Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)
"Welnu!" vraagde hij, "zijne werken?"
"Ach! zijne werken bezitten wij niet."
"Hoe! op IJsland?"
"Zij bestaan noch op IJsland noch ergens anders."
"En waarom niet?"
"Omdat Arne Saknussemm wegens ketterij werd vervolgd en zijne werken
in 1573 te Kopenhagen door beulshanden werden verbrand."
"Zeer goed! In orde!" riep mijn oom tot groote ergernis van den
professor in de natuurwetenschappen.
"Wat zegt gij daar?" vroeg deze.
"Ja! alles wordt duidelijk, alles staat in verband, alles is
opgehelderd, en nu begrijp ik, waarom Saknussemm, op den index
geplaatst en gedwongen om de ontdekkingen van zijn vernuft te
verbergen, onder een onverstaanbaar geheimschrift het geheim...."
"Welk geheim?" vraagde de heer Fridriksson driftig.
"Een geheim, dat ... waarvan...." antwoordde mijn oom aarzelend.
"Hebt gij misschien het een of ander bijzonder document?" hernam
onze gastheer.
"Neen ... Het was slechts eene veronderstelling."
"Goed," hernam de heer Fridriksson, die de vriendelijkheid had er
niet verder op aan te dringen, toen hij de verwarring van zijn gast
zag. "Ik hoop," voegde hij er bij, "dat gij ons eiland niet zult
verlaten, voor gij uit zijn delfstoffelijken rijkdom geput hebt?"
"Zeker niet," antwoordde mijn oom; "maar ik kom wat laat; zijn hier
reeds geleerden geweest?"
"Ja, mijnheer Lidenbrock! de arbeid van de heeren Olafsen en
Povelsen, op bevel des konings verricht, de studien van Troil,
de wetenschappelijke zending van de heeren Gaimard en Robert aan
boord van de fransche korvet la Recherche [2], en onlangs nog de
waarnemingen der fransche geleerden op het fregat la Reine Hortense,
hebben de kennis van IJsland zeer vermeerderd. Maar, geloof mij,
er is nog wel wat te doen."
"Denkt gij?" vroeg mijn oom met een onnoozel gezicht, terwijl hij
zijn best deed om het flikkeren zijner oogen te matigen.
"Ja! Wat al ter nauwernood bekende bergen, gletschers en vulkanen zijn
er nog te bestudeeren! Zonder ver weg te gaan, ziet gij dien berg,
die zich aan den gezichteinder verheft? dat is de Sneffels."
"Zoo!" sprak mijn oom, "de Sneffels."
"Ja een der merkwaardigste vulkanen, wiens krater men zelden bezoekt."
"Een uitgebrande?"
"O, al sedert vijf honderd jaar."
"Welnu!" antwoordde mijn oom, die zenuwachtig zijne beenen over
elkander sloeg om niet van zijn stoel op te springen, "ik heb wel lust
om mijne geologische studien te beginnen met dien Seffel ... Fessel
... hoe zegt gij?"
"Sneffels," hernam de uitmuntende heer Fridriksson.
Dit gedeelte van het gesprek was in het latijn gevoerd; ik had alles
verstaan en kon mij moeielijk goed houden, toen ik zag, hoe mijn
oom zijne aan alles zichtbare tevredenheid bedwong; hij zette een
onschuldig gezicht, dat wel op het grijnzen van een ouden duivel
geleek.
"Ja!" sprak hij, "mijn besluit is door uw gezegde bepaald; wij zullen
beproeven dien Sneffels te bestijgen, misschien wel zijn krater
te bestudeeren!"
"Het spijt mij zeer," antwoordde de heer Fridriksson, "dat mijne
bezigheden mij niet toelaten mij te verwijderen; ik zou u met genoegen
en nut vergezeld hebben."
"O, neen! o neen!" antwoordde mijn oom driftig; "wij willen niemand
lastig vallen, mijnheer Fridriksson! ik bedank u hartelijk. De
tegenwoordigheid van een geleerde zoo als gij zou zeer nuttig geweest
zijn, maar de plichten van uw ambt...."
Ik vertrouw, dat onze gastheer in de onschuld zijner ijslandsche ziel
de grove spotternij mijns ooms niet begreep.
