A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


"Wij moeten zeker op den vloed wachten?"

"Foerblda?" vroeg mijn oom.

"Ja!" antwoordde Hans.

Mijn oom stampvoette, terwijl de paarden zich naar de pont begaven.

Ik begreep volkomen de noodzakelijkheid om een zeker oogenblik van
het getij af te wachten om den tocht over den fjoerd te ondernemen,
dat waarop de zee, tot haar hoogste punt geklommen, stil is. Dan
is de werking van vloed en ebbe niet merkbaar en de pont loopt geen
gevaar van of op den bodem der golf of in den vollen oceaan gesleept
te worden.

Het gunstige oogenblik kwam eerst des avonds te zes uur; mijn oom,
ik, de gids, twee veerlieden en de vier paarden hadden plaats genomen
in eene soort van vrij slecht platboomd vaartuig. Gewoon als ik was
aan de veerstoombooten op de Elbe, vond ik de riemen der schippers
onhandige werktuigen. Meer dan een uur ging er heen met het oversteken
van den fjoerd; maar de overtocht werd toch zonder letsel volbracht.

Een half uur later bereikten wij de "aoalkirkja" Gardaer.



HOOFDSTUK XIII


Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij
onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen.


Het had donker moeten worden, maar onder den vijfenzestigsten
breedtegraad kon het daglicht der poolgewesten mij niet verwonderen;
op IJsland gaat de zon gedurende de maanden Juni en Juli niet onder.

De warmte was echter afgenomen; ik was koud en had vooral
honger. Welkom was ons de "boer", die zich gastvrij tot onze ontvangst
opende.

Het was het huis van een boer, maar op het punt van gastvrijheid was
het evenveel waard als dat van een koning. Bij onze komst stak de
eigenaar ons zijne hand toe, en zonder verdere plichtplegingen gaf
hij ons een teeken om hem te volgen.

Te volgen, zeg ik, want het zou onmogelijk geweest zijn om naast hem
te gaan. Een lange, nauwe, donkere gang verleende den toegang tot deze
woning, gebouwd van ter nauwernood bewerkte balken, en gaf gelegenheid
om in de kamers te komen; deze waren ten getale van vier: de keuken,
het spinvertrek, de "badstofa" of slaapkamer van het gezin en de beste
van alle, de kamer voor de vreemdelingen. Mijn oom, aan wiens gestalte
men niet gedacht had bij het bouwen van het huis, stiet wel drie-
of viermaal het hoofd tegen de uitstekende punten van de zoldering.

Men bracht ons in onze kamer, eene soort van zaal met een, bodem
van vastgetrapte aarde en verlicht door een venster, welks ruiten
vervaardigd waren van niet zeer doorschijnende schaapsvliezen. Het
beddegoed bestond uit droog voer, in twee houten, roodgeverfde en met
ijslandsche spreuken versierde kooien gespreid. Ik had zooveel weelde
niet verwacht; alleen heerschte er in dit huis eene sterke lucht van
gedroogde visch, geweekt vleesch en zuremelk, die mijne reukzenuwen
onaangenaam aandeed.

Toen wij ons reisgewaad afgelegd hadden, deed de stem van den gastheer
zich hooren, die ons uitnoodigde om in de keuken te komen, het eenige
vertrek waar men stookte, zelfs bij de strengste koude.

Mij oom haastte zich om aan dit vriendelijk bevel te gehoorzamen. Ik
volgde hem.

De keukenschoorsteen was nog een ouderwetsch model; in het midden
van de kamer diende een steen tot haard, in het dak was een gat,
waardoor de rook wegtrok. Die keuken diende ook tot eetzaal.

Toen wij binnentraden, groette onze gastheer ons, alsof hij ons nog
niet gezien had, met het woord "saellvertu"! dat wil zeggen "weest
gelukkig", en kwam ons de wang kussen.

Zijne vrouw sprak na hem dezelfde woorden, vergezeld van hetzelfde
ceremonieel; daarna bogen zich de beide echtgenooten diep met de
rechterhand op het hart.

Ik haast mij te zeggen, dat die ijslandsche vrouw moeder was van
negentien kinderen, allen, groot en klein, door elkander krielende
te midden der rookwolken, waarmede de haard de kamer vulde. Ieder
oogenblik zag ik een blond en eenigszins droefgeestig kopje uit dien
nevel te voorschijn komen. Men zou gezegd hebben, dat het een krans
van slecht schoongemaakte engelenkopjes was.

