A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen en verviel weder
in gepeins.

Een uur verliep en met uitzondering van een geringe toeneming
van hitte, bracht geen voorval eenige verandering in onzen
toestand. Eindelijk verbrak mijn oom het stilzwijgen.

"Welaan!" zeide hij, "wij moeten een besluit nemen."

"Een besluit nemen?" antwoordde ik.

"Ja! wij moeten onze krachten herstellen. Als wij ons leven eenige uren
trachten te rekken door de overschietende levensmiddelen te sparen,
zullen wij tot het einde toe zwak zijn."

"Ja, tot het einde toe, dat niet lang zal uitblijven."

"Welnu! als er zich een kans op redding voordoet, als er een oogenblik
van handelen komt, waar zullen wij dan de kracht tot handelen vinden,
als wij ons door gebrek aan voedsel laten verzwakken?"

"Maar, oom! wat blijft ons over, als dit stuk vleesch opgegeten is?"

Niets, Axel! niets, maar zal het u meer voeden, als gij het met uwe
oogen verslindt? Gij redeneert daar als iemand zonder wil, als een
wezen zonder geestkracht!"

"Wanhoopt gij dan niet?" riep ik verbitterd uit.

"Neen!" antwoordde de professor op vasten toon.

"Hoe! gelooft gij dan nog aan eene kans op behoud?"

"Ja! zeker ja! en zoo lang zijn hart klopt, zijn vleesch trilt,
duld ik niet dat een met een wil begaafd wezen aan de wanhoop eene
plaats inruimt."

Welke woorden! De man, die ze in zulke omstandigheden sprak, was
zeker van een buitengewonen aard.

"Wat wilt gij dan eigenlijk doen?" zeide ik.

"Tot de laatste kruimel het voedsel, dat nog overgebleven is, opeten
en onze verlorene krachten herstellen. Deze maaltijd zal onze laatste
zijn, het zij zoo! maar ten minste zullen wij, in plaats van uitgeput
te wezen, weder mannen zijn geworden."

"Welnu! wij zullen eten!" riep ik uit.

Mijn oom nam het stuk vleesch en de weinige beschuiten, die uit de
schipbreuk gered waren, maakte er drie gelijke deelen van en gaf ze
ons. Het was ten naasten bij een pond voedsel voor elk. De professor
at gulzig met eene soort van koortsige drift; ik, zonder trek ondanks
mijn honger, en bijna met tegenzin; Hans, rustig, bedaard, en zonder
leven te maken kleine beetjes kauwende en ze doorslikkende met de
kalmte van een man, dien de bezorgdheid voor de toekomst niet kon
verontrusten. Na lang zoeken had hij eene half volle flesch jenever
gevonden, en dit weldadige vocht wekte mij weder eenigszins op.

"Foertrafflig!" zeide Hans op zijne beurt drinkende.

"Voortreffelijk!" antwoordde mijn oom.

Ik begon weder eenige hoop te koesteren. Maar onze laatste maaltijd
was afgeloopen. Het was nu 's morgens vijf uur.

Het is met den mensch zoo gesteld, dat zijne gezondheid een zuiver
negatief iets is; als de behoefte aan voedsel eens voldaan is, kan men
zich moeielijk de kwellingen van den honger voorstellen; men moet ze
ondervinden om ze te begrijpen. Na het lange vasten zegevierden dan
ook eenige beten beschuit en vleesch over onze doorgestane smarten.

Na dien maaltijd gaven wij ons allen aan onze overpeinzingen
over. Waaraan dacht Hans, die man uit het hooge noorden, die onder
de heerschappij stond van de oostersche leer van onderwerping aan
het noodlot? Mijne denkbeelden bestonden slechts uit herinneringen,
en deze voerden mij terug naar de oppervlakte van den aardbol, die ik
nooit had moeten verlaten. Het huisje in de Koningstraat, mijn arme
Graeuben, de goede Martha, gingen als gezichten voorbij mijne oogen,
en in het doffe gebrul, dat door het vaste gesteente liep, meende ik
het geraas van de steden op aarde te herkennen.