"Ik keur het zeer goed, mijnheer Lidenbrock!" zeide hij, "dat gij met
dien vulkaan begint; gij zult daar een rijken oogst van wetenswaardige
waarnemingen inzamelen. Maar zeg eens, hoe denkt gij het schiereiland
van den Sneffels te bereiken?"
"Over zee door de baai over te steken. Dat is de kortste weg."
"Ongetwijfeld, maar gij kunt dien onmogelijk nemen."
"Waarom?"
"Omdat er te Reikiavik geene enkele boot is."
"Duivels!"
"Gij moet de kust volgen en over land gaan. Dat is langer maar
belangwekkender."
"Goed. Dan zal ik mij van een gids trachten te voorzien."
"Ik kan u er een verschaffen."
"Een vertrouwd verstandig persoon?"
"Ja! een bewoner van het schiereiland. Het is een eiderganzenjager,
een zeer bekwaam man, over wien gij tevreden zult zijn. Hij spreekt
goed deensch."
"En wanneer kan ik hem spreken?"
"Morgen, als gij wilt."
"Waarom niet van daag?"
"Omdat hij eerst morgen komt."
"Tot morgen dan!" antwoordde mijn oom zuchtend.
Dit belangrijke gesprek eindigde eenige oogenblikken later
met de warme dankbetuigingen van den duitschen professor aan den
ijslandschen. Gedurende dit middagmaal had mijn oom belangrijke dingen
vernomen, o.a. de geschiedenis van Saknussemm, de reden van zijn
geheimzinnig document, dat zijn gastheer hem niet op zijn tocht zou
vergezellen, en dat den volgenden dag een gids ter zijner beschikking
zou zijn.
HOOFDSTUK XI
Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van
Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht.
Des avonds deed ik eene kleine wandeling langs den oever van Reikiavik
en kwam vroeg t'huis om mij neder te leggen in mijne bedstede van
ruwe planken, waarin ik rustig sliep.
Toen ik ontwaakte, hoorde ik mijn oom druk spreken in de aangrenzende
kamer. Ik stond dadelijk op en haastte mij om naar hem toe te gaan.
Hij sprak deensch met een grooten, fiks gebouwden man. Die groote
kerel moest buitengewoon sterk zijn. Zijne zacht blauwe oogen en zijn
zeer groot en vrij openhartig gelaat schenen mij schrander toe. Lange
haren, die zelfs in Engeland voor rosachtig zouden doorgegaan zijn,
vielen op zijne breede schouders. Deze inboorling was vlug in zijne
bewegingen, maar hij maakte weinig drukte met zijne armen, als een man,
die de gebarentaal niet kende of minachtte. Alles teekende in hem een
volmaakt kalm, niet traag maar rustig gestel. Men gevoelde, dat hij
niemand iets vroeg, dat hij werkte, als hij lust had, en dat in deze
wereld zijne wijsbegeerte noch verwonderd noch verstoord kon worden.
Ik maakte de verschillende zijden van dit karakter op uit de
wijze waarop de IJslander den stortvloed van woorden van mijn oom
aanhoorde. Hij bleef met over elkander geslagen armen staan te
midden van de menigvuldige gebaren van mijn oom; om te ontkennen
draaide hij zijn hoofd van de linker- naar de rechterzijde; hij boog
het om te bevestigen, maar zoo weinig, dat zijne lange haren zich
nauwelijks bewogen; hij dreef de spaarzaamheid zijner bewegingen tot
vrekkigheid toe.
Voorzeker, uit het voorkomen van dien man zou ik nooit zijn beroep
van jager opgemaakt hebben; hij moest wel het wild niet verschrikken,
maar hoe kon hij het betrappen?
Alles werd opgehelderd, toen de heer Fridriksson mij vertelde, dat
die bedaarde man slechts een "jager van eiderganzen" was, een vogel,
wiens dons den grootsten rijkdom des eilands uitmaakt. Dit dons heet
ook eiderdons, en er is niet veel moeite noodig om het te verzamelen.
