A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


"Laat eens zien," zeide hij, "de eerste gedachte die zich aan den geest
moet voordoen om de letters van een volzin te verwarren is, dunkt mij,
om de woorden onder in plaats van naast elkander te schrijven."

"Wel mogelijk!" dacht ik.

"Wij zullen zien, wat dat geeft Axel! schrijf den een of anderen
volzin op dit stukje papier; maar zet de letters in plaats van achter
elkander in geregelde rijen, elke van vijf of zes, onder elkander."

"Ik begreep, wat hij bedoelde, en onmiddelijke schreef ik van boven
naar beneden:


I i n i r n
k n i e ae !
b u g v u
e i , e b
m n l G e


"Goed," zeide de professor, zonder gelezen te hebben. "Zet nu deze
woorden op een regel naast elkander."

Ik gehoorzaamde en kreeg den volgenden volzin:

linirn, knieae! bugvu ei,eb, mnlGe.

"Heel goed!" riep mijn oom, mij het papier uit de hand rukkende, "dat
lijkt al een beetje op het oude document; de klinkers staan in dezelfde
wanorde als de medeklinkers; er zijn zelfs hoofdletters en komma's
in het midden der woorden, juist als op het perkament van Saknussemm!"

Ik kon niet nalaten deze opmerkingen zeer schrander te vinden.

"Om nu," hernam mijn oom, zich rechtstreeks tot mij wendende, "den
volzin te lezen, dien gij geschreven hebt en ik niet ken, zal het
genoeg zijn om achtereenvolgens de eerste letter van ieder woord te
nemen, dan de tweede, dan de derde, enz."

En tot zijne groote verwondering, maar vooral tot de mijne, las
mijn oom:

"Ik bemin u innig, lieve Graeuben!"

"Ei!" riep de professor.

Ja, zonder er om te denken had ik, als een verliefde lomperd dien
gevaarlijken volzin geschreven!

"Zoo, zoo! bemint gij Graeuben!" hernam mijn oom op den echten toon
van een voogd.

"Ja.... Neen...." stamelde ik.

"Zoo, zoo! bemint gij Graeuben!" herhaalde hij werktuiglijk. "Welnu, wij
zullen deze handelwijze op het voor ons liggende document toepassen."

Weder in zijne alles overheerschende beschouwing verdiept, vergat mijn
oom reeds mijne onvoorzichtige woorden. Ik zeg onvoorzichtige, want
het hoofd van den geleerde kon geene zaken van het hart begrijpen. Maar
gelukkig won het de groote zaak van het document.

Op dat oogenblik, dat de voornaamste proef zou gedaan worden,
schoten de oogen van professor Lidenbrock bliksemstralen door
zijn bril; zijne vingers beefden, toen hij het oude perkament
weder opnam; hij was diep ontroerd. Eindelijk hoestte hij hevig,
en met eene ernstige stem achtereenvolgens de eerste, daarna de
tweede letter van ieder woord noemende, gaf hij mij de volgende
reeks op: mmessunkaSenrA. icefdoK.segnittamurtnecertserrette,
rotaivsadua, ednecsedsadnelacartniiiluJsiratrac Sarbmutabiledmek
meretarcsilucoYsleffenSnI.

Toen ik gereed was, was ik waarlijk aangedaan; deze letters, een
voor een opgenoemd, hadden geen zin opgeleverd; ik verwachtte dus,
dat de professor een sierlijken latijnschen volzin statig van zijne
lippen zou laten vloeien.

Maar wie had zoo iets kunnen denken! Een hevige vuistslag deed de tafel
dreunen. De inkt spatte uit den koker, de pen viel uit mijne hand.

"Dat is het niet," riep mijn oom, "dat heeft geen gezonden zin!"

Vervolgens het vertrek met bliksemsnelheid doorvliegende en de trap
als eene lawine afstormende, snelde hij de Koningstraat in en was in
een oogenblik uit het oog verdwenen.



HOOFDSTUK IV


Vrees voor het raadselachtige werk.--Waar is oom?--Moeilijkheden
der ontcijfering.--De sleutel gevonden.


"Is hij weg?" riep Martha, die kwam aanloopen op het geraas van de
huisdeur, die zoo hard was toegetrokken, dat het geheele huis er
van dreunde.

