Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)
"Laten wij op ontdekking uitgaan!"
En Hans aan zijn werk latende, vertrokken wij. De ruimte tusschen
het zeestrand en den voet der lage voorgebergten was zeer groot; wij
hadden een half uur te loopen voor wij den rotsmuur bereikten. Wij
vertrapten ontelbare schelpen van allerlei gedaante en grootte, waarin
de dieren der allereerste tijden leefden. Ik bemerkte ook verbazende
schalen wier middellijn dikwijls grooter was dan vijftien voet. Zij
hadden toebehoord aan die reusachtige glyptodons van het pliocenische
tijdvak, waarvan de hedendaagsche schildpad slechts eene onbeduidende
vertegenwoordigster is. Bovendien was de grond bezaaid met eene menigte
steenachtige overblijfselen, eene soort van strandkeitjes door de
golven afgerond en in opeenvolgende rijen gerangschikt. Ik kwam dus
tot de opmerking, dat de zee voorheen die ruimte had bedekt. Op de
verstrooide rotsen, die nu buiten haar bereik waren, hadden de golven
duidelijke sporen van haar overgang achtergelaten.
Dit kan eenigszins het bestaan van dien oceaan, veertig uur gaans
onder de oppervlakte van den aardbol, verklaren. Maar mijns inziens
moest die watermassa allengs wegzinken in de ingewanden der aarde,
en was het duidelijk, dat zij voortkwam uit het water van den Oceaan,
die zich een weg baande door de eene of andere scheur. Evenwel moest
ik aannemen, dat die scheur thans verstopt was; want dit geheele hol
of die onmetelijke vergaarbak zou anders in korten tijd vol geloopen
zijn. Misschien ook was dit water, tegen het onderaardsche vuur
moetende strijden, gedeeltelijk verdampt. Daaruit kon ik dan ook de
wolken verklaren, die boven ons zweefden, en de vrijwording van die
electriciteit, die stormen deed ontstaan in het midden der aarde.
Deze theorie van de natuurverschijnselen, die wij bijgewoond hadden,
scheen mij voldoende toe; want hoe groot de natuurwonderen ook zijn
mogen, toch kunnen zij altijd uit natuurkundige redenen verklaard
worden.
Wij liepen dus over eene soort van aangespoelden grond door het water
gevormd, gelijk al de gronden van dat tijdperk, die zoo kwistig over
de oppervlakte van den aardbol verspreid zijn. De professor onderzocht
oplettend iedere kleine ruimte in de rotsen. Bestond er ergens eene
opening, dan was het van belang voor hem om er de diepte van te peilen.
Eene mijl ver hadden wij het langs de oevers der Lidenbrock-zee
gehouden, toen het voorkomen van den grond plotseling veranderde. Het
scheen alsof alles omgewoeld was door eene hevige rijzing der
benedenlagen. Op verschillende plaatsen toonden hoogten en diepten
een geweldige verplaatsing van den bodem aan.
Met moeite klauterden wij over deze verwarde massa granietstukken,
keisteenen, kwartsblokken en aangespoelde gronden, toen zich eene laag,
meer dan eene laag, eene geheele vlakte vol beenderen aan onze blikken
vertoonde. Men zou gezegd hebben, dat het een onmetelijk kerkhof was,
waar het gebeente der geslachten van twintig eeuwen nederlag. In de
verte vertoonden zich hooge stapels van dergelijke overblijfselen,
zich uitstrekkende zoover het oog reikte en die zich in een nevel
verloren. Daar, op drie vierkante mijlen misschien, lag de geheele
geschiedenis van alle dierlijk leven opeengestapeld; eene geschiedenis,
slechts met flauwe trekken beschreven in de nieuwere aardlagen der
bewoonde wereld.
Een ongeduldige nieuwsgierigheid overmeesterde ons. Met een dof geluid
kraakten onder onze voeten de overblijfselen dier voorhistorische
gedierten, welke in de musea der groote steden als kostbare voorwerpen
worden ten toon gesteld. Duizend Cuviers zouden niet toereikende
geweest zijn om die verbazende beenderenhoopen tot volledige geraamten
bijeen te voegen.