In het begin van den zomer bouwt het wijfje van den eider, eene
mooie ganzensoort, haar nest onder de rotsen der fjoerds [3], waarmede
de kust omringd is; als dit nest voltooid is, bekleedt zij het met
fijne veertjes, die zij uit hare borst plukt. Dadelijk komt de jager
of liever de koopman, plundert het nest en het wijfje gaat weder
aan het werk; dat duurt zoo lang, als zij nog dons heeft. Als zij
zich geheel kaal heeft geplukt, trekt het mannetje op zijne beurt
zich de veeren uit. Maar, daar het harde en grove pluksel van dezen
geene handelswaarde heeft, neemt de jager de moeite niet om hem het
bed voor zijn broedsel te ontstelen; het nest wordt dus voltooid,
het wijfje legt hare eieren, de jongen komen uit, en het volgende
jaar begint de oogst van het eiderdons weder.
Daar nu de eider niet de steile rotsen kiest om het nest te bouwen,
maar veeleer de toegankelijke en vlakke rotsen, die in zee uitloopen,
kon de ijslandsche jager zijn beroep zonder groote inspanning
uitoefenen. Het was een boer, die zijn oogst niet behoefde te zaaien
noch te maaien, maar slechts binnen te halen.
Die deftige, onverschillige en stilzwijgende man heette Hans Bjelke;
hij kwam op de aanbeveling van den heer Fridriksson. Hij was onze
aanstaande gids. Zijne manieren staken merkelijk af bij die van
mijn oom.
Toch werden zij het gemakkelijk eens. Geen van beiden zag op het
geld; de een was gereed om aan te nemen wat men hem bood, de ander
om te geven wat hem gevraagd werd. Nooit werd een koop gemakkelijker
gesloten.
Er werd afgesproken, dat Hans ons geleiden zou naar het dorp Stapi,
op de zuidkust van het schiereiland van den Sneffels gelegen, aan
den voet van den vulkaan. Over land zou de afstand omtrent twee en
twintig mijl bedragen, eene reis die men, naar het gevoelen van mijn
oom, in twee dagen kon doen.
Maar toen hij vernam, dat het deensche mijlen waren, elk van vier en
twintig duizend voet, moest hij zijne berekening veranderen en wegens
den slechten toestand der wegen op zeven of acht dagen reis rekenen.
Vier paarden zouden ter zijner beschikking gesteld worden: twee om
hem en mij te dragen, twee anderen voor onze bagage. Hans zou naar
gewoonte te voet gaan. Hij kende dit gedeelte van de kust volkomen
en beloofde den kortsten weg te zullen nemen.
Zijne verbintenis met mijn oom verstreek niet bij onze aankomst te
Stapi: hij bleef in zijn dienst, al den tijd die noodig was voor zijne
wetenschappelijke tochten, voor eene belooning van drie rijksdaalders
[4] per week. Alleen werd uitdrukkelijk bepaald, dat die som den gids
iederen Zaterdag avond zou uitbetaald worden; dit was de voorwaarde
sine qua non van zijne verbintenis.
Het vertrek werd bepaald op den 16den Juni. Mijn oom wilde den jager
zijn godspenning geven, maar deze weigerde kortaf.
"Efter," zeide hij.
"Later," voegde de professor mij tot opheldering toe.
Zoodra het verdrag gesloten was, ging Hans onmiddelijk weg.
"Een ferme vent!" riep mijn oom, "maar hij vermoedt geenszins welke
vreemde rol de toekomst voor hem heeft weggelegd."
"Vergezelt hij ons dan....?"
"Ja, Axel! tot in het middelpunt der aarde."
Acht en veertig uur bleven ons nog over; tot mijn leedwezen moest ik ze
aan onze toebereidselen besteden; wij hadden al ons verstand noodig om
ieder voorwerp op de voordeeligste wijze te schikken, de instrumenten
aan den eenen kant, de wapenen aan den anderen, de gereedschappen in
dit pak, de levensmiddelen in dat. In alles vier groepen.
De instrumenten bestonden uit:
1e Een honderdgradigen thermometer van Eigel, doorloopende tot honderd
vijftig graad, hetgeen mij te veel of niet genoeg toescheen. Te veel,
indien de omringende warmte zoo hoog moest klimmen, in welk geval
wij gebraden zouden worden. Niet genoeg, als het er op aankwam om
den warmtegraad van bronnen of van smeltende stoffen te meten.