"Ja!" antwoordde ik, "voor goed weg!"

"Hoe is het met zijn middagmaal," vroeg de oude meid.

"Hij zal niet eten!"

"En met zijn avondeten?"

"Hij zal niet eten!"

"Wat!" zeide Martha, hare handen ineenslaande.

"Neen, goede Martha! hij en niemand in huis zal meer eten! Oom
Lidenbrock wil ons allen honger laten lijden, tot hij een oude vod
ontcijferd heeft, die volstrekt onmogelijk te ontcijferen is!"

"Dan zit er niet anders op dan van honger te sterven!"

Ik durfde er niet voor uitkomen, dat dit ons onvermijdelijk lot zou
zijn met zulk een onhandelbaar mensch als mijn oom.

De oude meid ging, hevig ontroerd, zuchtende naar haar keuken terug.

Toen ik alleen was, kwam ik op de gedachte om alles aan Graeuben te
gaan vertellen; maar hoe zou ik het huis uitkomen? De professor kon
ieder oogenblik terugkeeren. En als hij mij dan eens riep! En als
hij weer eens wilde beginnen met dat raadselachtige werk, dat men te
vergeefs den ouden OEdipus zou voorgelegd hebben! Antwoordde ik dan
niet op zijn roep, wat zou er dan van komen?

Blijven was dus het verstandigste. Juist had een delfstofkundige uit
Besancon ons eene verzameling kiezelachtige adelaarsteenen gezonden,
die gerangschikt moesten worden. Ik ging aan het werk. Ik schiftte en
schikte in hunne hokjes al die holle steenen, waarin kleine kristallen
zweefden.

Maar die bezigheid gaf mij geene afleiding; de zaak van het oude
document hield mij te zeer bezig. Mijn hoofd gloeide en ik werd
door eene naamlooze onrust bevangen. Ik had een voorgevoel van een
naderend onheil.

Na verloop van een uur waren de adelaarsteenen ordelijk geschikt. Ik
liet mij toen met slingerende armen en achteroverhangend hoofd in
den grooten Utrechtschen armstoel neervallen. Ik stak mijn groote
duitsche pijp aan, welker gebeeldhouwde kop eene achteloos uitgestrekte
stroomnimf voorstelde; daarna vermaakte ik mij met den voortgang
der verbranding te volgen, die van mijne stroomnimf langzamerhand
een volslagen negerin maakte. Van tijd tot tijd luisterde ik, of er
geen schreden op de trap klonken. Maar neen. Waar mocht mijn oom op
dat oogenblik toch zijn? Ik verbeeldde mij hem te zien loopen onder
de schoone boomen op den weg naar Altona, met zijn stok zwaaiende
en blind pareerende, met geweld op het gras slaande, de toppen der
distelplanten afhakkende en de schuwe ooievaars in hunne rust storende.

Zou hij zegepralend of moedeloos huiswaarts keeren? Wie van beiden
zou het winnen, het geheim of hij? Zoo ondervroeg ik mij zelven,
en werktuigelijk nam ik het blad papier in handen, waarop de
onverstaanbare reeks der door mij geschreven letters stond. Ik
herhaalde bij mij zelven: "Wat beteekent dat?"

Ik beproefde die letters zoo te schikken, dat zij woorden vormden. Het
was onmogelijk. Of men ze bij tweeen, drieen, vijven of zessen
vereenigde, het gaf niets verstaanbaars; wel vormden de veertiende,
vijftiende en zestiende letter het woord "ice," de vier-, vijf-
en zes en tachtigste het woord "sir," en eindelijk merkte ik in het
midden van het document op den tweeden regel ook de latijnsche woorden
"rota, mutabile, ira, nec, atra" op.

"Drommels!" dacht ik, "uit die laatste woorden zou men bijna opmaken,
dat oom gelijk heeft wat de taal van het document betreft. En zelfs
bemerk ik nog op den derden regel het woord "luco," dat "heilig bosch"
beteekent. Wel is waar leest men op den derden het woord "tabiled,"
dat zuiver hebreeuwsch is, en de zelfstandige naamwoorden "mer, arc,
mere," die zuiver fransch zijn."