Ik stond verbaasd. Mijn oom had zijne lange armen opgeheven naar het
dikke gewelf dat boven onze hoofden was uitgespannen. Zijn geheele
voorkomen kenteekende een onbegrensde verbazing, zijn gapende mond,
zijne achter de brilleglazen schitterende oogen, zijn hoofd dat
op en neder, rechts en links, heen en weder getrokken werd. Hij
stond voor een onschatbare verzameling leptotherien, mericotherien,
lophodions, anoplotherien, megatherien, mastodonten, protopitheken,
pterodactylen--in een woord, van allerlei voorwereldlijke
monsterdieren, hier als voor zijn vermaak opeengestapeld. Men stelle
zich een opgewonden boekenliefhebber voor, plotseling verplaatst in
de beroemde boekerij van Alexandrie, door een wonder uit hare asch
herrezen, na door Omar verbrand te zijn--in zulk eene stemming stond
daar mijn oom, professor Lidenbrock.
Maar van een geheel anderen aard werd zijne gewaarwording, toen hij,
over de beenderen stappende, een schedel opnam en met eene trillende
stem uitriep:
"Alex! Axel! een menschenhoofd!"
"Een menschenhoofd, oom," antwoordde ik met geene mindere verbazing.
"Ja, neef! Ach, Milne-Edwards! Ach, de Quatrefages! Waarom zijt gij
niet hier, waar ik ben, ik Otto Lidenbrock!"
HOOFDSTUK XXXVIII
Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De reus
van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis.
Om het aanroepen van de namen dier twee Fransche geleerden door
mijn oom wel te begrijpen, moet men weten, dat een allerbelangrijkst
verschijnsel op het gebied der voorwereldlijke overblijfselen eenigen
tijd voor ons vertrek had plaats gegrepen.
Den 8sten Maart 1863 vonden werklieden, onder bestuur van Boucher de
Perthes in de steengroeven van Moulin-Quignon bij Abbeville in het
Fransche departement la Somme arbeidende, een menschelijk kaakbeen op
eene diepte van veertien voet beneden den beganen grond. Het was het
eerste voorwerp van dien aard dat te voorschijn kwam. In de nabijheid
lagen bijlen van bewerkten vuursteen, door den tijd met een verweerd
huidje bedekt.
Veel gerucht ging van deze ontdekking uit, niet alleen in Frankrijk,
maar ook in Engeland en Duitschland. Onderscheidene leden van
het Fransche Instituut, waaronder de heeren Milne-Edwards en de
Quatrefages, lieten zich aan de zaak gelegen liggen. Zij bewezen de
onbetwistbare echtheid van het voorwerp en betoonden zich krachtige
verdedigers "in het geding ter zake van het kaakbeen," gelijk de
Engelschen zich uitdrukten.
Bij de geologen van het Vereenigd Koninkrijk die het feit als zeker
beschouwden, zooals Falconer, Bush, Carpenter enz. voegden zich
Duitsche geleerden, en daaronder als de ijverigste, de opgewondenste,
mijn oom Lidenbrock.
De echtheid van een menschelijk overblijfsel uit het quaternaire
tijdperk scheen dus onwederlegbaar bewezen.
Die echtheid had niettemin een ijverig tegenstander in Elias
de Beaumont. Deze hooggeschatte geleerde beweerde, dat de grond
van Moulin-Quignon niet diluviaansch, maar uit lateren tijd was,
en evenmin als Cuvier wilde hij iets weten van de bewering, dat het
menschdom gelijktijdig met de dieren uit het quaternaire tijdperk
zou bestaan hebben. Mijn oom Lidenbrock had, in overeenstemming met
de groote meerderheid der geologen, staande gehouden, getwist en
geredeneerd, terwijl de Beaumont met zijne meening genoegzaam alleen
was blijven staan.
Wij kenden deze zaak in al hare bijzonderheden, maar wisten niet, dat
het onderwerp na ons vertrek opnieuw ter sprake was gekomen. Andere
dergelijke kaakbeenderen, schoon dan afkomstig van andere stammen en
dus van afwijkende vormen, waren in sommige grotten van Frankrijk,
Zwitserland en Belgie gevonden, benevens wapenen, huisraad,
gereedschappen, beenderen van kinderen, jonge menschen, volwassenen,
grijsaards. Het bevestigde zich met elken dag meer, dat de mensch
inderdaad in het quaternaire tijdperk geleefd heeft.