2e Een luchtdichtheidsmeter met verdichte lucht, ingericht om
luchtdrukkingen aan te wijzen, hooger dan die van den dampkring op
den waterspiegel. De gewone barometer zou ook niet voldoende geweest
zijn, daar de drukking der lucht moest toenemen in evenredigheid van
onze daling beneden de oppervlakte der aarde.
3e Een tijdmeter van Boissionnas Junior te Geneve, juist geregeld
naar den middagcirkel van Hamburg.
4e Twee kompassen voor de helling en de afwijking.
5e Een nachtkijker.
6e Twee toestellen van Ruhmkorff, die door middel van een electrischen
stroom een zeer draagbaar, veilig en weinig plaats innemend licht gaven
[5].
De wapenen bestonden uit twee karabijnen van Purley More en Co. en
uit twee revolvers van Colt. Waartoe die wapenen? Wij hadden toch
geene wilden noch verscheurende dieren te vreezen, denk ik. Maar mijn
oom scheen evenveel prijs te stellen op zijn tuighuis als op zijne
instrumenten, vooral op eene aanzienlijke hoeveelheid schietkatoen,
dat onaantastbaar is door de vochtigheid en in uitzettingsvermogen
het gewone kruit verre overtreft.
De gereedschappen bestonden uit twee breekijzers, twee houweelen, eene
touwladder, drie met ijzer beslagen stokken, eene bijl, een hamer,
een dozijn ijzeren wiggen en bouten en lange touwen met knoopen. Dat
maakte een aardig pak uit, want de ladder was drie honderd voet lang.
Eindelijk kwamen de levensmiddelen; het pak was niet groot,
maar geruststellend; want ik wist dat het aan geperst vleesch en
scheepsbeschuit voorraad voor zes maanden bevatte. De drank bestond
alleen uit jenever, water was er volstrekt niet; maar wij hadden
waterflesschen en mijn oom rekende op de bronnen om ze te vullen;
de bedenkingen, die ik in het midden had gebracht betreffende hare
hoedanigheid, haar warmtegraad, en zelfs haar gemis, waren zonder
gevolg gebleven.
Om de nauwkeurige opsomming onzer reisartikelen te voltooien noem
ik nog eene draagbare apotheek, bevattende scharen met stompe
lemmeten, spalken voor breuken, een stuk lint van ongewasschen
garen, zwachtels en kompressen, kleefpleisters, een laat-bekken,
alle schrik aanjagende voorwerpen; daarenboven een aantal fleschjes,
bevattende aardappelen-siroop, wondheelende alcohol, vloeibaar
azijnzuur lood, azijn en ammoniac, alle artsenijen, wier gebruik
niet zeer geruststellend is; eindelijk, de stoffen noodig voor de
toestellen van Ruhmkorff.
Mijn oom had ook gezorgd voor een voorraad tabak, jachtkruit en zwam,
zoowel als voor een lederen gordel, dien hij om de middel droeg, en
waarin zich eene voldoende hoeveelheid goud- en zilvergeld en papier
bevond. Goede schoenen, waterdicht gemaakt door een overtreksel
van teer en gomelastiek, waren ten getale van zes paar bij de
gereedschappen gepakt.
"Zoo gekleed, geschoeid en uitgerust is er geene reden, waarom wij
niet heel ver zouden gaan," zeide mijn oom.
De dag van den 14den werd geheel besteed met die verschillende
voorwerpen te schikken. Des avonds aten wij bij graaf Trampe, in
gezelschap van den burgemeester van Reikiavik en van dokter Hyaltalin,
den grooten geneesheer des lands. De heer Fridriksson was niet onder
de gasten; ik vernam later dat de gouverneur en hij overhoop lagen
over eene zaak van bestuur en elkander niet bezochten. Ik had dus
geene gelegenheid om een woord te begrijpen van hetgeen op dit half
officieele maal gesproken werd. Ik merkte alleen op, dat mijn oom
den ganschen tijd door praatte.
