Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)
Eindelijk vertrekken wij, en varen om de zeer steile rotsen aan de
zuidzijde. Hans heeft van dit oponthoud gebruik gemaakt om het vlot
te herstellen.
Maar voor wij van land staken, doe ik eenige waarnemingen om den
afgelegden afstand te berekenen, en teeken ze aan in mijn journaal. Wij
hebben twee honderd zeventien zeemijlen van Graeubenhaven af doorloopen,
en bevinden ons zes honderd twintig uur gaans van IJsland af,
onder Engeland.
HOOFDSTUK XXXV
Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking
der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische
kogel.--Altijd op zee.
Vrijdag 21 Augustus.--Den volgenden dag is de prachtige geyser
verdwenen. De wind is opgestoken en heeft ons snel van het eilandje
Axel afgedreven. Het geloei heeft langzamerhand opgehouden.
Het weder zal, als ik het zoo eens mag uitdrukken, binnen kort
veranderen. De dampkring wordt bezwangerd met dampen, die de
electriciteit medevoeren, welke ontstaan is uit de verdamping van
het zoute water; de wolken dalen merkbaar en nemen eene gelijke
olijfkleurige tint aan; de electrische lichtstralen kunnen nauwelijks
door die ondoorschijnende gordijn heenboren, die neergelaten is voor
het tooneel, waarop het treurspel der stormen zal gespeeld worden.
Ik gevoel mij bijzonder ernstig gestemd, zooals op aarde ieder
schepsel is bij de nadering eener omkeering. De in het zuiden
opgehoopte stapelwolken leveren een droevig gezicht op; zij hebben
dat "onmeedoogende" voorkomen, dat ik dikwijls opgemerkt heb bij de
nadering der stormen. De lucht is drukkend, de zee kalm.
In de verte gelijken de wolken op groote katoenbalen in eene
schilderachtige wanorde opeengestapeld; allengs zwellen zij op en
verliezen in aantal wat zij in omvang winnen; zij zijn zoo zwaar, dat
zij zich niet van den gezichteinder los kunnen maken: maar op den adem
der hooge luchtstroomingen vermengen zij zich langzamerhand, worden
donker en vertoonen weldra slechts eene laag van een geducht aanzien;
somtijds springt een kluwen van dampen, nog eenigszins verlicht,
over dat grauwe tapijt en verdwijnt weldra in de ondoorzichtige massa.
Het is stellig, dat de dampkring verzadigd is met electriciteit; ik
ben er geheel van doortrokken, mijne haren richten zich overeind als
in de nabijheid eener electriseermachine. Mij dunkt dat mijne makkers,
zoo zij mij thans aanraakten, een geweldigen schok zouden ondervinden.
Des morgens te tien uur zijn de voorteekenen van den storm nog
beslissender; men zou zeggen, dat de wind gaat liggen, om beter adem
te scheppen; de wolk gelijkt op een verbazenden zak, waarin de orkanen
opgezameld worden.
Ik wil geen geloof hechten aan de bedreigingen des hemels, en toch
kan ik niet nalaten te zeggen:
"Daar is slecht weder in aantocht."
De professor antwoordde niet. Hij heeft een onuitstaanbaar humeur,
omdat hij den oceaan zich eindeloos ver voor zich ziet uitstrekken. Hij
haalt op mijne woorden de schouders op.
"Wij krijgen storm", zeg ik, de hand naar den gezichteinder
uitstekende; "die wolken dalen op de zee neder als om haar te
verpletteren!"
Algemeene stilte. De wind zwijgt. De natuur ziet er uit als een doode
en ademt niet meer. Het slappe zeil valt in groote plooien tegen den
mast, waarop ik reeds een klein Sint-Elmusvuur zie schitteren. Het
vlot ligt onbeweeglijk in eene dikke zee zonder golfslag. Maar, als
wij toch niet vorderen, waartoe moeten wij dan dat zeil behouden,
dat ons bij den eersten schok van den storm in het verderf kan storten?
"Wij moesten het zeil strijken," zeg ik, "en onzen mast kappen:
dat zou voorzichtig zijn."
