Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)
De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde
door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters
van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot.
Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep
snel over het donkere water van de groote Belt.
De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene
hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet
niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was
alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield.
Des morgens te zeven uur landden wij te Korsoer, een stadje op de
westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen
spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van
Holstein voerde.
Wij moesten nog drie uur reizen, voor wij de hoofdstad van Denemarken
bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn
ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort.
Eindelijk kreeg hij de zee in het oog.
"De Sond!" riep hij uit.
Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen
te wezen.
"Het is een krankzinnigengesticht," zeide een onzer reisgenooten.
"Goed!" dacht ik, "in zulk eene inrichting moesten wij ons leven
eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog
te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen."
Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de
bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hotel de
Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid,
want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt
had, sleepte hij mij mede. De portier van het hotel sprak duitsch en
engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed
deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het
Museum van noordsche oudheden.
De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen
opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des
lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen
en kleinoodien, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg,
professor Thomson.
Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen
ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het
anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor
Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig
te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het
Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers
IJsland gaan bezoeken.
De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen
de kaaien af om een zeilree schip te vinden.
Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn;
maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie,
zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de
heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in
zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig
verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan,
daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige
kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten
betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet.
"Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn," zeide Bjarne,
nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken.
Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en
keerden naar het hotel de Phoenix terug.
"Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!" herhaalde mijn oom. "Welk
een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden
hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien."
Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats,
waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen,
die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche
restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor
den matigen prijs van vier mark per hoofd. [1]
Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de
stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch
het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de
zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat
verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke
muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen;
noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch
het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn
klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier
bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende
wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip.
Hoe heerlijk zouden de lieve Graeuben en ik gewandeld hebben naar de
haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun
rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes,
in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten
muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken!
Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Graeuben, en mocht ik hopen
haar ooit weder te zien?
Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo
werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren
klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van
Kopenhagen uitmaakt.
Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine
stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken
legde zij aan bij de dokwerf-kade.
Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half
gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren
werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets
merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht
des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich
van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden
zich hoog in de lucht.
"Laten wij hem beklimmen," zeide mijn oom.
"Maar de duizeligheid?" hernam ik.
"Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen."
"Evenwel...."
"Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen."
Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat
woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon.
Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder
angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid
der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen.
Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar
na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het
gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon
de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die
hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen.
"Ik kan er nooit komen!" riep ik uit.
"Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!" antwoordde de professor
onmeedoogend.
Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht
bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne
beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieen,
toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken.
Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij
den kloot.
"Zie eens!" zeide hij mij, "zie goed uit! gij moet in den afgrond
leeren zien!"
Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware
platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te
midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde
wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe,
terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden
rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene
veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een bundel stralen. De
Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte
zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten
oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare kusten van Zweden. Die
eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen.
Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne
eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk
vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten
te betreden, was ik stijf geworden.
"Morgen beginnen wij weder," sprak de professor.
En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende
oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de
kunst "om uit de hoogte rond te zien."
HOOFDSTUK IX
Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het
handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders.
De dag van het vertrek kwam. Den vorigen avond had de vriendelijke
heer Thomson ons dringende aanbevelingsbrieven gebracht voor graaf
Trampe, gouverneur van IJsland, den heer Pictorsson, coadjutor van
den bisschop en den heer Finsen, burgemeester van Reikiavik. Warme
handdrukken waren de dank van mijn oom.
Den 2den, te zes uur des morgens, was onze kostbare bagage aan boord
van de Valkyrie. De kapitein bracht ons naar vrij nauwe hutten,
geplaatst onder een soort van roef.
"Hebben wij een goeden wind?" vroeg mijn oom.
"Een uitmuntenden," antwoordde kapitein Bjarne. "Een
zuid-oostewind. Wij zullen met den wind genoegzaam achter en met
volle zeilen de Sond verlaten."
Eenige oogenblikken later ging de schoener onder zeil in de
straat. Alle zeilen werden bijgezet; de fok, de groote bezaan,
het marszeil en het bramzeil. Een uur later scheen de hoofdstad van
Denemarken in de verre golven weg te duiken en ging de Valkyrie dicht
onder de kust van Elseneur langs. In den zenuwachtigen toestand,
waarin ik mij bevond, verwachtte ik de schim van Hamlet op den aan
legenden rijken oever te zien ronddwalen.