Des anderendaags den 15den, waren de toebereidselen afgeloopen. Onze
gastheer vereerde den professor een aangenaam geschenk door hem eene
kaart van IJsland te overhandigen, die veel juister was dan die van
Henderson; de kaart van Olaf Nikolas Olsen, op de schaal van 1/480000
en uitgegeven door het ijslandsche genootschap van letterkunde,
naar den landmeetkundigen arbeid van den heer Scheel Frisac en de
plaatselijke opnemingen van den heer Bjoern Gumlangsonn. Het was een
kostbaar document voor een delfstofkundige.
De laatste avond werd doorgebracht in een vertrouwelijk praatje met den
heer Fridriksson, voor wien ik eene levendige sympathie had opgevat;
op het gesprek volgde een vrij onrustige slaap, voor mij ten minste.
Te vijf uur des ochtends werd ik wakker door het gehinnik van vier
paarden, die onder mijn venster fier trappelden. Ik kleedde mij haastig
en ging op straat. Daar bracht Hans het overschot onzer bagage op den
wagen, zonder zich om zoo te zeggen te bewegen. Toch werkte hij met
eene ongewone behendigheid. Mijn oom maakte veel drukte maar voerde
niets uit, en de gids scheen zich weinig om zijne aanbevelingen
te bekommeren.
Alles was te zes uur afgeloopen. De heer Fridriksson drukte ons de
hand. Mijn oom bedankte hem zeer hartelijk in het ijslandsch voor
zijne vriendelijke gastvrijheid. Ik voor mij uitte in mijn sierlijkst
latijn een hartelijken groet; daarop zetten wij ons in den zadel,
en de heer Fridriksson riep mij tot laatste afscheid dezen dichtregel
toe, dien Virgilius voor ons, met den weg onbekende reizigers, scheen
geschreven te hebben:
Et quacumque viam dederit fortuna sequamur, d.i. Laat ons den weg
volgen, waarheen de fortuin ons zal leiden.
HOOFDSTUK XII
Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek Gufunus.
--Overtocht van den Fjoerd.
Toen wij vertrokken, was de lucht betrokken, maar het weder vast. Wij
hadden noch afmattende warmte noch plasregens te vreezen. Het was
juist goed weder voor reizigers.
Het genoegen, te paard een onbekend land door te trekken, maakte,
dat ik het zoo nauw niet nam met het begin der onderneming. Ik genoot
ten volle het geluk van den reiziger, met betrekking tot vervulde
wenschen en vrijheid. Ik begon de zaak anders in te zien.
"Wat waag ik ook," zeide ik bij mij zelven, "door het merkwaardigste
land te bereizen, een zeer belangrijken berg te beklimmen, en in het
ergste geval op den bodem van een uitgebranden krater af te dalen? Het
is duidelijk, dat die Saknussemm niets anders gedaan heeft. Wat nu
het bestaan aangaat van eene galerij, die op het middelpunt van den
aardbol uitloopt, het is louter verbeelding, stellig onmogelijk! Wat
er dus voor goeds in dezen tocht is, wil ik opmerken en er niet veel
over redeneeren!"
Nauwelijks had ik zoo nagedacht of wij hadden Reikiavik reeds achter
den rug.
Hans ging voorop met een snellen, gelijkmatigen en vasten pas. De
twee paarden, die onze bagage droegen, volgden hem, zonder dat men
ze behoefde te sturen. Vervolgens kwamen mijn oom en ik, en waarlijk
zonder eene al te slechte figuur te maken op onze kleine maar sterke
dieren.
IJsland is een der grootste eilanden van Europa; het heeft veertien
honderd mijl oppervlakte en telt slechts zestig duizend inwoners. De
aardrijkskundigen hebben het in vier deelen verdeeld, en wij moesten
bijna in eene schuine richting het zuidwestelijke gedeelte, "Sudvestr
Fjordungr" doortrekken.
Zoodra wij Reikiavik verlieten, had Hans onmiddellijk de kust der
zee gevolgd; wij trokken door schrale weiden, die haar best deden
om groen te zijn, maar het geel slaagde beter. De rimpelige toppen
der trachietmassa's aan den gezichteinder hadden door de oostelijke
nevels een stomp voorkomen; somwijlen schitterden eenige hoopen
sneeuw, het verspreide licht samentrekkende, op de hellingen der
verwijderde toppen; eenige stouter zich verheffende pieken boorden
door de grauwe wolken en verschenen weder boven de drijvende dampen,
gelijk aan klippen, die in de bovenlucht opdoken.