"Neen, voor den duivel!" roept mijn oom, "honderd maal neen! Laat
de wind ons aangrijpen, de storm ons medevoeren! maar laat ik toch
eindelijk de rotsen van den oever zien, al moest ons vlot er in
duizend stukken op verbrijzeld worden!"
Die woorden zijn nog niet gesproken, of de gezichteinder verandert in
het zuiden eensklaps van aanzien; de opeengehoopte dampen lossen zich
op in water, en de lucht, die met kracht toesnelt om de ledige plaatsen
door de verdichting ontstaan te vullen, wordt een orkaan. Hij komt
uit de verste hoeken van het hol. De duisternis neemt toe. Nauwelijks
kan ik eenige onvolledige aanteekeningen maken.
Het vlot wordt opgelicht en geslingerd. Mijn oom wordt van zijne
plaats afgeworpen. Ik sleep mij naar hem toe. Hij heeft zich stevig
vastgeklemd aan een kabeltouw en schijnt met genoegen dat schouwspel
der losgelaten elementen te aanschouwen.
Hans beweegt zich niet. Zijne lange haren, door den orkaan opgewaaid
en op zijn onbeweeglijk gelaat nedervallende, geven hem een
vreemd voorkomen; want hunne uiteinden zijn bedekt met lichtgevende
electrische straalbundels; zijn schrik inboezemend aangezicht is dat
van een voorwereldlijken mensch, den tijdgenoot der ichthyosaurien
en megatheriums.
Toch houdt de mast zich goed. Het zeil wordt gespannen als eene blaas,
die op het punt is van te bersten. Het vlot drijft voort met eene drift
die ik niet schatten kan, maar toch minder snel dan de waterdroppels,
die er onder verplaatst worden en zuivere rechte lijnen beschrijven.
"Het zeil! het zeil!" zeg ik, een teeken gevende om het te strijken.
"Neen!" antwoordt mijn oom.
"Nej!" zegt Hans, zachtjes het hoofd schuddende. Intusschen vormt
de regen een bruisenden waterval voor den gezichteinder, waarop
wij als zinneloozen aanhouden. Maar voor hij ons bereikt, scheurt de
wolkensluier, de zee begint te koken, en de electriciteit voortgebracht
door eene sterke scheikundige werking, die in de bovenste lagen plaats
heeft, komt in het spel.
Schitterende bliksemstralen vermengen zich met de donderslagen;
tallooze weerlichten kruisen elkander te midden van de losbarstingen;
de dampenmassa wordt witgloeiend, de hagelsteenen, die het metaal onzer
gereedschappen en wapenen treffen, worden lichtgevend; de hooge golven
schijnen zoovele vuurspuwende heuvelen te zijn, waaronder een inwendig
vuur blaakt en waarvan iedere top een vederbos van vlammen draagt.
Mijn oogen zijn verblind door de sterkte van het licht, mijn ooren
verdoofd door het geraas van den donder; ik moet mij aan den mast
vasthouden, die buigt als een riet onder het geweld van den orkaan....
-- -- --
(Hier werden mijn aanteekeningen zeer onvolledig. Ik heb nog slechts
eenige vluchtige, om zoo te zeggen werktuiglijk gedane waarnemingen
teruggevonden. Maar door hare kortheid zelfs, dragen zij den stempel
van de ontroering, die mij beheerschte, en beter dan mijn geheugen
geven zij mij een besef van onzen toestand.)
-- -- --
Zondag 23 Augustus.--Waar zijn wij? Waarheen zijn wij met een
onmeetbare snelheid gevoerd?
De nacht is vreeselijk geweest. De storm bedaart niet. Wij leven te
midden van geraas en onophoudelijke losbarstingen. Het bloed komt
uit onze ooren. Wij kunnen geen woord wisselen.
Het weerlicht is niet van den hemel. Ik zie terugkeerende
zigzag-lijnen, die na eene snelle vaart weder van beneden naar boven
gaan en het granietgewelf treffen. Als het eens instortte! Andere
bliksemstralen verdeelen zich of nemen den vorm van vuurbollen aan,
die als bommen springen. Het algemeene geraas schijnt er niet door
te vermeerderen; het heeft de grens van sterkte, die het menschelijk
oor kan waarnemen, overschreden, en als alle buskruitmagazijnen der
wereld te gelijk sprongen, "zouden wij er niets van kunnen hooren."