Dat was genoeg om iemand razend te maken! Vier verschillende talen in
dien dwazen volzin! Welk verband kon er bestaan tusschen de woorden
"ijs, mijnheer, toorn, wreed, heilig bosch, veranderend, moeder, boog
of zee?" Het eerste en laatste alleen konden gemakkelijk overeenkomen;
het was toch niet vreemd, dat in een document op IJsland geschreven,
van eene "IJszee" gesproken werd. De verklaring van het raadsel was
daarmede echter nog niets gevorderd.

Ik worstelde dus hevig tegen eene onoplosbare zwarigheid; mijne
hersenen gloeiden; ik pinkoogde op het blad papier; de honderd twee
en dertig letters schenen om mij heen te dansen, gelijk die zilveren
tranen die na een geweldigen aandrang van het bloed om ons hoofd in
de lucht opstijgen.

Ik was ten prooi aan eene soort van zinsbegoocheling, ik stikte, ik
snakte naar lucht. Werktuigelijk bewaaide ik mij met het blad papier,
welks beide zijden zich beurtelings aan mijn oog vertoonden.

Hoe groot was mijne verbazing, toen ik bij eene van die snelle
omdraaiingen, op het oogenblik dat de keerzijde naar mij gewend was,
volkomen leesbare woorden, latijnsche woorden meende te bespeuren,
o.a. "craterem, terrestre."

Terstond ging er een licht voor mij op; deze eenvoudige kenteekenen
deden mij de waarheid inzien; ik had de wet van het geheimschrift
ontdekt. Om dit document te lezen was het niet eens noodig om door
het omgekeerde blad heen te lezen! Neen. Zoo als het was, zoo als het
mij was voorgezegd, kon het vloeiend gespeld worden. Alle vernuftige
verbindingen van den professor werden bewaarheid; hij had gelijk gehad
ten aanzien van de schikking der letters, gelijk ook ten aanzien van de
taal van het document! Er was slechts eene "beuzeling" noodig geweest
om dien latijnschen volzin van het eene einde tot het andere te kunnen
lezen, en het toeval had mij die "beuzeling" aan de hand gedaan!

Men kan nagaan hoe ontroerd ik was! Mijne oogen werden dof. Ik kon ze
niet gebruiken. Ik had het blad papier op de tafel gelegd. Ik behoefde
er slechts een blik op te slaan om bezitter van het geheim te worden.

Eindelijk gelukte het mij mijne ontroering meester te worden. Ik
maakte het mij tot een plicht om tweemaal de kamer rond te gaan,
ten einde mijne zenuwen tot bedaren te brengen, vervolgens plaatste
ik mij weder in den grooten armstoel.

"Ik zal het lezen!" riep ik uit na ruim adem gehaald te hebben.

Ik bukte over de tafel, legde mijn vinger achtereenvolgens op iedere
letter, en zonder te stuiten, zonder een oogenblik te haperen, las
ik luide den geheelen volzin.

Maar welk eene ontsteltenis, welk een schrik greep mij aan! Ik stond
eerst als door den bliksem getroffen. Hoe! wat ik daar vernam was reeds
volbracht! iemand was vermetel genoeg geweest om door te dringen!....

"Ach!" riep ik uit, terwijl ik opsprong, "neen! neen! oom mag het
niet weten! Dat ontbreekt er nog maar aan, dat hij de lucht kreeg
van zulk eene reis! Hij zou er wellicht ook smaak in krijgen! Niets
zou hem kunnen tegenhouden! Hij, zulk een vastberaden geoloog, zou
vertrekken in ieder geval, in weerwil, in spijt van alles! En hij
zou mij medenemen en wij zouden niet terugkomen! Nooit, nooit!"

Ik verkeerde in een onbeschrijfelijken toestand van opgewondenheid.

"Neen, neen! het mag niet gebeuren," zeide ik vastbesloten, "en daar
ik kan beletten, dat zulk een denkbeeld bij mijn dwingeland opkomt,
zal ik het doen. Door dit document telkens te wenden en te keeren, zou
hij bij toeval den sleutel kunnen ontdekken. Ik zal het vernietigen!"