En dit was nog niet alles. Nieuwe opgravingen uit het tertiaire
pliocenische tijdperk hadden voorwerpen doen ontdekken, uit welke
de stoutste geleerden eene nog veel hooger opklimmende oudheid aan
het menschdom hadden toegekend. Deze overblijfselen waren wel geen
beenderen van menschen, maar toch voortbrengselen zijner kunstvlijt,
namelijk scheen- en dijbeenderen van uitgestorven dieren, besneden
met regelmatige figuren, die het kenmerk van 's menschen hand droegen.
Daardoor klom het bestaan van den mensch plotseling de ladder eener
lange reeks van eeuwen op; hij leefde reeds vroeger dan de mastodont;
hij was een tijdgenoot van die voorwereldlijke olifanten, welke men
"elephas meridionalis" noemt; hij was reeds voor honderd duizend
jaren een bewoner dezer aarde; immers op dien ouderdom begrooten de
meest vermaarde geleerden de pliocenische formatie.
Op dat standpunt stond destijds de wetenschap der voorwereldlijke
dieren en hetgeen wij er van wisten was genoeg om onze aandacht
op die beenderenhoopen in de Lidenbrock-zee te spannen. Men kan
zich dus voorstellen hoe opgetogen mijn oom was, vooral toen hij,
twintig schreden verder, zich in de onmiddellijke nabijheid van een
menschelijk overblijfsel uit het quaternaire tijdperk bevond.
Het was een menschelijk lichaam, duidelijk als zoodanig herkenbaar. Had
eene bijzondere gesteldheid van den grond, gelijk aan dien van
het kerkhof van St. Michel te Bordeaux, dat lichaam zoovele eeuwen
bewaard? Ik weet het niet. Maar dat lijk, met zijne perkamentachtige
huid en nog weeke ledematen--op het oog althans--met zijn gaaf gebit,
met zijn overvloedig hoofdhaar, met zijne verbazend uitgegroeide
nagels aan vingers en teenen--dat lijk vertoonde een wezen zooals
het geleefd had.
Ik stond als stom tegenover deze verschijning uit lang vervlogen
eeuwen. Mijn oom, anders zoo woordenrijk van aard, sprak insgelijks
geen woord. Wij hadden het voorwerp opgenomen en overeind gezet. Het
scheen ons met zijn holle oogkassen aan te staren.
Na eenige oogenblikken zwijgens ging de oom op in den professor. Otto
Lidenbrock vergat in zijne opgewondenheid de omstandigheden van onzen
tocht, de plaats waar wij waren, de onmetelijke spelonk in welke wij
stonden. Zonder twijfel stond hij met zijne gedachten in het college,
bezig zijne leerlingen te onderwijzen; immers hij nam een geleerden
toon aan en richtte tot een denkbeeldig gehoor op deze wijze het woord:
"Mijne heeren! ik heb de eer u een mensch uit het quaternaire
tijdperk voor te stellen. Groote geleerden hebben zijn bestaan
ontkend; anderen, niet minder groot, het verzekerd. Deze ongeloovige
Thomassen der wetenschap zouden, indien zij hier waren, hem met
den vinger kunnen aanraken en wel genoodzaakt zijn hunne dwaling te
herroepen. Ik weet zeer wel, dat de wetenschap op hare hoede moet
zijn tegenover zulke ontdekkingen. Het is mij niet onbekend wat er
van den voorwereldlijken mensch geworden is onder de handen van een
Barnum en andere soortgelijke kwakzalvers. Ik ken de geschiedenis van
de knieschijf van Ajax, van het zoogenaamde lijk van Orestes, dat
door de Spartanen zou teruggevonden zijn, en van dat van Asterius,
tien ellebogen lang, waarvan Pausanias spreekt. Gelezen heb ik
de berichten aangaande het in de XIVde eeuw gevonden geraamte van
Trapani, waarin men Polyphemus heeft meenen te vinden; bekend is mij
de geschiedenis van een reus, die in de XVIe eeuw in den omtrek van
Palermo is opgegraven. Even goed als ik, weet gij, mijne heeren,
hoe de beenderen, te Lucern in 1577 gevonden, door den vermaarden
geneesheer Felix Plater verklaard zijn voor gedeelten van een reus
van negentien voet lengte. Gelezen, ik mag wel zeggen verslonden,
heb ik de verhandelingen van Cassanion, benevens al de geschriften en
tegenschriften ter gelegenheid van het geraamte, den 11den Januari
1613 op het landgoed van den heer de Langow bij het kasteel van
Chaumont in Dauphine opgegraven, dat naar beweerd en betwist werd,
dat van Teuthobochus, koning der Cimbren, zou geweest zijn. Had ik
in de vorige eeuw geleefd, ik zou met P. Campet geplukhaard hebben
over het bestaan van den voorwereldlijken mensch van Scheuchzer. Ik
heb het geschrift in handen gehad, getiteld: Gigan...."