"Verhevene zinnelooze!" zeide ik, "gij zoudt ons zonder twijfel
toejuichen! gij zoudt ons misschien volgen om in het middelpunt van
den aardbol eene oplossing voor uwen eeuwigen twijfel te zoeken!"
Maar er verscheen niets op de oude muren; het kasteel is dan ook
veel jonger dan de heldhaftige deensche vorst. Het dient nu tot
een prachtig verblijf voor den portier dezer straat, waar jaarlijks
vijftien duizend schepen van alle natieen doorvaren.
Het kasteel Kongborg verdween weldra in den nevel, even als de toren
van Helsingborg op den zweedschen oever en de schoener boog zacht
onder de koelten van het Kattegat.
De Valkyrie was een goed zeiler; maar met een zeilschip weet men
nooit recht, waar men op rekenen kan. Zij bracht naar Reikiavik kolen,
keukengereedschap, aardewerk, wollen kleederen en eene lading koren;
vijf zeelieden, allen Denen, maakten de geheele bemanning uit.
"Hoe lang zal de overtocht duren?" vroeg mijn oom aan den kapitein.
"Een dag of tien," antwoordde de laatste, "indien wij bij Faroer niet
te veel buien uit het noordwesten krijgen."
"Maar gij behoeft toch niet te vreezen voor te lang oponthoud?"
"Neen, mijnheer Lidenbrock! wees gerust, wij zullen tijdig genoeg
aankomen."
Tegen den avond zeilde de schoener om kaap Schagen. de noordelijkste
punt van Denemarken, voer des nachts door de Schagerrak, langs het
uiteinde van Noorwegen op de hoogte van kaap Lindesnaes en kwam in
de Noordzee.
Twee dagen daarna waren wij bij de schotsche kust op de hoogte van
Peterhead en richtte de Valkyrie den steven naar Faroer, tusschen de
Orkaden en de Shetlandsche eilanden door.
Weldra werd de schoener bespoeld door de golven van den Atlantischen
oceaan; hij moest tegen den noordewind op laveeren en bereikte niet
zonder moeite de Faroer. Den 8sten zag de kapitein Myganness, het
oostelijkste dezer eilanden; en van dat oogenblik af liep hij recht
op kaap Portland aan, op de zuidkust van IJsland gelegen.
De reis leverde niets bijzonders op. Ik stond de bezwaren der zeereis
vrij goed door; mijn oom was, tot zijn groot verdriet en nog grooter
beschaming, onophoudelijk ziek. Hij kon er dus niet aan denken om
kapitein Bjarne te ondervragen over den Sneffels, over de middelen
van gemeenschap, over de gemakkelijkste wijze van vervoer; hij moest
die ophelderingen tot zijne aankomst uitstellen en lag al dien tijd in
zijne hut, wier houten wanden kraakten door het geweldige stampen van
het schip. Ik moet bekennen, dat hij zijn lot wel een beetje verdiende.
Den 11den peilden wij kaap Portland; daar het nog dag was konden
wij den Myrdals Yocul zien, die haar beheerscht. De kaap bestaat uit
een grooten heuvel met steile hellingen, die eenzaam op het strand
zich verheft.
De Valkyrie bleef op een aanzienlijken afstand van de kust, en voer
haar in westelijke richting langs, te midden van talrijke scholen
walvisschen en haaien. Weldra vertoonde zich eene verbazende,
doorboorde rots, waar de schuimende zee met woede doorstroomde. De
Westman-eilandjes schenen uit den oceaan op te stijgen, gelijk
een handvol rotsblokken op de vloeibare vlakte heengeworpen. Van
dit oogenblik af koos de schoener het ruime sop om op een goeden
afstand kaap Reykjaness om te varen, die den westelijken hoek van
IJsland vormt.
De hoogst onstuimige zee belette mijn oom om op het dek te komen,
om die door de zuidwestewinden getande en verbrokkelde kusten te
bewonderen.
Acht en veertig uur later, na een storm doorgestaan te hebben, die den
schoener dwong om voor top en takel te loopen, peilde men ten oosten
de boei van de punt van Skagen, wier gevaarlijke rotsen zich een
aanmerkelijk eind ver onder de golven uitstrekken. Een ijslandsche
loods kwam aan boord en drie uur later ankerde de Valkyrie voor
Reikiavik in de baai van Faxa.