Mijn oom, "altijd bij de zaak," onderzocht aandachtig met de toorts
in de hand den aard der gronden; hij trachtte te onderscheiden waar
hij was door de opeenvolging der op elkander liggende lagen. Die
berekening of liever die schatting kon slechts bij benadering wezen;
maar een geleerde is altijd een geleerde, wanneer het hem gelukt zijne
koelbloedigheid te behouden, en zeker bezat professor Lidenbrock die
hoedanigheid in een buitengewonen graad.

Ik hoorde hem woorden uit de geologische wetenschap mompelen: ik
begreep ze en stelde ondanks mij zelven belang in die verhevene studie.

"Uitgebraakt graniet," zeide hij; "wij zijn nog altijd in het eerste
tijdperk; maar wij stijgen! wij stijgen! Wie weet?"

Wie weet? Hij hoopte dus nog altijd. Met zijne hand betastte hij den
loodrechten wand, en eenige oogenblikken later hernam hij aldus:

"Dat is gneiss! dat mica-leisteen! Goed! nu komen weldra de gronden
uit het overgangstijdperk en dan...."

Wat wilde de professor zeggen? Kon hij de dikte der aardschors boven
ons meten? Bezat hij het eene of andere middel om die berekening
te verrichten? Neen! Hij miste den luchtdichtheidsmeter, en geene
schatting kon dien vergoeden.

Inmiddels nam de warmte geducht toe en ik was doornat midden in een
gloeienden dampkring. Ik kon haar niet anders vergelijken dan met de
hitte, die door de fornuizen eener ijzersmelterij wordt uitgestraald,
wanneer het metaal vloeibaar wordt. Langzamerhand hadden Hans, mijn
oom en ik onze buizen en vesten moeten uittrekken; het geringste
kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaaglijkheid, om niet te zeggen
van pijn.

"Stijgen wij dan naar een witgloeienden haard?" riep ik uit op een
oogenblik dat de warmte verdubbelde.

"Neen!" antwoordde mijn oom, "het is onmogelijk! het is onmogelijk!"

"Maar die muur is gloeiend!" zeide ik den wand betastende.

Terwijl ik dit zeide, had mijne hand het water even aangeraakt en
moest ik haar zoo spoedig mogelijk terug trekken.

"Het water is kokend heet!" riep ik.

Ditmaal antwoordde de professor slechts met een toornig gebaar.

Nu maakte zich een onoverwinnelijke schrik van mijne hersenen meester
en verliet ze niet meer. Ik had een voorgevoel van een naderend
onheil, en wel van een dat de stoutste verbeeldingskracht niet zou
hebben kunnen bevatten. Een eerst onbepaald en weifelend denkbeeld
werd in mijn verstand tot zekerheid. Ik durfde het niet onder woorden
brengen. Intusschen bevestigden eenige onwillekeurige waarnemingen
mijne overtuiging; bij het twijfelachtige toortslicht bespeurde ik
onregelmatige bewegingen in de granietlagen; er was klaarblijkelijk
een verschijnsel op handen, waarin de electriciteit eene rol speelde;
dan die buitensporige hitte, dat kokende water!... Ik besloot het
kompas waar te nemen.

Het was miswijzend geworden!



HOOFDSTUK XLIII


Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Eene
uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft
liggen.--Op nieuw opgestuwd.


Ja miswijzend! De naald sprong met plotselinge schokken van de eene
pool op de andere, doorliep al de streken van de windroos, en draaide,
als had een duizeling haar bevangen.

Ik wist wel, dat volgens de meest algemeen aangenomene theorien
de delfstoffelijke schors van den aardbol nooit in een staat van
volslagene rust is; de wijzigingen teweeggebracht door de ontbinding
der inwendige stoffen, de beweging voortkomende uit de groote
stroomingen der vloeistoffen, de werking van het magnetismus, dat
alles strekt om haar onophoudelijk te schudden, zelfs dan als de op
hare oppervlakte verspreide wezens hare ontroering niet vermoeden. Dit
verschijnsel zou mij dus anders niet beangst of, althans in mijn geest,
geen verschrikkelijk denkbeeld opgewekt hebben.