Hier bleek het natuurlijke gebrek van mijn oom, die in het openbaar
geen moeilijke woorden kon uitspreken.
"Het geschrift, getiteld Gigan...."
Hij kon het niet verder brengen.
"Giganteo...."
Onmogelijk! Het moeielijke woord wilde er niet uit! Wat zou men hem
op het college hebben uitgelachen!
Eindelijk wrong hij tusschen een paar vloeken in, uit de keel:
Gigantosteologie.
Op vlugger toon ging hij voort:
"Ja, mijne heeren, ik weet daar alles van. Ik weet ook, dat Cuvier
en Blumenbach die beenderen hebben gehouden voor overblijfselen van
mammouths en andere dieren uit het quaternaire tijdperk. Maar hier
zou elke twijfeling eene beleediging der wetenschap zijn. Ziedaar het
lijk! Gij kunt het zien, gij kunt het aanraken! Het is geen geraamte,
het is een volledig lichaam, uitsluitend bewaard als bijdrage tot de
natuurkundige geschiedenis van den mensch!"
Ik had geen lust om die bewering tegen te spreken.
"Indien ik het in een oplossing van zwavelzuur kon leggen," ging mijn
oom voort, "zou ik er alle aardachtige aanhangselen en schulpen af
weeken. Maar ik heb hier geen zwavelzuur. Intusschen, het zij zoo
als het wil, het lijk zal ons zijn eigene geschiedenis verhalen."
De professor nam het lijk en ging er mede om als de handigste vertooner
van zeldzaamheden.
"Gij ziet," hernam hij, "het haalt geen zes voet lengte, en wij zijn
dus ver van de voorgewende reuzen. Wat het ras betreft, waartoe het
behoort, dit is buiten allen twijfel het kaukasische, het blanke,
het onze! De schedel is regelmatig eivormig, zonder vooruitstekende
oogbeenderen of verlengde kaakbeenderen. Het vertoont geen spoor van
prognathismus dat den gelaatshoek wijzigt [15]. Meet dien hoek, hij is
bijna 90 deg.. Maar ik zal nog verder gaan op den weg der gevolgtrekkingen,
en dus zeggen, dat dit voorwerp behoort tot het ras van Japhet--den
Indo-Germaanschen stam--, van Indie tot aan de westelijke streken
van Europa verspreid. Lacht niet, mijne heeren!"
Niemand vertrok een mond tot lachen; maar de professor was gewoon
ongeloovige lachjes te zien verschijnen op het gelaat zijner
toehoorders te midden van het uitkramen zijner geleerdheid.