De professor verliet eindelijk zijne hut, wel wat bleek en ontdaan,
maar altijd vol geestdrift en met van genoegen stralende oogen.
De bevolking der stad, die bijzonder belang had bij de komst van een
schip, waaruit ieder iets verwachtte, kwam aan de baai bijeen.
Mijn oom haastte zich om zijne drijvende gevangenis, om niet te zeggen
zijn hospitaal, te verlaten. Maar voor hij het dek van den schoener
verliet, trok hij mij mede naar voren, en met den vinger wees hij mij
aan het noordelijk einde der baai een hoogen berg met twee toppen,
een dubbelen kegel met eeuwige sneeuw bedekt.
"De Sneffels!" riep hij, "de Sneffels!"
Na mij door een teeken een volstrekt stilzwijgen opgelegd te hebben,
stapte hij in het bootje, dat op hem wachtte. Ik volgde hem en weldra
betraden wij IJslands bodem.
Terstond daarop verscheen een man van een goed voorkomen en in
een generaalsuniform gekleed. Het was echter slechts een eenvoudig
overheidspersoon, de gouverneur des eilands, graaf Trampe in eigen
persoon. De professor zag spoedig met wien hij te doen had. Hij
overhandigde den gouverneur zijne brieven uit Kopenhagen, en er had
in het deensch een kort gesprek plaats, waarin ik mij volstrekt niet
mengde, en wel om eene goede reden. Maar dit eerste gesprek had dit
gevolg: graaf Trampe stelde zich geheel ter beschikking van professor
Lidenbrock.
Mijn oom werd even aardig ontvangen door den burgemeester, den heer
Finsen, gelijk de gouverneur in uniform, maar even vredelievend van
aard en betrekking.
Wat den coadjutor, den heer Pictursson aangaat, hij deed juist eene
herderlijke reis in het noorderkwartier; wij moesten er dus voorloopig
van afzien om aan hem voorgesteld te worden. Maar de heer Fridriksson,
professor in de natuurwetenschappen aan de school te Reikiavik, was
een innemend man, wiens medewerking ons zeer te stade kwam. Deze
zedige geleerde sprak slechts ijslandsch en latijn; hij bood mij
zijne diensten aan in de taal van Horatius, en ik gevoelde, dat wij
geschapen waren om elkander te begrijpen. Hij was inderdaad de eenige
met wien ik kon spreken gedurende mijn verblijf op IJsland.
Van de drie kamers, waaruit zijn huis bestond, stelde die uitmuntende
man er twee ter onzer beschikking, en weldra waren wij er met
onze bagage, over wier omvang de inwoners van Reikiavik een beetje
verwonderd waren, te huis.
"Welnu, Axel!" zeide mij mijn oom, "dat gaat goed, het moeielijkste
is achter den rug."
"Wat, het moeielijkste?" riep ik uit.
"Zonder twijfel, wij behoeven nog slechts af te dalen!"
"Als gij het zoo meent, hebt gij gelijk; maar als wij nedergedaald
zijn, zullen wij toch wel weder moeten opstijgen, denk ik?"
"O! daarover bekommer ik mij niet! Laat eens zien, ik heb geen tijd
te verliezen. Ik ga naar de bibliotheek. Misschien is er wel het
eene of andere handschrift van Saknussemm in, en dat zou ik gaarne
eens raadplegen."
"Dan ga ik intusschen de stad eens door. Zult gij dat ook niet doen?"
"O! daar geef ik niet veel om. Het merkwaardige van IJsland is niet
boven, maar onder den grond."
Ik ging weg en dwaalde doelloos rond.
In de twee straten van Reikiavik te verdwalen zou niet gemakkelijk
geweest zijn. Ik behoefde dus ook niet naar den weg te vragen,
hetgeen in de gebarentaal aan vele vergisssingen blootstelt.
De stad strekt zich op een vrij lagen en moerassigen bodem tusschen
twee heuvels uit. Een verbazende lavastroom dekt haar aan den eenen
kant en daalt zacht glooiend naar de zee. Aan den anderen kant strekt
zich de groote baai van Faxa uit, ten noorden begrensd door den
onmetelijken gletscher van den Sneffels, en waarin op dit oogenblik
alleen de Valkyrie ten anker lag. Gewoonlijk zijn de engelsche en
fransche schepen tot bescherming der visscherij op de reede geankerd;
maar zij waren juist in dienst op de oostkust des eilands.