Maar andere feiten, sommige omstandigheden van gezegden aard; konden
mij niet langer bedriegen, de ontploffingen vermenigvuldigden met eene
verschrikkelijke kracht: ik kon ze alleen vergelijken met het geraas,
dat een groot aantal karren, die snel over het plaveisel voortgetrokken
worden, zouden maken. Het was een aanhoudende donder.

Het miswijzend kompas, geschokt door de electrieke
natuurverschijnselen, bevestigde mij verder in mijne meening; de
delfstoffelijke korst dreigde te breken, het massieve graniet zich
te vereenigen, de scheur zich te sluiten, het ledige zich te vullen,
en wij, nietige stofjes, zouden in die geduchte omhelzing verpletterd
worden.

"Oom! oom! wij zijn verloren!" riep ik uit.

"Wat is dat voor een nieuwen schrik?" antwoordde hij mij met eene
verbazende kalmte. "Wat scheelt u toch?"

"Wat mij scheelt? zie die muren die schudden; dat vaste gesteente
dat scheurt; die verzengende hitte, dat kokende water, die dampen,
die al dikker en dikker worden, die gekke naald, alle kenteekenen
van eene aardbeving."

Mijn oom schudde zachtjes het hoofd.

"Eene aardbeving?" vraagde hij.

"Ja!"

"Mijn jongen! ik geloof, dat gij u vergist!"

"Hoe! herkent gij dan die kenteekenen niet?"

"Van een aardbeving? neen? Ik verwacht wat beters!"

"Wat bedoelt gij?"

"Eene uitbarsting, Axel!"

"Eene uitbarsting!" zeide ik; "zijn wij dan in den schoorsteen van
een werkenden vulkaan?"

"Ik denk het ten minste," zeide de professor glimlachende, "en dat
is het gelukkigste wat ons overkomen kan!"

Het gelukkigste! Was mijn oom dan gek? Wat beduidden die woorden? Van
waar die kalmte en die glimlach?

"Hoe!" riep ik, "zijn wij midden in eene uitbarsting! Heeft het noodlot
ons geworpen op den weg der witgloeiende lava, der brandende rotsen,
van het kokende water, van alle uitgebraakte stoffen! zullen wij
nu opgestuwd, uitgedreven, uitgeworpen, uitgebraakt, in de lucht
geslingerd worden met de rotsblokken, de asch- en slakkenregens,
in een dwarlwind van vlammen! en is dat het gelukkigste wat ons
overkomen kan?"

"Ja!" antwoordde de professor mij over zijn bril aanziende, "want
het is de eenige kans, die wij hebben, om weder op de oppervlakte
der aarde te komen!"

Ik ga stilzwijgend de duizend gedachten voorbij, die elkaar in mijne
hersenen kruisten. Mijn oom had gelijk, volkomen gelijk, en nooit
kwam hij mij stoutmoediger noch inniger overtuigd voor dan op dit
oogenblik, waarop hij de kansen eener uitbarsting afwachtte en optelde.

Intusschen stegen wij maar altijd door; de nacht ging voorbij onder
die stijgende beweging; het geraas om ons heen verdubbelde; ik was
bijna gestikt; ik meende, dat mijn laatste uur kwam; en toch is de
verbeeldingskracht zoo grillig, dat ik mij overgaf aan een waarlijk
kinderachtig onderzoek. Maar ik stond onder de heerschappij mijner
denkbeelden, zij niet onder de mijne!

Het was duidelijk, dat wij opgestuwd werden door eene uitbarsting;
onder het vlot was kokend water, en onder dat water smeltende lava,
een mengsel van rotssteenen, die zich aan den rand van den krater in
alle richtingen zouden verstrooien. Wij waren dus in den schoorsteen
van een vulkaan. Daar was geen twijfel aan.

Maar in plaats van den Sneffels, een uitgebranden vulkaan, was het
er nu een in volle werkzaamheid. Ik vraagde mij af, welke berg het
kon zijn en in welk werelddeel wij uitgebraakt zouden worden.