"Voorzeker," begon hij met nieuwe kracht weder, "wij hebben
daar een voorwereldlijken mensch, tijdgenoot van de mastodonten,
wier gebeenten daar in den omtrek verspreid liggen. Maar u zeggen
hoe hij daar gekomen is, hoe de lagen, in welke hij is begraven
geweest, tot in deze geweldige holte in de ingewanden der aarde zijn
geschoven,--dat is iets waar ik mij niet aan wagen zal. Ongetwijfeld
hadden gedurende het quaternaire tijdvak nog verbazende, omwentelingen
in de aardschors plaats; de voortdurende afkoeling des aardbols
veroorzaakte scheuren, spleten, kloven, waarin waarschijnlijk
een gedeelte van den bovengrond wegzakte. Ik zal mij daarover niet
uitlaten; hoe het zij, het menschelijk overblijfsel is daar, omringd
door het werk zijner handen, die bijlen en bewerkte vuursteenen
die het steentijdperk gevormd hebben; misschien is hij hier gekomen
gelijk ik, als reiziger, als ontsteker van het licht der beschaving,
maar aan de opgegeven oudheid van zijn bestaan kan ik niet twijfelen."
De professor zweeg en ik deed als een eenig man luide toejuichingen
hooren. Overigens, mijn oom had gelijk: geleerder mannen dan zijn
neef zouden veel moeite gehad hebben hem te wederleggen.
Iets anders nog ten bewijze. Het gevonden overblijfsel was niet het
eenige in zijne soort in dit onmetelijke knekelhuis. Andere voorwerpen
vertoonden zich bij elke schrede die wij deden, en mijn oom had
slechts het merkwaardigste uit te zoeken om het aan ongeloovigen ter
overtuiging voor te leggen.
In waarheid, die bonte verzameling overblijfselen van menschen en
dieren, op dit uitgestrekte kerkhof dooreenliggende, leverde een
eigenaardig schouwspel op. Maar er rees eene belangrijke vraag op, die
wij niet waagden te beantwoorden. Waren de overblijfselen herwaarts
gedreven nadat de menschen en dieren, tot welke zij eenmaal hadden
behoord, reeds hadden opgehouden te leven; of leefden en woonden zij
eenmaal in deze onderaardsche wereld? Tot dusver hadden wij er alleen
zeemonsters en visschen in leven gezien. Zwierf nog eenig onderaardsch
mensch rond op deze woeste vlakten?
HOOFDSTUK XXXIX
Voorwereldlijke planten en dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De
aap-mensch.--Niet op het uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte
dagge.
Nog gedurende een half uur kraakten deze beenderenlagen onder onze
voeten. Wij stapten voorwaarts, voortgedreven door eene brandende
nieuwsgierigheid. Welke andere wonderen bevatte deze spelonk, welke
schatten voor de wetenschap? Mijn blik was voorbereid op allerlei
verrassingen, mijne verbeelding op allerlei merkwaardigheden.
Het zeestrand was reeds lang achter de heuvels in het beenderendal
verdwenen. De onvoorzichtige professor gaf er weinig om of hij van den
weg geraakte en sleurde mij met zich voort. Zonder een woord te spreken
en badende in de elektrieke golven, schreden wij voorwaarts. Tengevolge
van een voor mij onverklaarbaar verschijnsel verspreidde zich het licht
zoodanig, dat het gelijkelijk op al de deelen der voorwerpen viel. Het
ging niet van een bepaald punt uit en vertoonde ook geen de minste
schaduw. Het was even alsof men zich op den vollen middag, in het
midden van den zomer, onder de loodrecht nedervallende zonnestralen
tusschen de keerkringen bevond. Van damp geen het minste spoor. De
rotsen, de verwijderde bergen, de nog verder afgelegen bosschen--het
had alles een zonderling voorkomen onder de gelijkmatige verdeeling
van de lichtende vloeistof. Wij geleken naar den man van Hoffmann,
die geen schaduw had.
Na eene wandeling van een mijl vertoonde zich de zoom van een
onmetelijk woud, maar geen enkele der champignonboomen in de nabijheid
van Graeubenhaven.
Het was de plantenwereld van het tertiaire tijdperk in al hare
heerlijkheid. Reusachtige palmboomen in soorten die tegenwoordig
niet meer bestaan, prachtige dennen, cypressen en levensboomen
vertegenwoordigden de kegeldragende boomen en waren onderling
verbonden door een netwerk van slingerplanten. De grond was bedekt
door een mollig tapijt van mosplanten en levermossen. Eenige beekjes
murmelden onder het geboomte, dat echter geene schaduw van zich
gaf. Langs de kanten van het water wiesen boomvarens, gelijkende naar
die, welke men aantreft in de broeikassen der bewoonde aarde. Doch
kleur hadden die boomen en heesters en planten niet, omdat zij het
zonlicht misten. Alles was als met eene flauwe, bruinachtige tint
overtogen. De bladeren misten hun groen, en de bloemen zelve, zoo
talrijk in het tertiaire tijdperk, hadden kleur noch geur; 't was
alsof zij vervaardigd waren van papier, verkleurd onder den invloed
van den dampkring.