Er heeft eene gestadige uitvloeiing van licht aan de oppervlakte der
wolken plaats; de electrische stof maakt zich onophoudelijk uit hare
deeltjes los; ontelbare waterzuilen verheffen zich in den dampkring
en vallen schuimende neder.
Waar gaan wij heen?... Mijn oom ligt zoo lang hij is op het uiteinde
van het vlot.
De warmte neemt toe. Ik zie op den thermometer; hij wijst ... (Het
cijfer is uitgewischt.)
Maandag 24 Augustus.--Zal het dan nooit ophouden? Waarom zou de
toestand van dezen zoo dichten dampkring, eens gewijzigd zijnde,
niet bestendig zijn?
Wij zijn uitgeput van vermoeienis. Hans blijft dezelfde. Het vlot
drijft onveranderlijk naar het zuidoosten.Wij zijn reeds meer dan
twee honderd uur gaans van het eilandje Axel verwijderd.
Tegen den middag verdubbelt de hevigheid van den orkaan; wij moeten
al de voorwerpen der lading stevig vastmaken. Wij sjorren ons ook
vast. De golven slaan over ons hoofd.
Drie dagen lang is het onmogelijk een woord met elkander te
spreken. Wij openen den mond, bewegen onze lippen, maar kunnen geen
verstaanbaar geluid voortbrengen. Zelfs al brengen wij den mond aan
elkanders oor, kunnen wij elkaar nog niet verstaan.
Mijn oom is dichter bij mij gekomen. Hij heeft eenige woorden geuit. Ik
geloof, dat hij gezegd heelt: "Wij zijn verloren!" maar ik ben er
niet zeker van.
Ik kom op den inval om deze woorden te schrijven: "Laten wij het
zeil strijken."
Hij geeft mij een teeken van toestemming.
Hij heeft nog den tijd niet gehad om zijn hoofd op te lichten, of
eene vurige schijf verschijnt op den rand van het vlot. De mast
en het zeil worden te gelijk weggeslagen, en ik heb ze tot eene
verbazende hoogte zien slingeren, gelijk aan den pterodactylus,
dien spookachtigen vogel uit de allereerste tijden.
Wij zijn verstijfd van schrik; de half witte, half blauwe bol, zoo
groot als eene bom van tien duim, rolt langzaam voort en draait met
eene verbazende snelheid rond onder den stoot van den orkaan. Hij
komt hier, daar, stijgt op een der balken van het vlot; springt
over op den zak met levensmiddelen, daalt weder, springt op, gaat
strijkelings langs de kruitkist. O schrik! Wij zullen in de lucht
springen! Neen. De verblindende schijf verwijdert zich, zij nadert
Hans, die haar rustig aanziet; mijn oom, die nederknielt om haar te
ontwijken; mij, die verbleek en ril onder den glans van het licht
en de warmte; zij draait rond bij mijn voet, dien ik tracht terug te
trekken. Het mag mij niet gelukken.
De lucht van salpeterig gas vervult den dampkring; zij dringt in de
keel, de longen. Wij stikken.
Waarom kan ik mijn voet niet terugtrekken? Is hij misschien aan het
vlot vastgeklonken! ach! de val van den electrischen kogel heeft al het
ijzer aan boord magnetisch gemaakt; de werktuigen, de gereedschappen,
de wapenen raken in beweging en rammelen met een schel geluid tegen
elkander; de spijkers mijner schoenen houden stevig vast aan eene
ijzeren plaat, die in het hout zit. Ik kan mijn voet niet terugtrekken!
Door eene geweldige, krachtsinspanning ruk ik hem eindelijk los, op
het oogenblik dat de bal hem in zijne ronddraaiende beweging grijpen
en mijzelven medeslepen zou, indien ...
O! welk een fel licht! de bol springt! wij zijn met vonken vuur bedekt!
Vervolgens wordt alles uitgedoofd. Ik heb even den tijd gehad om
te zien, dat mijn oom op het vlot ligt uitgestrekt, dat Hans, die
nog altijd aan het roer staat, "vuur spuwt" onder den invloed der
electriciteit, die hem doordringt!