Zonder twijfel in de noordelijke streken. Voor zijne miswijzing
had het kompas ten dien aanzien geen afwijking getoond. Van kaap
Saknussemm af waren wij honderden uur ver rechtstreeks naar het
noorden gedreven. Waren wij dan nu weder onder IJsland? Zouden wij
uitgeworpen worden door den krater van den Hekla of door dien van een
der zeven andere vuurspuwende bergen des eilands? In een straal van
vijf honderd uur gaans naar het westen zag ik onder dien breedtegraad
slechts de bijna onbekende vulkanen der noordwestkust van Amerika. Ten
oosten bestond er onder den tachtigsten breedtegraad maar een vulkaan,
de Esk, op het Jan Mayen-eiland, niet verre van Spitsbergen. Zeker,
er was geen gebrek aan kraters en zij waren ruim genoeg om een geheel
leger uit te braken! Maar welke ons een uitgang zou verleenen, dat
trachtte ik te gissen.

Tegen den morgen werd de stijgende beweging sneller. Dat de warmte
toenam in plaats van te verminderen hoe dichter wij bij de oppervlakte
des aardbols kwamen, had eene plaatselijke oorzaak en was een gevolg
van den invloed des vulkaans. Ik kon niet langer twijfelen aan de
soort van ons middel van vervoer; eene ontzettende kracht, eene kracht
van verscheidene honderden dampkringen, veroorzaakt door de dampen
opeengehoopt in den schoot der aarde, dreef ons onwederstaanbaar
voort. Maar aan welke ontelbare gevaren stelde zij ons bloot?

Weldra drong een vale weerschijn in de wijder wordende loodrechte
galerij; ik bespeurde links en rechts diepe gangen, gelijk aan
onmetelijke tunnels, waaruit dichte dampen ontsnapten; vurige tongen
lekten flikkerend hunne wanden.

"Zie eens! zie eens, oom!" riep ik.

"Welnu! het zijn zwavelvlammen. Niets is natuurlijker bij uitbarsting."

"Maar als zij ons eens omhullen?"

"Zij zullen ons niet omhullen."

"Maar als wij stikken?"

"Wij zullen niet stikken; de galerij wordt wijder en als het noodig
is, zullen wij het vlot verlaten om in een kloof te schuilen."

"En het water, het stijgende water dan?"

"Er is geen water meer, Axel! maar eene soort van lavadeeg, dat ons
oplicht tot aan de opening des kraters."

De waterkolom was inderdaad verdwenen om plaats te maken voor vrij
dichte, hoewel kokend heete uitstroomende stoffen. De hitte werd
onuitstaanbaar en een thermometer, welke aan dien dampkring werd
blootgesteld, zou meer dan zeventig graden gewezen hebben! Ik baadde
in het zweet. Zonder de snelheid der opstijging zouden wij zeker
gesmoord zijn.

Echter gaf de professor geen gevolg aan zijn voorstel om het vlot te
verlaten, en hij deed wel. Die weinige slecht samengevoegde planken
boden eene vaste oppervlakte aan, een steunpunt, dat ons overal elders
ontbroken zou hebben.

's Morgens omstreeks acht uur had er voor het eerst een nieuw voorval
plaats. De stijgende beweging hield eensklaps op. Het vlot bleef
onbeweeglijk liggen.

"Wat is dat?" vroeg ik, verontrust door dit oponthoud, dat even
plotseling was als een schok.

"Eene halt," antwoordde mijn oom.

"Houdt de uitbarsting op?"

"Ik hoop van neen."

Ik stond op. Ik poogde rond te zien. Misschien bood het vlot, door eene
uitspringende rotspunt tegengehouden, eene kortstondigen tegenstand
aan de uitstroomende massa. In dit geval moesten wij ons haasten het
zoo spoedig mogelijk los te maken.

Het was zoo niet. De kolom van asch, slakken en steenbrokken had
zelve opgehouden te stijgen.

"Zou de uitbarsting geen voortgang hebben?" riep ik.

"Wel, mijn jongen! vreest gij dat?" zeide mijn oom met op elkander
geklemde tanden; "maar stel u gerust, dit oogenblik van kalmte kan
niet lang aanhouden; het duurt nu reeds vijf minuten en weldra zal
onze opklimming naar den mond des kraters weder beginnen."

