Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)
"Stromboli! Stromboli!" herhaalde ik.
Mijn oom begeleidde mij met zijne gebaren en woorden. Het was alsof
wij een koor zongen!
"O! welk eene reis! Welk eene vreemde reis! Den eenen vulkaan waren
wij in, een anderen uitgekomen, en die andere lag meer dan twaalf
honderd uur gaans van den Sneffels, van dat barre IJsland, dat op
de grenzen der aarde ligt! De toevalligheden op dezen tocht hadden
ons in de liefelijkste streken der aarde overgevoerd! Wij hadden het
gewest der eeuwige sneeuw verlaten voor dat van het eindelooze groen,
en de grauwe mist der koude luchtstreek boven ons gelaten om terug
te komen onder den azuren hemel van Sicilie!
Na een heerlijken maaltijd, uit ooft en frisch water bestaande, gingen
wij weder op weg om de haven van Stromboli te bereiken. Het scheen ons
niet voorzichtig toe om te zeggen, hoe wij op het eiland gekomen waren:
de bijgeloovige geest der Italianen zou ons stellig aangezien hebben
voor duivels, die de hel had uitgebraakt; wij moesten er dus vrede
mede hebben om voor eenvoudige schipbreukelingen door te gaan. Dat
was minder roemvol, maar veiliger.
Onderweg hoorde ik mijn oom mompelen:
"Maar het kompas! het kompas, dat het noorden aanwees! hoe moet ik
dat verklaren?"
"Op mijne eer!" zeide ik op een minachtenden toon, "wij moeten het
maar niet verklaren; dat is het gemakkelijkst!"
"Dat zou wat moois wezen! Een professor aan het Johannaeum, die
de oorzaak van een natuurverschijnsel niet kon vinden, mocht zich
wel schamen!"
Zoo sprekende, werd mijn oom, half naakt, met de lederen beurs om de
lendenen en den bril op den neus, weder de verschrikkelijke professor
in de delfstofkunde.
Een uur nadat wij het olijvenboschje verlaten hadden, kwamen wij aan
de haven San-Vicenzo, waar Hans het loon voor zijne dertiende week
dienst vorderde, dat hem met warme handdrukken werd uitbetaald.
Al deelde hij in dit oogenblik ook niet in onze zeer natuurlijke
aandoening; zoo liet hij zich toch medeslepen door een gevoel van
buitengewone openhartigheid.
Met de toppen zijner vingers drukte hij zacht onze beide handen en
begon te glimlachen.
HOOFDSTUK XLV
In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen
van het kompas verwisseld.
Ziehier het slot van een verhaal, waaraan zelfs zij, die gewoon zijn
zich over niets te verwonderen, geen geloof zullen slaan. Maar ik
ben van te voren gewapend tegen de ongeloovigheid der menschen.
Wij werden door de visschers van Stromboli ontvangen met al de
vriendelijkheid, waarop schipbreukelingen aanspraak hebben. Zij gaven
ons kleederen en levensmiddelen. Na twee dagen wachtens bracht een
klein open vaartuig ons den 31sten Augustus naar Messina, waar eenige
dagen rust ons van al onze vermoeienissen herstelden.
Vrijdag, den 4den September, gingen wij aan boord van de Volturno,
eene der paketbooten van de keizerlijk Fransche stoombootmaatschappij,
en drie dagen later zetten wij te Marseille voet aan wal, zonder
dat ons iets meer kwelde dan die zaak van het vervloekte kompas. Dit
onverklaarbare voorval veroorzaakte mij veel muizenissen. Den 9den
September kwamen wij 's avonds te Hamburg.
Ik waag het niet om de verbazing van Martha, de vreugde van Graeuben
te beschrijven.
"Nu gij een held zijt," sprak mijne lieve bruid, "behoeft gij mij
niet meer te verlaten, Axel!"
Ik zag haar aan. Zij lachte door hare tranen heen.
Men kan licht nagaan welk een opzien de terugkomst van professor
Lidenbrock te Hamburg baarde. Door de praatjes van Martha was de
tijding van zijn vertrek naar het middelpunt der aarde over de
geheele wereld verspreid. Men wilde er geen geloof aan slaan en,
toen men hem terugzag, geloofde men het evenmin.