Waar gaan wij heen? waar gaan wij heen?
-- -- --
Dinsdag 25 Augustus.--Ik kom bij, uit eene langdurige bezwijming;
de bliksemstralen worden ontketend gelijk een broedsel slangen,
die in den dampkring geslingerd worden.
Zijn wij nog altijd op zee? Ja, en wij worden met eene onberekenbare
snelheid medegevoerd. Wij zijn onder Engeland, het Kanaal, Frankrijk,
onder geheel Europa misschien doorgegaan!
-- -- --
Een nieuw geraas doet zich hooren! Het is zeker de zee, die op de
rotsen breekt!... Maar dan....
-- -- --
HOOFDSTUK XXXVI
Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de
terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne
collega's.--Op welke hoogte?
Hier eindigt, wat ik het "reisjournaal" heb genoemd, dat ik gelukkig
uit de schipbreuk heb gered. Ik vat den draad van mijn verhaal
weder op.
Ik kan niet zeggen wat er voorviel, toen het vlot stiet tegen de
klippen der kust. Ik voelde, dat ik in de golven stortte, en dat ik
aan den dood ontkwam, dat mijn lichaam niet verbrijzeld werd tegen
de scherpe rotsen, had ik alleen te danken aan den gespierden arm
van Hans, die mij uit den afgrond redde.
De moedige IJslander bracht mij buiten het bereik der golven op
brandend heet zand, waar ik naast mijn oom lag.
Daarna keerde hij naar die rotsen terug, waartegen de woedende golven
beukten, om eenige overblijfselen uit de schipbreuk te redden. Ik
kon niet spreken; ik was afgemat door aandoeningen en vermoeienis;
ik had ruim een uur noodig om wat te herstellen.
Intusschen viel er bij voortduring een zware stortregen met die
hevigheid, die het einde der stormen aankondigt. Eenige opeengestapelde
rotsblokken boden ons eene schuilplaats aan tegen de plasregens. Hans
bereidde spijzen, die ik niet kon aanraken, en wij allen vielen,
door drie slapelooze nachten uitgeput, in een onrustigen slaap.
Den volgenden dag was het prachtig weder. Elk spoor van den storm
was verdwenen. De opgeruimde woorden van den professor begroetten
mij bij mijn ontwaken. Hij was vreeselijk vroolijk.
"Hoe is het, mijn jongen!" riep hij, "hebt gij goed geslapen?"
Zou men niet gezegd hebben, dat wij in het huis in de Koningstraat
waren, dat ik bedaard beneden kwam om te ontbijten en dat mijn huwelijk
met de arme Graeuben dienzelfden dag voltrokken zou worden?
Helaas! als de storm het vlot maar een weinig oostelijk had geslagen,
dan zouden wij onder Duitschland, onder mijne geliefde stad Hamburg,
onder die straat, waarin alles woonde, wat ik het liefste op aarde
had, doorgegaan zijn. Nu scheidden mij er nauwelijks veertig uur
gaans van! Maar eene veertig uur lange loodlijn van graniet, hetgeen
inderdaad op een afstand van meer dan duizend uur gaans nederkwam!
Al die smartelijke overdenkingen doorkruisten snel mijn hoofd, voor
ik de vraag van mijn oom beantwoordde.
"Hoe is het!" herhaalde hij, "wilt gij niet zeggen, of gij goed
geslapen hebt?"
"Zeer goed!" antwoordde ik, "ik ben nog wel zeer afgemat, maar dat
zal wel terecht komen."
"Wel zeker! het is slechts vermoeidheid, anders niet."
"Maar mij dunkt, dat gij dezen morgen bijzonder vroolijk zijt, oom!"
"Ik ben in de wolken, mijn jongen! Wij zijn er!"
"Aan het einde van onzen tocht?"
"Neen, maar aan het einde van die zee, die niet scheen te eindigen. Wij
zullen nu weder over land gaan en inderdaad in de ingewanden der
aarde afdalen."
"Oom! veroorloof mij eene vraag."
"Met genoegen, Axel!"
"En de terugreis?"
"De terugreis! denkt gij reeds aan de terugreis, terwijl wij nog niet
eens aangekomen zijn?"
"Neen, ik wilde alleen vragen, hoe wij die zullen bewerkstelligen."