Zoo sprekende hield de professor niet op zijn tijdmeter te raadplegen,
en alweder zouden zijne voorspellingen vervuld worden. Weldra werd het
vlot op nieuw aangegrepen door eene snelle en onregelmatige beweging,
die omtrent twee minuten aanhield; toen bleef het nogmaals stil liggen.

"Goed!" zeide mijn oom op het uurwerk ziende, "binnen tien minuten
gaan wij weder op weg."

"Binnen tien minuten?"

"Ja! Wij hebben te doen met een vulkaan, wiens uitbarsting
tusschenpoozend is. Hij laat ons met zich ademhalen."

Niets was meer overeenkomstig de waarheid. Op de minuut af werden
wij op nieuw met groote snelheid opgestuwd; wij moesten ons aan de
balken vasthouden om niet van het vlot geslagen te worden. Daarna
hield de stoot weder op.

Naderhand heb ik nagedacht over dit zonderlinge verschijnsel,
zonder er eene voldoende verklaring van te vinden. Intusschen houd
ik het voor zeker, dat wij ons niet in den hoofdschoorsteen van den
vulkaan bevonden, maar wel in een zijgang, waar alleen de terugwerking
merkbaar was.

Ik kan niet zeggen hoe dikwijls die beweging herhaald werd; ik
kan alleen verzekeren, dat wij, telkens als zij zich herhaalde,
met toenemende kracht werden opgestuwd en als het ware door een
kogel medegevoerd. In de oogenblikken van rust stikten wij; in de
oogenblikken van opstuwing belette de brandend heete lucht mijne
ademhaling. Ik dacht een oogenblik aan het genot van mij plotseling
in die hoog noordelijke gewesten te zullen bevinden, waar eene koude
heerscht van dertig graden onder nul. Mijne overspannen verbeelding
dwaalde rond op de sneeuwvlakten der poolgewesten en ik smachtte naar
het oogenblik, waarop ik mij rond zou rollen op het ijstapijt aan
de pool. Maar langzamerhand verloor ik, door die herhaalde schokken
uitgeput, mijn bewustzijn. Zonder de armen van Hans zou ik meer dan
eens mijne hersenpan verbrijzeld hebben tegen den granietwand.

Ik kan mij dus niets met zekerheid herinneren van hetgeen in de
volgende uren voorviel. Ik heb een duister gevoel van aanhoudende
ontploffingen, van de beroering van het vaste gesteente, van eene
ronddraaiende beweging, waarin het vlot werd medegesleept. Het
dreef op golven van lava midden in een aschregen. De loeiende
vlammen omwikkelden het. Een orkaan, die men meenen zou, dat uit een
ontzaglijken luchttrekker voortkwam, blies het onderaardsche vuur
aan. Nog eenmaal zag ik het gelaat van Hans in den weerschijn van
den brand, en ik gevoelde niets meer dan die ontzettende angst van
veroordeelden, die aan den mond van een stuk geschut zijn gebonden,
op het oogenblik dat het schot afgaat en hunne ledematen in de lucht
verstrooit.



HOOFDSTUK XLIV


Op aarde terug.--In Azie?--De tegenvoeters.--In de
Middellandsche zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans.


Toen ik de oogen weder opende, voelde ik, dat de stevige hand van den
gids mij bij den gordel vasthield. Met de andere hand ondersteunde
hij mijn oom. Ik was niet zwaar gekwetst, maar veeleer uitgeput door
eene algemeene stijfheid in de leden. Ik lag tegen de glooiing van
een berg, twee schreden van een afgrond, waarin de geringste beweging
mij nedergestort zou hebben. Hans had mij van den dood gered, terwijl
ik van de zijden des kraters afrolde.

"Waar zijn wij?" vroeg mijn oom, die zeer verstoord scheen over zijn
terugkeer op de aarde.

De jager haalde de schouders op ten teeken van onwetendheid.

"Op IJsland?" zeide ik.

"Nej," antwoordde Hans.

"Wat, neen?" riep de professor.

"Hans vergist zich," zeide ik overeind rijzende.

