergaderbak
opgehoopt zijn.