Toch brachten de tegenwoordigheid van Hans en verschillende berichten
uit IJsland allengs eenige verandering in de openbare meening.
Nu werd mijn oom een groot man en ik de neef van een groot man,
dat ook reeds iets is. Hamburg gaf een feest ter onzer eere. Eene
openbare zitting had in het Johannaeum plaats, waar de professor
een verslag deed van zijn tocht en alleen de zaak van het kompas
verzweeg. Dienzelfden dag legde hij het document van Saknussemm in het
stedelijk archief neder en drukte hij zijn leedwezen daarover uit, dat
de omstandigheden, sterker dan zijn wil, hem niet veroorloofd hadden
om de sporen van den ijslandschen reizigers tot in het middelpunt
der aarde te volgen. Hij was bescheiden bij al zijn roem, waardoor
de achting voor hem nog vermeerderde.
Zooveel eerbewijzingen moesten hem noodzakelijk benijders
verschaffen. Hij kreeg er ook, en daar zijne theorie op stellige
daadzaken gegrond, in tegenspraak was met de wetenschappelijke stelsels
betreffende het inwendige vuur, voerde hij met pen en mond belangrijke
twisten met de geleerden uit alle landen.
Ik voor mij kon zijne theorie van de afkoeling niet aannemen: in
spijt van hetgeen ik gezien heb, geloof ik en zal ik altijd gelooven
aan de inwendige hitte; maar ik geef toe, dat sommige nog duistere
omstandigheden die wet kunnen wijzigen door de werking van natuurlijke
verschijnselen.
Terwijl die vraagstukken aan de orde van den dag waren, ondervond
mijn oom eene ware smart. Hans had, in weerwil van zijn aanhouden,
Hamburg verlaten; de man, wien wij alles te danken hadden, wilde
niet toelaten, dat wij onze schuld aan hem afbetaalden. Hij kreeg
het heimwee naar IJsland.
"Farval!" zeide hij op zekeren dag en met dien eenvoudigen
afscheidsgroet vertrok hij naar Reikiavik, waar hij behouden aankwam.
Wij waren bijzonder gehecht aan onzen dapperen eiderjager; zijne
afwezigheid zal hem nooit doen vergeten door hen, wier leven hij heeft
gered, en stellig zal ik niet sterven zonder hem voor het laatst nog
eens gezien te hebben.
Ten slotte voeg ik er nog bij, dat die "Reis naar het middelpunt der
aarde" verbazend veel opzien in de wereld baarde. Zij werd gedrukt en
in alle talen overgezet; de grootste dagbladen namen er de voornaamste
gedeelten van over, die in het kamp der geloovigen en ongeloovigen
met eene gelijke overtuiging werden beoordeeld, besproken, bestreden
en verdedigd. Mijn oom had het zeldzame voorrecht van nog bij zijn
leven al den roem te genieten, dien hij verworven had, en zelfs Barnum
bleef niet achter met het voorstel om hem voor eene zeer hooge som
in de Vereenigde Staten "ten toon te stellen."
Maar eene verveling, ja eene kwelling sloop onder al dien roem. Eene
zaak bleef onverklaarbaar, die van het kompas. Voor een geleerde nu
wordt zulk een onverklaard natuurverschijnsel eene marteling voor
het verstand. Welnu! de hemel had voor mijn oom een volmaakt geluk
weggelegd.
Toen ik eens eene verzameling delfstoffen in zijn kabinet rangschikte,
bespeurde ik dat beruchte kompas en begon het te onderzoeken.
Reeds zes maanden lang lag het daar in een hoek, zonder iets te
vermoeden van al het hoofdbreken, dat het veroorzaakte.
Hoe groot was daar op eens mijne verbazing! Ik begon te schreeuwen. De
professor kwam aanloopen.
"Wat is er toch te doen?" vroeg hij.
"Dat kompas!"....
"Welnu?"
"Zijne naald wijst naar het zuiden en niet naar het noorden!"
"Wat zegt gij!"
"Zie maar! zijne polen zijn verwisseld."