Na de tallooze verrassingen dezer reis, was er ons nog eene
weggelegd. Ik verwachtte een kegel te zien, bedekt met eeuwige sneeuw,
in het midden der barre woestenijen van de noordelijke landen, onder
de bleeke stralen van een poolhemel, verre boven de hoogste breedten;
en in strijd met al die vermoedens lagen mijn oom, de IJslander en
ik op de zijde van een berg, die geblakerd was door de hitte der zon,
die ons met hare stralen verschroeide.

Ik wilde mijn oogen niet gelooven; maar de stekende pijn, die ik over
het geheele lichaam voelde, veroorloofde geen verderen twijfel. Wij
waren half naakt uit den krater gekomen, en het schitterend gesternte,
dat wij in geen twee maanden gezien hadden, vertoonde zich aan ons
met een kwistigen overvloed van licht en warmte, en goot heerlijke
stralen over ons uit.

Toen mijne oogen aan dien glans gewend waren, dien zij zoo lang hadden
ontbeerd, maakte ik er gebruik van om de dwalingen mijner verbeelding
te herstellen. Op zijn allerminst wilde ik op Spitsbergen zijn,
en ik was niet gezind om het spoedig op te geven.

De professor vatte het eerst het woord op en zeide:

"Dat gelijkt volstrekt niet op IJsland."

"Maar het Jan Mayen-eiland?" antwoordde ik.

"Evenmin, mijn jongen! dit is geen noordsche vulkaan met zijne heuvelen
van graniet en zijn sneeuwhoed."

"Echter...."

"Zie eens, Axel! zie eens!"

Hoogstens vijf honderd voet boven ons opende zich de krater van
een vulkaan, waaruit om het kwartier met een zeer sterk geraas een
hooge vlammenzuil, vermengd met puimsteen, asch en lava, opsteeg. Ik
voelde de stuiptrekkingen van den berg, die gelijk de walvisschen
ademhaalde, en nu en dan vuur en rook door zijn geduchte neusgaten
uitspoot. Onder ons breidden zich met eene vrij steile helling de
vlakten van uitgebraakte stoffen van zeven tot acht honderd voet diep
uit, hetgeen den vulkaan eene hoogte gaf van nog geen drie honderd
vademen. Zijn voet verdween in een waren korf van groene boomen,
waaronder ik olijfboomen, vijgeboomen en wijnstokken met purperen
trossen onderscheidde.

Zoo zagen de noordelijke gewesten, ik moest het wel bekennen, er
niet uit.

Over dien groenenden omtrek heen verloor de blik zich spoedig in het
water eener heerlijke zee of van een meer, dat van dien liefelijken
bodem een eiland maakte, dat nauwelijks eenige uren gaans breed
kon zijn. In het oosten vertoonde zich eene kleine haven, met eenige
huizen er voor, waarin vaartuigen van een bijzonderen vorm op de blauwe
golfjes wiegelden. Verder doken groepen eilandjes uit de watervlakte
op, in zulk een menigte, dat zij op een groot mierennest geleken. In
het westen strekten zich verafgelegene kusten langs den gezichteinder
uit; op sommigen vertoonden zich blauwe, zeer regelmatig gevormde
bergen; op de andere, meer in de verte, verrees een verbazend hooge
kegel, op wiens top zich een vederbos van rook bewoog. In het noorden
fonkelde eene onmetelijke watervlakte in de zonnestralen, en zag men
hier en daar den top van een mast of de bolronde zijde van een door
den wind gezwollen zeil.

Het onverwachte van zulk een schouwspel verhonderdvoudigde nog zijne
wonderlijke schoonheden.

"Waar zijn wij?" waar zijn wij?" herhaalde ik half luid.

Hans sloot onverschillig zijne oogen en mijn oom zag in het rond
zonder er iets van te begrijpen.

"Welke berg het ook moge zijn," zeide hij eindelijk, "het is hier een
beetje warm; de uitbarstingen houden niet op, en het zou waarlijk de
moeite niet waard zijn uitgebraakt te wezen om ten slotte nog een
rotsbrok op het hoofd te krijgen. Laten wij naar beneden gaan, dan
zullen wij wel ontdekken, waar wij ons aan te houden hebben. Bovendien
sterf ik van honger en dorst."