De langste der beide straten van Reikiavik loopt evenwijdig met den
oever; daar wonen de kooplieden en winkeliers in hutten van roode op
elkander gestapelde balken; de andere straat, meer westelijk gelegen,
loopt naar een meertje, tusschen de huizen van den bisschop en andere
geen neringdoende personen.
Ik was weldra aan het einde van die doodsche en treurige wegen;
somtijds bespeurde ik wat verkleurd gras, gelijk een oud wollen tapijt,
dat door het gebruik kaal geworden is, of wel iets dat op een moestuin
geleek, welks schrale groenten, aardappelen, kool en latuw met gemak
op eene lilliputsche tafel hadden kunnen staan; eenige kwijnende
nagelbloemen trachtten ook een zonnestraaltje op te vangen.
Omtrent in het midden der, geen handeldrijvende, straat vond ik de
algemeene begraafplaats, omgeven van een aarden muur, en waarop geen
gebrek was aan ruimte. Eenige stappen verder kwam ik aan het huis
van den gouverneur, een bouwval in vergelijking van het hamburgsche
stadhuis, een paleis bij de hutten der ijslandsche bevolking.
Tusschen het meertje en de stad verhief zich de kerk, in
protestantschen smaak gebouwd en vervaardigd van verkalkte steenen,
die de vulkanen uitbraken; bij hevige westewinden kan het bijna niet
anders of haar dak van roode pannen moet afwaaien, tot groote schade
der geloovigen.
Op eene naburige hoogte bemerkte ik de nationale school, waar men,
zooals ik later van mijn gastheer vernam, hebreeuwsch, engelsch,
fransch en deensch onderwees; vier talen, waarvan ik tot mijne schande
geen enkel woord kende. Ik zou de laatste geweest zijn van de veertig
leerlingen, die deze kleine school telde, en onwaardig om met hen in
die kasten met twee afdeelingen te slapen, waarin zwakker gestellen
reeds den eersten nacht moeten stikken.
In drie uur had ik niet alleen de stad, maar ook hare omstreken
bezocht. Haar voorkomen was in het algemeen hoogst treurig. Geen
boomen, geen plantengroei was er om zoo te zeggen te zien; niets
dan de kammen der vulkanische rotsen. De hutten der IJslanders zijn
van aarde en veen gebouwd en de muren hellen binnenwaarts over; zij
gelijken op daken op den grond geplaatst. Die daken zijn betrekkelijk
vruchtbare weiden. Dank zij de warmte van de woning, groeit het gras
er vrij goed, dat men zorgvuldig in den hooitijd maait, anders zouden
de huisdieren op die groene woningen komen grazen.
Op mijn uitstapje ontmoette ik weinig inwoners; in de handeldrijvende
straat komende, zag ik het grootste deel der bevolking bezig met
kabeljouw, het voornaamste artikel van uitvoer, te drogen, te zouten
en te laden.
De mannen schenen forsch, maar traag; zij hadden wel iets van blonde
Duitschers met peinzende oogen, die zich min of meer buiten het
menschdom gevoelen; arme ballingen in dat bevrozen land opgesloten,
waarvan de natuur wel Eskimoos moest maken, daar zij hen veroordeelde
om op de grens van den poolcirkel te leven! Ik beproefde te vergeefs
een glimlachje op hun gelaat te betrappen; zij lachten somtijds door
eene soort van onwillekeurige samentrekking der spieren, maar zij
glimlachten nooit.
Hunne kleeding bestond uit een grove boezeroen van zwarte wol, in
alle Scandinavische landen bekend onder den naam van "vadmel," een
hoed met breede randen, een broek met roode bies en een stuk leder
op de wijze van schoeisel gevouwen.
De vrouwen met een treurig en lijdzaam voorkomen en een vrij lief maar
wezenloos gezicht, waren gekleed met een lijfje en een rok van donker
"vadmel;" de ongetrouwde droegen op hare kransgewijze gevlochten
haren een gebreid bruin mutsje; de getrouwde wonden om haar hoofd
een gekleurden doek, met een topsieraad van wit linnen.
Toen ik na eene fiksche wandeling weder naar het huis van den heer
Fridriksson ging, vond ik er mijn oom reeds in gezelschap van zijn
gastheer.