"Verwisseld!"
Mijn oom keek, vergeleek, en deed het huis beven door een hoogen
sprong.
Welk een licht ging er tegelijk op voor zijn en mijn verstand!
"Dus wees dan," riep hij, zoodra hij weder spreken kon, "na onze
aankomst bij kaap Saknussemm de naald van dat verdoemde kompas het
zuiden in plaats van het noorden aan?"
"Dat blijkt."
"Dan wordt onze dwaling verklaard. Maar welk natuurverschijnsel heeft
die verwisseling van polen teweeg kunnen brengen?"
"Niets is eenvoudiger."
"Verklaar u, mijn jongen!"
"Gedurende den storm op de Lidenbrock-zee heeft die vuurbol, die het
ijzer van het vlot magnetisch maakte, heel eenvoudig ons kompas in
de war gebracht!"
"Zoo! dan was het een grap van de electriciteit?" riep de professor
schaterende van lachen.
Van dien dag af was mijn oom de gelukkigste aller geleerden en ik de
gelukkigste aller mannen; want mijne lieve Graeuben, hare betrekking
van pupil nederleggende, nam plaats in het huis in de Koningstraat
in de dubbele betrekking van nicht en echtgenoote. Ik behoef hier
niet bij te voegen, dat de vermaarde professor Otto Lidenbrock,
correspondeerend lid van alle wetenschappelijke, aardrijkskundige en
delfstofkundige genootschappen der vijf werelddeelen, haar oom werd.
INHOUD.
I. Prof Otto Lidenbrock.--Eigenaardigheden van oom.--De studeerkamer.
II. Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document.--Wat
het oude papier kostte.
III. Een runisch handschrift;--Uitleg van het alphabet.--Het
geheimschrift.--Een geleerd man.--Nichtje Graeuben.--Ontcijfering van
het document.--Einde der ontcijfering.
IV. Vrees voor het raadselachtige werk.--Waar is oom?--Moeielijkheden
der ontcijfering.--De sleutel gevonden.
V. De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De huissleutel
verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing van het document.--De
valiezen moeten gepakt worden.
VI. In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol.--De
vulkanen.--Inwendige hitte der aarde.
VII. Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke
reis.--Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet
gepakt worden.--Naar den kelder?.
VIII. Altona.--Kiel.--Korsoer.--Professor Thomson.--Kopenhagen.--De
Vor-Frelserskerk.--Duizeligheid.
IX. Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het
handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders.
X. Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De
Sneffels.--Over zee of over land?
XI. Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van
Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht.
XII. Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek
Gufunus.--Overtocht van den Fjoerd.
XIII. Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij
onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen.
XIV. De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees voor
uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor uitbarsting.
XV. Het vertrek naar Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid van
den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer".
XVI. Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den
krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock
wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.
XVII. Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen inwendige
warmte.--Op den bodem van den krater.
XVIII. Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava.
XIX. De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar
boven, naar Graeuben.--Dreigend watergebrek.
XX. Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong
der steenkolen.--Vergeefsche tocht.
XXI. Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den
professor.--Spanning.--Columbus nagevolgd.
XXII. Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans.
XXIII. Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst
gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap.
XXIV. Te horizontaal.--Bijna loodrechte lijn.--Onder den Oceaan.
XXV. Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Hamphry Davy
gelijk?--Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand.
XXVI. Toenemende stilzwijgendheid.--Verdwaald.
XXVII. Levend begraven.--Splitsing der galerij.--Bede tot God.--In
de zwarte duisternis.
XXVIII. Een geraas!--Het geluid van
woorden.--Foerlorad.--Gemeenschap.--Gesprek op anderhalf uur
gaans.--Bemoediging.--Bewusteloos neergeploft.
XXIX. Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten.
XXX. De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende
zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees voor
voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.
XXXI. Door een zeebad versterkt.--Vloed, ebbe en magnetische
helling.--scheepstimmerhout.--Het vlot.
XXXII. Zeilklaar.--Vertrek van Graeubenhaven.--Het
scheepsjournaal.--Voorwereldlijke visch.--Blindheid van dien
visch.--Axel's droom.--Axel ontwaakt.