Mijn oom Lidenbrock waagde zich onder die reusachtige takken. Ik
volgde hem, niet zonder zekeren angst. Had de natuur daar gezorgd
voor overvloed van plantenvoedsel, waarom zag men er geen dier
reusachtige zoogdieren? Ik ontwaarde op de opene plekken, ontstaan
door het omvallen van doode boomen, kruiden die tot de legumineusen,
de acerinen, de rubiaceen behoorden, en voorts, duizenderlei eetbare
struikgewassen, op welke de herkauwende dieren van alle tijden zoozeer
aasden. Verder vertoonden zich, van alles dooreen, boomen zooals men
ze in de verschillende streken des aardbols aantreft, eiken naast
palmboomen, Australische mirten naast Noorweegsche dennen, Noordsche
berken, hunne takken slingerende tusschen tropische tamerinden. Het
was eene verzameling om de schranderste plantenkenners tot wanhoop
te brengen.
Op eens bleef ik stilstaan. Met de hand hield ik mijn oom terug.
Het gelijkmatig verspreidde licht liet ook de kleinste voorwerpen
op den grond onder het geboomte waarnemen. Ik geloofde te
zien.... Neen! inderdaad, ik zag er wezenlijk, met mijne oogen, eene
dierenwereld in beweging. Inderdaad, het waren reusachtige dieren,
eene geheele kudde mastodonten, nu geene geraamten, maar levende
dieren, gelijkende op die, waarvan de overblijfselen in 1801 in de
moerassen van de Ohio gevonden zijn. Ik zag die groote olifanten,
welker snuiten onder de boomen kronkelden als eene menigte slangen. Ik
hoorde hun ivoren slagtanden tegen de oude stammen slaan. De takken
braken af en de bladeren verdwenen in den open muil dier wangedrochten.
Zoo was dan eindelijk de droom verwezenlijkt, in welken ik die geheele
voorhistorische wereld had zien herleven in den tertiairen en den
quaternairen tijd! En wij stonden daar, alleen, in de ingewanden der
aarde, ter prooi aan het woeste gedierte!
Mijn oom zag nauwlettend om zich heen.
"Kom," zeide hij, mij bij den arm nemende, "voorwaarts, voorwaarts!"
"Neen!" riep ik uit, "dat niet. Wij zijn ongewapend. Wat zouden
wij doen in het midden dezer menigte reusachtige dieren? Kom, oom,
kom! Geen menschelijk wezen is in staat om ongestraft de woede dier
gedierten te tergen."
"Geen menschelijk wezen!" antwoordde mijn oom met zachte stem. "Dat
hebt gij mis, Axel! Zie, daar omlaag! Mij dunkt ik zie een wezen als
wij zijn! Een mensch!"
Met opgetrokken schouders zag ik toe, vast besloten om de
ongeloovigheid tot het uiterste te drijven. Maar ik was wel genoodzaakt
voor de klaarblijkelijkheid te zwichten.
Inderdaad, op minstens een vierde mijl afstand, zat, leunende tegen
een reusachtigen boom, een menschelijk wezen, een Proteus in deze
onderaardsche gewesten, een nieuwe zoon van Neptunus, de wacht te
houden over die ontelbare kudde mastodonten!
Hoeder van een reuzenkudde,
Maar toch zelf nog grooter reus!
Ja! zelf nog grooter reus! 't Was nu niet het menschelijk
overblijfsel dat wij hadden opgenomen te midden dier onmetelijke
beenderenwereld, maar een reus, in staat om gebied te voeren over
die monsterdieren. Zijne grootte ging de twaalf voet te boven. Zijn
hoofd, zoo groot als dat van een buffel, verschool zich onder een
kreupelbosch van verwarde haren. Het schenen manen, gelijkende naar
die van den voorwereldlijken olifant. Hij slingerde met de hand een
reusachtigen tak, waardigen staf van dezen voorwereldlijken herder.