"Op de eenvoudigste manier van de wereld. Als wij eerst maar in
het middelpunt van den bol gekomen zijn, zullen wij of een nieuwen
weg vinden om weder aan de oppervlakte te komen, of wij zullen heel
bedaard langs denzelfden weg terugkeeren. Ik vertrouw, dat hij zich
niet achter ons sluiten zal."
"Dan moet het vlot weder in orde gebracht worden."
"Dat spreekt van zelf."
"Maar zijn er genoeg levensmiddelen over om al die groote plannen
te volbrengen?"
"Ja, zeker! Hans is een knappe kerel, en ik ben zeker, dat hij het
grootste gedeelte van de lading gered heeft. Wij zullen het echter
eens gaan onderzoeken."
Wij verlieten deze grot, die voor alle winden open lag. Ik koesterde
eene hoop, die tegelijk eene vrees was; het was, dacht mij, onmogelijk,
dat de verschrikkelijke stranding van het vlot niet alles vernietigd
zou hebben, wat er op was. Ik bedroog mij. Op den oever komende,
zag ik Hans onder eene menigte ordelijk gerangschikte voorwerpen
staan. Mijn oom drukte hem de hand met een levendig gevoel van
erkentelijkheid. Die man, wiens bovenmenschelijke zelfopoffering
bijna zonder voorbeeld was, had gewerkt terwijl wij sliepen, en met
levensgevaar de kostbaarste voorwerpen gered.
Wel hadden wij vrij gevoelige verliezen geleden, onze wapens o.a.,
maar wij konden ze missen. De voorraad kruit was onbeschadigd gebleven,
nadat het gedurende den storm bijna in de lucht was gesprongen.
"Welnu!" riep de professor, "als de geweren ons ontbreken, zijn wij
vrij van jagen."
"Goed; maar de werktuigen!"
"Hier is de luchtdichtheidsmeter, het nuttigste van alle, en waarvoor
ik de andere gaarne missen wil! Met dit werktuig kan ik de diepte
berekenen en weten, wanneer wij het middelpunt bereikt hebben. Zonder
hetzelve zouden wij gevaar loopen er voorbij te gaan en bij de
tegenvoeters uit te komen."
Die scherts was wreed.
"Maar het kompas?" vraagde ik.
"Hier ligt het op deze rots, in volmaakte orde, evenals de thermometers
en de tijdmeter. O! die jager is een onwaardeerbaar man!"
Ik moest erkennen, dat er op het punt van de werktuigen niets
ontbrak. Wat de gereedschappen betreft, zag ik op het zand ladders,
touwen, breekijzers, houweelen enz. verstrooid liggen.
Toch moest de zaak van de levensmiddelen nog opgehelderd worden.
"En de voorraad?" zeide ik.
"Dien zullen wij ook eens nazien," antwoordde mijn oom.
De kisten, die hem bevatten, lagen in eene lijn op het strand in
een ongeschonden staat; de zee had ze grootendeels gespaard, en aan
beschuit, gezouten vleesch, jenever en gedroogden visch konden wij
nog op vier maanden levensmiddelen rekenen.
"Vier maanden!" riep de professor; "dan hebben wij tijd om te gaan
en terug te komen, en van het overschot wil ik een grooten maaltijd
aanrichten voor al mijne collega's van het Johannaeum!"
Sedert lang had ik reeds gewoon moeten zijn aan het karakter van mijn
oom, en toch wekte die man nog altijd mijn verwondering op.
"Nu," zeide hij, "zullen wij onzen watervoorraad vernieuwen met
den regen, dien het onweder in al die bekkens van graniet heeft
gestort; bij gevolg behoeven wij niet te vreezen, dat wij dorst zullen
lijden. Wat het vlot aangaat, zal ik Hans aanbevelen om het zoo goed
mogelijk te herstellen, hoewel wij er, denk ik, geen gebruik meer
van zullen maken."
"Hoe zoo?" riep ik.
"Dat is zoo maar eene gedachte van mij, mijn jongen! Ik geloof niet,
dat wij uit zullen gaan, waar wij ingekomen zijn."