Dikwijls richtten die ketenen van dorre rotsen zich zeewaarts en
drongen zij tot in de weiden door, maar er bleef toch altijd ruimte
genoeg om voorbij te rijden. Ook kozen onze paarden uit instinct de
gunstigste plekken, zonder een oogenblik hun loop te vertragen. Mijn
oom had niet eens de troost om zijn rijdier met de stem of de zweep
aan te vuren; hij had geen recht om ongeduldig te zijn. Ik kon een
glimlach niet bedwingen, als ik dien grooten man op zijn paardje zag
zitten, en daar zijne lange beenen langs den grond sleepten, geleek
hij op een Centaurus met zes voeten.
"Een goed beest! een goed beest!" zeide hij. "Gij zult zien, Axel! dat
geen paard het ijslandsche in schranderheid overtreft; sneeuw, stormen,
onbegaanbare wegen, rotsen, gletschers, niets houdt het tegen. Het is
moedig, matig, voorzichtig. Nooit een mispas, nooit een terugtred. Als
er eene rivier of een fjoerd moet overgetrokken worden, en dat zal
nog al eens gebeuren, zult gij zien, hoe het zonder aarzelen te water
gaat, gelijk een tweeslachtig dier; en den tegenoverliggenden oever
bereikt! Maar wij moeten het niet te veel aanzetten; wij zullen het
laten begaan, en dan zullen wij zeker door elkander per dag tien uur
gaans afleggen."
"Wij, daar twijfel ik niet aan," antwoordde ik, "maar de gids?"
"O! daarover bekommer ik mij niet. Die lieden loopen, zonder dat zij
het merken, en deze beweegt zich zoo weinig, dat hij niet moe kan
worden. Als het noodig is, zal ik hem echter mijn paard afstaan. Ik
zou spoedig kramp krijgen, als ik niet eenige beweging nam. De armen
gaan goed, maar men moet ook aan de beenen denken."
Intusschen reden wij stevig door; het land was reeds bijna
onbewoond. Hier en daar vertoonde zich eene afgelegene hoeve, een
alleenstaande "boer" [6], van hout, aarde en lavabrokken gemaakt,
als een bedelaar aan den rand van een hollen weg. Die vervallen hutten
zagen er uit, alsof zij het mededoogen der voorbijgangers afsmeekten,
en bijna zou men haar eene aalmoes geschonken hebben. In dat land
waren volstrekt geene wegen, zelfs geene voetpaden, en de plantengroei,
hoe gering ook, had weinig tijds noodig om de voetstappen der zeldzame
reizigers uit te wisschen.
Toch telde dit gedeelte der provincie, dicht bij de hoofdstad, mede
onder de bewoonde en bebouwde streken van IJsland. Wat zouden dan de
streken zijn, die nog woester waren dan deze woestijn? Op een weg van
een half uur gaans hadden wij nog geen boer voor de deur zijner hut
zien staan, noch een wilden herder ontmoet, die eene kudde weidde,
welke minder wild was dan hij, niets anders dan eenige verlatene
koeien en schapen. Wat zouden dan de gewesten zijn, die geschud en
het onderste boven gekeerd waren door de uitbarstingen, veroorzaakt
door de vulkanische ontploffingen en onderaardsche schokken?
Wij zouden ze later leeren kennen; maar de kaart van Olsen raadplegende
zag ik, dat men ze vermeed door den kronkelenden oever te volgen;
de groote vulkanische beweging heeft zich inderdaad meer tot het
middengedeelte des eilands bepaald; daar hebben de horizontale lagen
van opeengestapelde rotsen, in het scandinavisch "trapps" genoemd,
de strooken trachiet, de uitgebraakte basalt, de tufsteen en al de
vulkanische ophoopingen van verschillende delfstoffen, de stroomen
lava en smeltend porfier, een onnatuurlijk verschrikkelijk land
gevormd. Ik vermoedde toen geenszins, welk schouwspel ons wachtte
op het schiereiland van den Sneffels, waar die verwoestingen eener
woedende natuur een vreeselijken bajert vormen.