Onbeweeglijk en in verbazing waren wij blijven staan. Maar wij konden
opgemerkt worden. Het was tijd het hazepad te kiezen.
"Kom, kom!" riep ik uit, mijn oom voorttrekkende, die zich voor het
eerst liet medetrekken.
Een kwartier later waren wij uit het oog van dezen gevreesden vijand.
En nu ik er bedaard over nadenk, nu mijn geest tot kalmte is
teruggekeerd, nu er maanden zijn verloopen na deze vreemde en
bovennatuurlijke ontmoeting--wat moet ik er nu van denken? Wat er van
gelooven? Neen! het is onmogelijk! Onze zintuigen hebben ons bedrogen;
onze oogen hebben niet gezien hetgeen wij waanden dat zij zagen. Er
leeft geen menschelijk wezen in die onderaardsche wereld! Geen
menschengeslacht bewoont die onderaardsche spelonken, buiten
gemeenschap met de bovenwereld! Dat is onzinnig, volkomen onzinnig!
Ik wil liever denken aan een of ander dier, dat min of meer iets
heeft van de gedaanten des menschen, aan eene soort van aap, aan een
protopitheek of mesopitheek, omtrent zooals er Lartet de overblijfselen
van aantrof in de beenderenlaag van Sansan! Maar deze aapmensch
overschreed ver elke afmeting van de thans bekende wezens uit den
voortijd! Om 't even! Een aap, ja, een aap, hoe onwaarschijnlijk het
dan ook moge wezen! Maar een mensch, een levend mensch, en met hem een
geheel menschengeslacht, begraven in de ingewanden der aarde! Nimmer!
Intusschen, wij hadden het heldere, lichtvolle bosch verlaten,
stom van verwondering, overstelpt door eene verbazing die ons als
wezenloos maakte. Wij liepen snel, in weerwil van ons zelven. Het
was een ware vlucht, gelijksoortig aan den geweldigen angst dien men
bij de zoogenoemde nachtmerrie gevoelt. Als onder den invloed eener
geheime aandrift keerden wij terug naar de Lidenbrock-zee, en ik weet
niet welke voorstellingen mijne ziel al doorkruist zouden hebben,
ware het niet, dat ik op andere wijze naar meer gewone gedachten
werd heengeleid.
Hoewel ik zeker was een geheel anderen bodem te betreden, bemerkte ik
toch menigmaal gemengde rotsen, wier gedaante mij aan Graeubenhaven deed
denken. Men zou er zich soms in bedrogen hebben; beken en watervallen
stortten bij honderden van de uitstekende rotsen af.
Ik verbeelde mij de laag Surtarbrandur, onze getrouwe Hansbeek en
de grot, waarin ik in het leven teruggekeerd was, weder te zien;
iets verder brachten de schikking der voorgebergten, de verschijning
eener beek, het verrassende voorkomen eener rots, mij weder aan
het twijfelen.
De professor was even besluiteloos als ik; hij kon den weg niet vinden
in dat eenvormige panorama. Ik maakte het op uit eenige woorden,
die hem ontvielen.
"Het is zeker," zeide ik hem, "dat wij niet op ons uitgangspunt terug
gekomen zijn; maar als wij den oever langs varen, komen wij stellig
weder bij Graeubenhaven terug."
"Als dat zoo is," antwoordde mijn oom, "is het noodeloos om dit
onderzoek voort te zetten en het beste is naar het vlot terug te
keeren. Maar vergist gij u niet, Axel?"
"Het is moeielijk dienaangaande iets te beslissen, want al die rotsen
gelijken op elkander. Mij dunkt echter, dat ik het voorgebergte herken,
aan welks voet Hans zijn vaartuig heeft gebouwd. Wij moeten dicht bij
de kleine haven zijn, misschien is deze het wel," voegde ik er bij,
eene kleine streek onderzoekende, die ik meende te herkennen.