Ik zag den professor met een zeker wantrouwen aan; ik vraagde mijzelven
of hij soms gek was geworden. En toch "hij kan het zoo niet zeggen."
"Laten wij gaan ontbijten!" hernam hij.
"Ik volgde hem op eene hoogte, nadat hij zijne bevelen aan den jager
had gegeven. Daar hielden wij met gedroogd vleesch, beschuit en
thee een heerlijk maal, een der beste, ik erken het, die ik in mijn
leven had bijgewoond. De behoefte, de vrije lucht, de kalmte na de
ontsteltenis, alles werkte mede om mijn eetlust op te wekken.
Onder het ontbijt legde ik mijn oom de vraag voor, waar wij op dit
oogenblik waren.
"Dat is, dunkt mij, moeielijk te berekenen."
"Het nauwkeurig te doen, ja!" antwoordde hij; "het is zelfs onmogelijk,
omdat ik gedurende dien driedaagschen storm geen aanteekening heb
kunnen houden van de snelheid en richting van het vlot; maar wij
kunnen het toch wel bij gissing vinden."
"De laatste waarneming is gedaan op het eilandje van den geyser...."
"Op het eilandje Axel, mijn jongen! Acht die eer niet gering, van
uwen naam geschonken te hebben aan het eerste eilandje, dat in het
middelpunt der aardmassa is ontdekt."
"Het zij zoo! Op het eilandje Axel hadden wij omtrent twee honderd
zeventig zeemijlen afgelegd en bevonden wij ons meer dan zes honderd
uren gaans van IJsland af."
"Goed! Dan zullen wij van dat punt uitgaan en vier dagen storm rekenen,
gedurende welke onze snelheid niet minder dan tachtig uur per dag
heeft kunnen bedragen."
"Dat geloof ik ook. Dan zouden er nog driehonderd uur gaans bijkomen."
"Ja! en de Lidenbrock-zee zou ten naastenbij zes honderd uur gaans
van den eenen oever tot den anderen meten! Weet gij wel, Axel! dat
zij dan in grootte met de Middellandsche zee kan wedijveren?"
"Ja! vooral als wij haar alleen in de breedte overgestoken zijn!"
"Dat is zeer licht mogelijk!"
"En het aardigste is," voegde ik er bij, "dat als onze berekening
juist is, wij nu de Middellandsche zee boven ons hoofd hebben."
"Is het waar?"
"Ja! wij zijn immers negenhonderd uur gaans van Reikiavik af!"
"Dat is een aardig eind, mijn jongen! maar dat wij juist onder de
Middellandsche zee en niet onder Turkije of den Atlantischen oceaan
zijn, kan alleen plaats hebben ingeval onze richting niet veranderd
is."
"Neen! de wind scheen in denzelfden hoek te blijven; ik denk dus,
dat deze oever ten zuidoosten van Graeubenhaven ligt.
"Wij kunnen ons er licht van verzekeren door het kompas te
raadplegen. Wij zullen eens op het kompas zien!"
De professor begaf zich naar de rots, waarop Hans de werktuigen had
nedergelegd. Hij was vroolijk, opgeruimd, wreef zich in de handen, nam
allerlei houdingen aan, als ware hij nog een jongeling. Ik volgde hem,
nieuwsgierig om te weten of ik mij in mijne berekening ook bedroog.
Bij de rots gekomen nam mijn oom het kompas, legde het waterpas,
en zag naar de naald, die na eenige slingeringen een vasten stand
aannam onder den invloed der magneetkracht.
Mijn oom beschouwde haar, wreef zich toen de oogen uit en zag nog
eens. Eindelijk wendde hij zich geheel ontsteld tot mij.
"Wat is er gaande?" vraagde ik.
Hij wenkte mij om het werktuig te onderzoeken. Een kreet van verbazing
ontsnapte mij. De punt der naald wees naar het noorden waar wij het
zuiden zochten! Zij was naar het strand gericht in plaats van de
volle zee aan te wijzen!
Ik schudde het kompas, ik onderzocht het; het was volmaakt in orde. In
welken stand men de naald ook bracht, zij nam hardnekkig weder die
onverwachte richting aan.
Er viel dus niet meer aan te twijfelen, gedurende den storm was de wind
omgeloopen, zonder dat wij het bemerkten, en had het vlot teruggedreven
naar de oevers, die mijn oom meende achter zich te hebben.