Er lag nog eenig vuur in den haard. Ik greep niet alleen het blad
papier maar ook het perkament van Saknussemm; met koortsachtig bevende
hand wilde ik alles op de kolen werpen en dit gevaarlijke geheim
vernietigen, toen de kamerdeur geopend werd en mijn oom verscheen.



HOOFDSTUK V


De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De
huissleutel verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing
van het document.--De valiezen moeten gepakt worden.


Ik had maar even den tijd om het onheil-aanbrengend document weder
op de tafel te leggen.

Professor Lidenbrock scheen in diep gepeins verzonken. De gedachte, die
hem beheerschte, liet hem geen oogenblik rust; hij had klaarblijkelijk
onder de wandeling de zaak onderzocht, ontleed, alle hulpbronnen
zijner verbeeldingskracht aangewend, en kwam nu terug om de eene of
andere nieuwe verbinding toe te passen.

Hij ging inderdaad in zijn armstoel zitten en met de pen in de
hand begon hij formules neer te schrijven, die op een algebraisch
vraagstuk geleken.

Ik volgde met mijne oogen zijne sidderende hand; geen enkele zijner
bewegingen ontging mij. Welke onverwachte uitkomst zou hij misschien
verkrijgen? Ik beefde, maar zonder reden, omdat de ware, de "eenige"
verbinding reeds gevonden zijnde, iedere andere nasporing noodwendig
vergeefs moest zijn.

Drie uur lang werkte mijn oom zonder te spreken, zonder het hoofd op
te heffen, duizendmaal uitwisschende, weder opnemende, doorschrappende,
weder beginnende.

Ik wist wel dat, als het hem gelukte om die letters te schikken naar
al de betrekkelijke plaatsen, die zij konden innemen, de zin klaar zou
zijn. Maar ik wist ook, dat twintig letters reeds twee trillioenen,
vier honderd twee en dertig duizend negen honderd twee billioenen,
acht duizend een honderd zes en zeventig millioenen, zes honderd
veertig duizend verbindingen moesten opleveren. In den zin waren
honderd twee en dertig letters, en die honderd tweeen dertig letters
gaven een getal verschillende volzinnen, dat uit minstens honderd
drie en dertig cijfers bestaat, een getal bijna onmogelijk uit te
spreken en dat alle bevatting te boven gaat.

Ik was dus gerust over dit heldhaftige middel om het vraagstuk op
te lossen.

Intusschen verliep de tijd; het werd nacht; het gerucht op straat
hield op; steeds over zijn werk gebukt zag mijn oom niets, zelfs de
goede Martha niet, die de deur half opende; hij hoorde niets, zelfs
de stem dezer waardige dienstbode niet die vroeg:

"Zal Mijnheer dezen avond eten?"

Martha moest zonder antwoord heengaan; ik voor mij, na mij eenigen
tijd er tegen verzet te hebben, werd door den slaap overmand en sliep
in op het einde van de canape, terwijl oom Lidenbrock nog maar altijd
berekende en doorschrapte.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was de onvermoeide werkezel nog
aan den arbeid. Zijne roode oogen, zijn bleek gezicht, zijne haren,
waarin hij met eene koortsige hand had gewoeld, de purperroode rand
onder zijne oogen bewezen genoegzaam zijne verschrikkelijke worsteling
met het onmogelijke, en onder welk eene vermoeinis van zijn geest en
inspanning van zijne hersenen de uren voor hem moesten verloopen zijn.

Ik kreeg waarlijk medelijden met hem. In weerwil van de verwijten,
die ik het recht meende te hebben om hem te doen, gevoelde ik zekere
aandoening. De arme man werd zoo door zijne gedachten overheerscht,
dat hij vergat om boos te worden; al zijne levenskrachten trokken zich
op een punt samen, en daar zij niet door hare gewone veiligheidsklep
ontsnapten, stond het te vreezen dat hare spanning hem binnen kort
zou doen springen.

Ik kon door een gebaar, door een woord slechts die ijzeren schroef
losmaken, die op zijne hersenpan drukte. En ik deed het niet!

Mijn hart was toch goed genoeg. Waarom bleef ik dan stom in zulk een
geval? In het belang van mijn oom.