HOOFDSTUK X
Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De
Sneffels.--Over zee of land?
Het middagmaal was gereed; het werd gulzig verslonden door professor
Lidenbrock, wiens maag door het gedwongen vasten aan boord in
een bodemloozen afgrond was veranderd. Deze meer deensche dan
ijslandsche maaltijd had op zichzelven niets bijzonders; maar onze
meer ijslandsche dan deensche gastheer herinnerde mij de helden der
aloude gastvrijheid. Het was duidelijk zichtbaar, dat wij beter bij
hem te huis waren dan hij zelf.
Het gesprek werd in de landtaal gevoerd, welke mijn oom met duitsch
en de heer Fridriksson met latijn vermengden, opdat ik het zou kunnen
volgen. Het liep over wetenschappelijke onderwerpen, zooals dat aan
geleerden past; maar professor Lidenbrock was uiterst behoedzaam, en
zijne oogen bevalen mij bij iederen volzin een volstrekt stilzwijgen
aan betreffende onze toekomstige plannen.
Allereerst vroeg de heer Fridriksson mijn oom naar de uitkomsten
zijner nasporingen in de bibliotheek.
"Uwe bibliotheek," riep de laatste, "bestaat slechts uit geschonden
boeken op bijna ledige planken!"
"Wat!" riep de heer Fridriksson, "wij bezitten acht duizend
deelen, waaronder vele kostbaar en zeldzaam zijn, werken in de
oude Scandinavische taal, en al het nieuws, waarvan Kopenhagen ons
jaarlijks voorziet."
"Waar zitten die acht duizend deelen dan? Ik...."
"O, mijnheer Lidenbrock! zij gaan het gansche land door; men heeft
smaak voor de studie op ons oud bevrozen eiland! Geen boer, geen
visscher zult gij aantreffen, of hij kan lezen en leest. Wij denken,
dat de boeken niet bestemd zijn om te beschimmelen achter een ijzeren
traliehek, ver van de blikken der nieuwsgierigen, maar om versleten
te worden onder de oogen der lezers. Ook gaan die deelen van hand tot
hand, doorbladerd, gelezen en herlezen, en dikwijls komen zij eerst
na een of twee jaar weder op hunne plank terecht."
Met zekere spijt antwoordde mijn oom: "Vreemdelingen intusschen...."
"Wat zou dat! De vreemdelingen hebben hunne bibliotheek te huis, en
voor alles moeten onze boeren leeren. Ik herhaal het, de liefde voor
de studie zit in het ijslandsche bloed. Zoo hebben wij in 1816 een
letterkundig genootschap opgericht, dat goed gaat; vreemde geleerden
stellen er eene eer in om er toe te behooren; het geeft boeken uit,
bestemd voor de opvoeding onzer landgenooten en bewijst ware diensten
aan het land. Als gij een onzer correspondeerende leden wilt zijn,
mijnheer Lidenbrock! zult gij ons het grootste genoegen doen."
Mijn oom, die reeds lid was van een honderdtal geleerde genootschappen,
nam het aanbod zoo goedgunstig aan, dat de heer Fridriksson er door
getroffen werd.
Deze hernam: "Wees nu zoo goed mij de boeken op te noemen, die
gij in onze bibliotheek gehoopt hadt te vinden; misschien zal ik u
dienaangaande inlichtingen kunnen geven."
Ik zag mijn oom aan. Hij aarzelde om te antwoorden. Dat raakte
rechtstreeks zijne plannen. Na eenig nadenken besloot hij echter
te spreken.
"Mijnheer Fridriksson!" zeide hij, "ik wilde weten, of gij onder de
oude werken ook die van Arne Saknussemm bezit?"
"Arne Saknussemm!" antwoordde de reikiaviksche hoogleeraar; "gij wilt
spreken van dien geleerde uit de zestiende eeuw, die tegelijk een
groot natuurkundige, een groot goudmaker en een groot reiziger was?"
"Juist!"
"Een van de sieraden der ijslandsche letterkunde en wetenschap?"
"Zoo als gij zegt."
"Een der vermaardste mannen?"
"Ik stem het toe."
"En wiens vermetelheid zijn vernuft evenaarde?"
"Ik zie, dat gij hem goed kent."
Mijn oom was buiten zich zelven van vreugde, toen hij zoo over zijn
held hoorde spreken. Hij verslond den heer Fridriksson met de oogen.