HOOFDSTUK XXXVII
Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der schildpad.--De
beenderenvlakte.
Het zou mij onmogelijk zijn de opeenvolgende gevoelens te schetsen, die
professor Lidenbrock bezielden, zijn ontsteltenis, zijn ongeloof, zijn
toorn! Nooit zag ik iemand eerst zoo verlegen, daarna zoo verbitterd.
De vermoeienissen van den overtocht, de doorgestane gevaren, alles
moest dus weder op nieuw beginnen. Wij waren achteruit in plaats van
vooruit gegaan.
Maar mijn oom was weldra zichzelven weder meester.
"O! het noodlot speelt mij zulke parten!" riep hij uit; "de elementen
spannen tegen mij samen! de lucht, het vuur en het water vereenigen
hunne pogingen om zich tegen mijne reis te verzetten! Welnu! men zal
zien, wat mijn wil vermag. Ik zal het niet opgeven; ik zal geene
streep achteruitgaan, en wij zullen zien, wie het winnen zal, de
mensch of de natuur!"
Op de rots staande, verbitterd, dreigend, scheen Otto Lidenbrock,
gelijk de woeste Ajax, de goden uit te dagen. Maar ik oordeelde het
noodig om tusschen beiden te komen en die zinnelooze drift te betoomen.
"Hoor mij aan!" zeide ik hem op een vasten toon. "Er is hier beneden
eene grens voor iedere eerzucht; wij moeten tegen het onmogelijke niet
kampen; wij zijn slecht uitgerust voor eene zeereis; vijf honderd uur
gaans kan men niet afleggen op een slecht samenraapsel van balken met
eene deken tot zeil, een stok tot mast, en dan nog tegen de ontketende
winden. Wij kunnen niet sturen, wij zijn de speelbal der stormen,
en wij zouden als dwazen handelen, zoo wij ten tweeden male dien
onmogelijken overtocht beproefden!"
Tien minuten lang kon ik, zonder in de rede gevallen te worden,
die onwederlegbare redenen opsommen, maar dat kwam alleen door
de onoplettendheid van den professor, die geen woord van mijne
bewijsvoering verstond.
"Naar het vlot!" riep hij.
Hij antwoordde verder niets. Te vergeefs smeekte ik, werd ik driftig;
ik stiet het hoofd tegen een wil, die vaster was dan graniet.
Hans was juist gereed met de herstelling van het vlot. Men zou gezegd
hebben, dat dit zonderling wezen de plannen mijns ooms ried.
Met eenige stukken surtarbrandur had hij het vaartuig weder in orde
gebracht. Een zeil verhief er zich op en de wind speelde in zijne
plooien.
De professor zeide eenige woorden tot den gids en terstond bracht deze
de bagage weder aan boord en maakte alles voor het vertrek gereed. De
dampkring was tamelijk zuiver en de noordwestewind hield aan.
Wat kon ik doen? Mij alleen tegen twee verzetten? Onmogelijk. Als
Hans nog maar mijne zijde gekozen had. Maar neen! Het scheen,
dat de IJslander zijn eigen wil ter zijde gesteld en de gelofte
van zelfverloochening afgelegd had. Ik kon niets verkrijgen van
een dienaar, die zoo blindelings aan zijn heer overgegeven was. Ik
moest vooruit.
Ik wilde dus op het vlot mijne gewone plaats innemen, toen mijn oom
mij met de hand tegenhield.
"Wij zullen eerst morgen vertrekken," zeide hij.
Ik maakte een gebaar als iemand, die zich aan alles onderwerpt.
"Ik moet niets verzuimen," hernam hij, "en nu het noodlot mij op dit
gedeelte der kust heeft geworpen, zal ik het niet verlaten voor ik
het verkend heb."
Men zal deze opmerking begrijpen, als men bedenkt, dat wij wel op
den noordelijken oever waren teruggekomen, maar niet op ons vroeger
uitgangspunt. Graeubenhaven moest westelijker liggen. Niets was derhalve
natuurlijker, dan zorgvuldig den omtrek dezer nieuwe landingsplaats
te onderzoeken.