"Neen, neen!" herhaalde ik, "neen, ik zal niet spreken! Hij zou er
heen willen gaan, ik ken hem; niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij
heeft eene vulkanische verbeeldingskracht, en om te doen wat andere
geologen niet gedaan hebben, zou hij zijn leven wagen. Ik zal zwijgen,
ik zal het geheim bewaren, waarvan het toeval mij bezitter heeft
gemaakt; het te ontdekken zou zoo goed zijn als professor Lidenbrock
te dooden. Laat hij het raden, als hij kan, ik wil mij later niet te
verwijten hebben, dat ik hem in het verderf heb gestort!"

Nadat ik hieromtrent tot een besluit was gekomen, sloeg ik de armen
over elkaar en wachtte. Maar ik had niet op een voorval gerekend,
dat eenige uren later plaats had.

Toen de goede Martha het huis wilde verlaten om naar de markt te gaan,
vond zij de deur gesloten; de huissleutel stak niet in het slot. Wie
had hem er uitgenomen? Stellig mijn oom, toen hij den vorigen avond
van zijn haastig uitstapje was teruggekomen.

Was het met voordacht? Was het bij vergissing? Wilde hij ons de
kwellingen van den honger laten ondergaan? Dat dacht mij toch wat al
te erg. Hoe! Martha en ik zouden de offers zijn van een toestand,
die ons niet het minste aanging? Zonder twijfel, en ik herinnerde
mij een vroeger voorval, dat wel geschikt was om ons vrees aan te
jagen. Eenige jaren geleden toch, op een tijdstip dat mijn oom werkte
aan zijn groote mineralogische classificatie, bleef hij acht en veertig
uur zonder voedsel, en het geheele huisgezin moest zich onderwerpen aan
die wetenschappelijke hongerkuur. Ik voor mij kreeg er een maagkramp
door, die niet zeer aangenaam was voor een vrij eetlustigen jongen.

Het scheen mij dus toe, dat het ontbijt even zoo zou uitblijven als
het vorige avondeten. Ik besloot echter mijn moed te toonen, en niet te
wijken voor de eischen der maag. Martha trok het zich zeer aan en werd
bedroefd, die goede vrouw! Wat mij aangaat, de onmogelijkheid om het
huis te verlaten hield mij en terecht meer bezig. Men begrijpt mij wel.

Mijn oom werkte gestadig door; zijn verbeelding verloor zich in de
denkbeeldige wereld der verbindingen; hij leefde ver buiten de aarde
en gevoelde werkelijk geen aardsche behoeften.

Tegen den middag prikkelde de honger mij hevig; Martha had, in hare
eenvoudigheid, den vorigen avond den voorraad der etenskast geplunderd;
er was niets meer in huis. Toch hield ik mij goed. Ik maakte er eene
soort van punt van eer van.

Het sloeg twee uur. Het werd bespottelijk, onuitstaanbaar zelfs,
ik zette groote oogen op. Ik begon bij mij zelven te zeggen, dat ik
het gewicht van het document overdreef; dat mijn oom er geen geloof
aan zou slaan; dat hij er niets in zou zien dan bedriegerij, dat
men hem in het ergste geval tegen zijn zin zou tegenhouden, als hij
de onderneming wilde beproeven; eindelijk, dat hij zelf den sleutel
van het geheimschrift kon ontdekken en dat mijne onthouding dan te
vergeefs zou geweest zijn.

Deze redenen schenen mij uitmuntend toe, hoewel ik ze daags te voren
met verontwaardiging had verworpen; ik vond het zelfs heel dwaas, dat
ik zoo lang had gewacht en mijn besluit was genomen om alles te zeggen.

Ik peinsde dus op een middel om niet zoo rechtstreeks met de deur
in huis te vallen, toen de professor opstond, zijn hoed opzette en
wilde gaan.

"Hoe! het huis verlaten en ons nog eens opsluiten. Dat
nooit. Oom!" zeide ik.

Hij scheen mij niet te hooren.

"Oom Lidenbrock!" herhaalde ik met verheffing van stem.

"He! wat is 't?" zeide hij als iemand, die plotseling ontwaakt.

"Welnu! die sleutel!"

"Welke sleutel? De huissleutel?"