XXXIII. Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In
het ijzer gebeten.--Zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De
plesiosaurus bezwijkt.
XXXIV. Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser.
XXXV. Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking
der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische
kogel.--Altijd op zee.
XXXVI. Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de
terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne
collega's.--Op welke hoogte?
XXXVII. Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der
schildpad.--De beenderenvlakte.
XXXVIII. Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De
reus van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis.
XXXIX. Voorwereldlijke planten en
dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De aapmensen.--Niet op het
uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte dagge.
XL. Arne Saknussemm.--Altijd dalen.--De schepen verbranden.--Een weg
voor de lava.--De mijn moet springen.
XLI. De mijn gesprongen.--De ontploffing--Snelle vaart van het
vlot.--De woede van den stortvloed--Onverwachte overstrooming.
XLII. De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De
laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring.
XLIII. Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Een
uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft liggen.--Op nieuw
opgestuwd.
XLIV. Op aarde terug.--In Azie?--De tegenvoeters.--In de Middellandsche
zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans.
XLV. In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen van
het kompas verwisseld.
AANTEEKENINGEN.
[1] Omtrent f 2.30.
[2] La Recherche werd in 1835 door den admiraal Duperre uitgezonden
om de sporen eener verongelukte expeditie, die van den heer de
Blosseville, en van la Lilloise, waarvan men nooit bericht heeft gehad,
op te zoeken.
[3] Deze naam wordt gegeven aan de nauwe inhammen in de scandinavische
landen.
[4] Ruim f 8.
[5] De toestel van Ruhmkorff bestaat uit eene kolom van Bunsen,
in werking gebracht door middel van het dubbel chroniumzuur zout
van potasch, dat reukeloos is; een inductie-toestel brengt de
electriciteit door de kolom voortgebracht, in verband met een
lantaarn van een bijzondere inrichting; in deze lantaarn bevindt
zich eene bijna luchtledige slang, waarin alleen een overschot van
koolzuurgas of van stikstof overblijft. Als de toestel werkt, wordt
dit gas lichtgevend en verschaft een witachtig en aanhoudend licht. De
kolom en de inductie-toestel worden in een lederen zak geborgen,
dien de reiziger als een bandelier draagt. De lantaarn er uitgenomen
zijnde geeft genoeg licht in de zwartste duisternis; zij laat toe,
dat men zich zonder vrees voor ontploffing in de brandbaarste gassen
waagt en gaat zelfs diep onder water niet uit.
De heer Ruhmkorff is een geleerd en bekwaam natuurkundige. Zijne
groote ontdekking is de inductie toestel, die veroorlooft om eene
electriciteit van hooge drukking voort te brengen. In 1864 heeft hij
den vijfjarigen prijs van 50000 frank verkregen, dien Frankrijk voor
de vernuftigste toepassing der electriciteit had uitgeloofd.
[6] Huis van den ijslandschen boer.
[7] Hamburgsche munt, omtrent f 42,75.
[8] Dus genoemd, omdat de gronden van dit tijdperk zeer uitgestrekt
zijn in Engeland in de streken, die voorheen bewoond werden door een
celtischen volksstam, de Siluriers.
[9] Visschen met vierkante, harde schubben of platen.
[10] Ontvlambaar gas in de gangen der kolenmijnen, uit koolwaterstof
met eenig koolzuur en stikstof bestaande.
[11] Eene plotselinge afwijking in den loop eener steenkolenader.
[12] Phosphorzure kalk.
[13] Zeeen van het secundaire tijdperk, die de gronden hebben gevormd,
waaruit het Juragebergte bestaat.
[14] Eene zeer beroemde springbron aan den voet van den Hekla.
[15] De gelaatshoek wordt gevormd door twee vlakken; het eene, min
of meer loodrecht, raakt het voorhoofd en de snijtanden; het andere,
horizontaal, snijdt de opening der gehoorwerktuigen en de benedenzijde
van het neusbeen. Men verstaat onder prognathismus, in de taal der
natuurkundige beschrijving van den mensch, het vooruitspringen van
het kaakbeen of de kinnebak, waardoor de gelaatshoek gewijzigd wordt.