Twee uur na ons vertrek van Reikiavik kwamen wij in het vlek Gufunes,
"aoalkirkja" of hoofdkerk genoemd. Het leverde niets bijzonders
op. Het bestond uit slechts weinige huizen, nauwelijks voldoende om
een duitsch gehucht te vormen.
Hans hield een half uur stil, deelde ons sober ontbijt, antwoordde met
ja en neen op de vragen van mijn oom betreffende den toestand van den
weg, en toen men hem vroeg, waar hij den nacht dacht door te brengen,
antwoordde hij alleen: "Gardaer."
Ik raadpleegde de kaart om te zien wat Gardaer was. Ik zag eene
buurt van dien naam aan de oevers van den Hvalfjoerd, vier mijlen van
Reikiavik. Ik toonde het mijn oom.
"Niet meer dan vier mijlen!" zeide hij. "Vier mijlen van de twee en
twintig! Dat is eene mooie wandeling!"
Hij wilde den gids eene aanmerking maken, die echter zonder hem te
antwoorden den kop der paarden greep en zich weder op weg begaf.
Drie uur later moesten wij, steeds over het ontkleurde gras der
weide rijdende, den Kollafjoerd omtrekken, welke omweg gemakkelijker
en korter was dan eene vaart over die golf; kort daarop kwamen wij
in een "pingstaoer," eene plaats met gemeentelijk rechtsgebied,
Ejulberg genoemd, welker klok twaalf uur zou geslagen hebben, indien
de ijslandsche kerken rijk genoeg waren om een uurwerk te bezitten;
maar zij gelijken zeer op hare gemeenteleden, die geene horloges
hebben en het er buiten doen.
Daar werden de paarden gevoederd, en nu brachten zij ons langs een
nauw pad tusschen eene rij heuvels en de zee in eens door naar de
"aoalkirkja" Brantaer en eene mijl verder te Saurboeer, eene "annexia" of
bijbehoorende kerk, gelegen op den zuidelijken oever van den Hvalfjoerd.
Het was toen vier uur in den namiddag, wij hadden vier mijlen (acht
uur gaans) afgelegd.
De fjoerd was te dezer plaatse minstens eene halve mijl breed; de
baren braken met veel geraas op de spitse rotsen; de golf verwijdde
zich tusschen rotswanden, eene soort van steile drie duizend voet
hooge helling, opmerkenswaardig door hare bruine lagen, gescheiden
door beddingen van min of meer roodachtigen tufsteen. Hoe groot de
schranderheid onzer paarden ook ware, voorspelde ik mij toch weinig
goeds van den overtocht over een waren zeearm, bewerkstelligd op den
rug van een viervoetig dier.
"Als zij schrander zijn," zeide ik, "zullen zij den overtocht niet
beproeven. In allen gevalle zal ik in hunne plaats schrander zijn."
Maar mijn oom wilde niet wachten; hij gaf zijn paard de sporen en
reed naar den oever. Het dier rook de golven en bleef staan; mijn oom,
die zijn eigen instinct had, dreef het voorwaarts. Het paard weigerde
op nieuw en schudde den kop. Nu volgden vloeken en zweepslagen,
beantwoord door het achteruitslaan van het paard, dat zijn ruiter uit
het zadel begon te werken; eindelijk liep het paardje, zijne pooten
uitstrekkende, tusschen de beenen van den professor weg en liet hem op
twee steenen aan den oever staan, gelijk het colossusbeeld van Rhodus.
"O, vervloekt dier!" riep de ruiter, die plotseling in een voetganger
veranderd was en zoo beschaamd stond als een cavalerie-officier,
dien men voor een voetknecht houdt.
"Faerja," zeide de gids, hem op den schouder kloppende.
"Wat! eene pont?"
"Der!" antwoordde Hans, hem eene schuit wijzende.
"Ja!" riep ik, "daar is eene pont."
"Dat hadt gij wel eerder kunnen zeggen! Welnu, vooruit!"
"Tidvaiten," hernam de gids.
"Wat zegt hij?"
"Hij zegt vloed," antwoordde mijn oom, het deensche woord voor mij
vertalende.