Zekerlijk was de professor geen man van bespiegelingen. Ik voor mij,
behoefte en vermoeienis vergetende, zou nog uren lang op deze plek
hebben willen blijven, maar ik moest mijne makkers volgen.

De zijde van den berg helde sterk; wij gleden in ware aschkuilen
om de lavastroomen te ontwijken, die als vurige slangen zich
kronkelden. Onder het dalen sprak ik met een grooten woordenrijkdom,
want mijne verbeelding was te vol om zich niet in woorden te uiten.

"Wij zijn in Azie," riep ik, "op de kusten van Indie, op de Sunda
eilanden, midden in Australie! Wij hebben den halven aardbol
doorgereisd om bij de tegenvoeters van Europa uit te komen!"

"Maar het kompas? antwoordde mijn oom.

"Ja! het kompas!" zeide ik met een verlegen gelaat ... "Als wij het
gelooven mogen, dan zijn wij altijd noordwaarts gegaan."

"Heeft het dan gelogen?"

"O! gelogen!"

"Of dit moest de noordpool zijn!"

"De pool! neen; maar...."

Het was een onverklaarbaar feit. Ik wist niet, wat ik er van moest
denken.

Intusschen naderden wij dat groen, dat zoo streelend was voor het
oog. Honger en dorst kwelden mij. Gelukkig vertoonde zich na twee uur
loopens eene schoone vlakte aan ons oog, geheel bedekt met olijfboomen,
granaatappelboomen en wijnstokken, die niemands bijzonder eigendom
schenen te zijn. Als lieden, die van alles beroofd waren, konden wij
dan ook zoo nauw niet zien. Welk een genot, die sappige vruchten op
onze lippen te drukken en geheele trossen uit die purpere wijngaarden
te happen! Niet verre van daar in het gras ontdekte ik in de heerlijke
schaduw der boomen eene frissche waterbron, waarin wij ons gelaat en
onze handen met een gevoel van wellust dompelden.

Terwijl wij ons zoo aan al de genoegens der rust overgaven, verscheen
een kind tusschen twee olijfboschjes.

"Ha!" riep ik uit, "een bewoner van dit gelukkige land!"

Het was een kleine, arme, zeer ellendig gekleede, ziekelijke knaap,
dien ons gezicht scheen te beangstigen; wij zagen er dan ook half
naakt en met ongeschoren baard zeer ongunstig uit, en als het geen land
van dieven was, moest ons voorkomen zijne bewoners wel schrik aanjagen.

Zoodra de jongen op den loop wilde gaan, liep Hans hem na en bracht
hem terug, ondanks zijn schreeuwen en schoppen.

Mijn oom begon met hem zoo goed mogelijk gerust te stellen en zeide
hem in goed duitsch:

"Hoe heet die berg, vriendje?"

Het kind antwoordde niet.

"Goed!" zeide mijn oom, "wij zijn niet in Duitschland." En hij
herhaalde de vraag in het engelsch.

Het kind antwoordde evenmin. Ik was in groote spanning.

"Zou hij stom zijn?" riep de professor, die trotsch op zijne taalkennis
dezelfde vraag in het fransch deed.

Het kind bewaarde het stilzwijgen.

"Dan zullen wij het italiaansch beproeven," hernam mijn oom, en hij
zeide in die taal:

"Dove noi siamo?"

"Ja! waar zijn wij?" herhaalde ik vol ongeduld.

Het kind gaf geen antwoord.

"Hoe is het! zult gij haast spreken?" riep mijn oom die toornig begon
te worden en het kind bij de ooren trok. "Come si noma questa isola?"

"Stromboli," antwoordde de kleine herder, die zich uit de handen van
Hans losrukte en door de olijfboomen heen de vlakte bereikte.

Wij dachten niet eens meer aan hem. Stromboli! Welk een uitwerksel
had die onverwachte naam op mijne verbeelding! Wij waren in de
Middellandsche zee, in het midden van den eolischen archipel,
mythologischer gedachtenis! op het oude Strongylus, waar Eolus de
winden en stormen aan een keten hield. En die blauwe bergen in het
westen waren die van Calabrie! En die vulkaan, die aan den zuidelijken
gezichteinder verrees, was de Etna, de vreeselijke Etna zelf!


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18