"Wel neen," riep ik, "de sleutel van het document!"

De professor keek mij aan over zijn bril; hij bespeurde ongetwijfeld
iets ongewoons op mijn gelaat, althans hij vatte driftig mijn arm, en
zonder te kunnen spreken ondervroeg hij mij met zijne blikken. Echter
werd nooit een vraag juister gesteld.

Ik bewoog mijn hoofd van boven naar beneden.

Hij schudde het zijne met eene soort van medelijden, alsof hij met
een gek te doen had.

Ik maakte een duidelijker gebaar.

Zijne oogen schitterenden met een helderen glans, zijne hand maakte
eene dreigende beweging.

Dit stomme gesprek in deze omstandigheden zou den onverschilligsten
aanschouwer belang hebben ingeboezemd. Het kwam waarlijk zoo ver, dat
ik niet meer durfde spreken, uit vrees dat mijn oom mij in de eerste
omhelzingen zijner vreugde mocht smoren. Maar hij drong zoo sterk,
dat ik antwoorden moest.

"Ja, die sleutel!... het toeval!..."

"Wat zegt gij?" riep hij met een onbeschrijfelijke ontroering.

"Ziedaar," zeide ik, hem het door mij beschreven blad papier
overreikende, "lees!"

"Maar dat beteekent niets!" antwoordde hij het papier ineen
frommelende.

"Niets, als men van voren begint te lezen, maar van achteren..."

Ik had nog niet uitgesproken of de professor slaakte een kreet of
liever een echt gebrul! Een licht was voor zijn geest opgegaan. Hij
was geheel van gedaante veranderd.

"O, schrandere Saknussemm! gij hadt dus eerst uw volzin averechts
geschreven?"

En met drift op het papier aanvallende, las hij met een verduisterd
oog en aangedane stem het geheele document, van de laatste letter af
aan beginnende.

Het behelsde het volgende:

In Sneffels Yoculis craterem kem delibat umbra Scartaris Julii intra
calendas descende, audas viator, et terrestre centrum attinges. Kod
feci. Arne Saknussemm.





Dit slecht latijn zou men aldus kunnen vertalen:





Daal af in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van
den Scartaris treft voor den eersten Juli, vermetele reiziger! en
gij zult het middelpunt der aarde bereiken.

Ik heb het gedaan. Arne Saknussemm.





Toen hij dit las, sprong mijn oom op, alsof hij onverwachts eene
Leidsche flesch had aangeraakt. Zijne opgewondenheid, vreugde en
overtuiging waren onbeschrijflijk. Hij liep heen en weer, nam zijn
hoofd tusschen de beide handen, verzette de stoelen, stapelde zijne
boeken op elkander, goochelde, het is haast niet te gelooven, met
zijne kostbare adelaarsteenen, gaf hier een slag met de vuist, daar
een tik met de hand. Eindelijk kwamen zijne zenuwen tot bedaren,
en even als iemand die uitgeput is door een overdadig genot, liet
hij zich in zijn armstoel nedervallen.

"Hoe laat is het toch?" vroeg hij na eenige oogenblikken stilte.

"Drie uur," antwoordde ik.

"Wat! dan heb ik mijn middagmaal mooi verzuimd. Ik sterf van
honger. Aan tafel! En dan...."

"En dan?"

"Zult gij mijn valies pakken."

"Wat?" riep ik uit.

"En het uwe!" antwoordde de onverbiddelijke professor, terwijl hij
de eetzaal binnentrad.



HOOFDSTUK VI


In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol.
--De vulkanen.--Inwendige hitte der aarde.


Op die woorden ging mij eene rilling door het geheele
lichaam. Ik bedwong mij echter. Ik besloot zelfs een goed gelaat
te toonen. Wetenschappelijke bewijzen alleen konden professor
Lidenbrock weerhouden, en die waren er genoeg, zeer goede zelfs,
tegen de mogelijkheid van zulk eene reis. Naar het Middelpunt der
aarde gaan! Welk eene dwaasheid! Ik bewaarde mijne bedenkingen tot
een gepaster oogenblik en hield mij alleen met den maaltijd bezig.

Het is noodeloos al de verwenschingen van mijn oom mede te deelen,
toen hij de tafel niet gedekt vond. Alles werd opgehelderd. De goede
Martha kreeg hare vrijheid terug. Zij liep naar de markt en repte
zich zoo, dat mijn honger een uur later gestild was en ik weder besef
kreeg van onzen toestand.

Onder het eten was mijn oom bijna vroolijk; er ontvielen hem
eenige geleerde kwinkslagen, die nooit zeer gevaarlijk zijn. Toen
het nagerecht was afgeloopen, gaf hij mij een wenk om hem in zijn
studeervertrek te volgen.

Ik gehoorzaamde. Hij ging aan het eene einde van zijne werktafel
zitten en ik aan het andere.

"Axel!" zeide hij met eene zachte stem, "gij zijt een schrandere
jongen; gij hebt mij daar een verbazenden dienst bewezen, toen ik die
verbinding wilde opgeven. Waar zou ik heen gedwaald zijn. Niemand
kan het weten! Ik zal dat nooit vergeten, mijn jongen! en gij zult
uw deel hebben van den roem, dien wij zullen verwerven."

"Kom aan," dacht ik, "hij is goed geluimd; het oogenblik is gekomen
om over dien roem te twisten."

"Bovenal," hernam mijn oom, "beveel ik u de stiptste geheimhouding
aan, verstaat gij? Het ontbreekt mij aan geen benijders in de geleerde
wereld, en velen zouden die reis willen ondernemen, die er eerst bij
onze terugkomst iets van mogen vernemen.

"Gelooft gij," zeide ik, "dat het aantal van die vermetelen zoo groot
zou zijn?"

"Zeker! Wie zou aarzelen om zulk een roem te verwerven? Als dit
document bekend was, zou een heirleger van geologen het voetspoor
van Arne Saknussemm volgen!"

"Daarvan ben ik nog niet overtuigd, oom! want niets bewijst de echtheid
van dit document."

"Wat! En het boek, waarin wij het ontdekt hebben?"

"Goed! Ik stem toe, dat die Saknussemm deze regels geschreven heeft;
maar volgt daaruit, dat hij inderdaad die reis heeft volbracht,
en kan dat oude perkament geene bedriegerij behelzen?"

Het speet mij bijna, dat ik dit wel wat gewaagde woord had gesproken;
de professor fronste zijn dikke wenkbrauwen en ik vreesde den uitslag
van dit gesprek in de waagschaal te hebben gesteld. Gelukkig liep het
goed af. Een vluchtig glimlachje krulde de lippen van den strengen
spreker en hij antwoordde:

"Dat zullen wij eens zien."

"Zoo!" zeide ik een weinig verstoord, "maar veroorloof mij om de
reeks van tegenwerpingen met betrekking tot dit document te voltooien."

"Spreek, mijn jongen! spreek ongedwongen. Ik geef u volle vrijheid
om uwe meening te uiten. Gij zijt niet meer mijn neef, maar mijn
ambtgenoot. Ga dus voort."

"Welnu! dan zal ik u vooreerst vragen, wat die Yocul, die Sneffels
en die Scartaris zijn, waarvan ik nooit heb hooren spreken."

"Niets is gemakkelijker. Ik heb onlangs van mijn vriend August
Petermann uit Leipzig eene kaart gekregen; zij kon niet beter van
pas komen. Krijg den derden atlas uit het tweede vak van de groote
bibliotheek, reeks Z. de vierde plank."

Ik stond op en, dank zij deze juiste aanwijzingen, vond ik spoedig
den gevraagden atlas. Mijn oom opende hem en zeide:

"Dit is eene der beste kaarten van IJsland, die van Handerson, en ik
geloof, dat zij ons de oplossing van al uwe bezwaren zal geven."

Ik boog mij over de kaart.

"Ziet gij dit eiland uit vulkanen bestaande?" zeide de professor. "Let
op, zij dragen allen den naam van Yocul. Dat woord beteekent in het
ijslandsch "gletscher," en onder de hooge breedte van IJsland banen
de meeste uitbarstingen zich een weg door de ijsbeddingen. Van daar
die benaming van Yocul voor al de vuurspuwende bergen des eilands."

"Goed," antwoordde ik, "maar wat is de Sneffels?"


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18