Mijn oom en ik behandelden dit "broedsel" zeer hartelijk; weldra
zaten er drie of vier van die kleuters op onzen rug, evenveel op onze
knieen en de rest tusschen onze beenen. Zij die praatten, herhaalden
"saellvertu" in alle denkbare tonen. Zij die niet praatten, schreeuwden
er des te harder om.

Dit concert werd afgebroken door de aankondiging, dat het maal gereed
was. Op dit oogenblik kwam de jager te huis, die voor het voederen
der paarden gezorgd had, dat wil zeggen, hij had ze eenvoudig in het
veld los laten loopen; de arme dieren moesten zich vergenoegen met
te knabbelen aan het schaarsche mos der rotsen en eenig niet zeer
voedzaam zeegras; den volgenden morgen zouden zij niet nalaten om
uit eigen beweging den arbeid van den vorigen dag weder op te vatten.

"Saellvertu!" zeide Hans bij zijn binnentreden. Vervolgens omhelsde
hij heel bedaard en stijf, zonder dat de eene kus luider klonk dan
de andere, den gastheer, de gastvrouw en hunne negentien kinderen.

Toen die plichtpleging afgeloopen was, zette men zich aan tafel ten
getale van vier en twintig en bij gevolg op elkander in den waren
zin des woords. De gelukkigsten hadden maar twee kleuters op de knieen.

Toch ontstond er stilte in deze kleine wereld, toen de soep op tafel
kwam, en de, zelfs den ijslandschen knapen aangeboren stilzwijgendheid,
hernam haar gezag. De gastheer bediende ons van eene niet onsmakelijke
korstmossoep, vervolgens van eene verbazende portie gedroogde
visch, zwemmende in sedert twintig jaar verzuurde boter, die bij
gevolg verre te verkiezen was boven versche, volgens de op IJsland
heerschende denkbeelden over de kookkunst. Daarbij kwam nog "skyr,"
eene soort van gestremde melk met beschuit en smakelijk gemaakt door
jeneverbessensap; eindelijk tot drank wei met water, hier "blanda"
genoemd. Ik kon er niet over oordeelen of dit zonderlinge voedsel
lekker was of niet. Ik had honger en bij het nagerecht verzwolg ik,
tot den laatsten mondvol toe, eene dikke boekweitepap.

Zoodra de maaltijd afgeloopen was, verdwenen de kinderen; de
volwassenen gingen om den haard zitten, waaraan turf, heide, koemest
en graten van gedroogde visch lagen. Na zich wat verwarmd te hebben,
begaven de verschillende groepen zich naar hare eigene kamers. De
gastvrouw bood ons, naar 's lands gebruik, aan om onze kousen en
broeken uit te trekken; maar na een vriendelijke weigering van onzen
kant drong zij er niet op aan, en ik kon eindelijk in mijn bed van
voer wegkruipen.

Den volgenden morgen te vijf uur namen wij afscheid van den
ijslandschen boer; mijn oom had veel moeite om hem eene behoorlijke
schadeloosstelling te doen aannemen, en Hans gaf het sein tot het
vertrek.

Honderd schreden van Gardaer begon het voorkomen van den bodem te
veranderen; de grond werd moerassig en minder geschikt voor den
tocht. Ter rechterzijde verlengde de rij bergen zich tot in het
oneindige, gelijk een verbazend stelsel van natuurlijke vestingwerken,
waarvan wij de schuine vlakte volgden; dikwijls moesten wij beken
overtrekken, die noodzakelijk doorwaad moesten worden, zonder echter
de bagage te nat te maken.

De woestijn werd hoe langer hoe akeliger; somtijds echter scheen eene
menschelijke schaduw in de verte te vluchten; als de kronkelingen van
den weg ons onvoorziens in de nabijheid van een dezer spoken brachten,
kreeg ik terstond eene walging op het gezicht van een gezwollen hoofd
met eene glimmende huid, ontbloot van haar en met afzichtelijke wonden,
die zichtbaar waren door de scheuren van ellendige lompen.

Het ongelukkige schepsel stak zijne misvormde hand niet uit; het
pakte zich integendeel weg, maar toch niet zoo snel of Hans had het
nog begroet met het gewone "Saellvertu".

"Spetelsk!" zeide hij.

"Een melaatsche!" herhaalde mijn oom.

Dit enkele woord bracht zijn afschrikwekkend uitwerksel voort. Deze
akelige melaatschheid is vrij algemeen op IJsland; zij is niet
besmettelijk, maar erfelijk; ook is het huwelijk aan die rampzaligen
verboden.

Zulke verschijningen waren niet geschikt om het landschap op te
vroolijken, dat uiterst treurig werd; de laatste bosjes gras stierven
weg onder onze voeten. Geen boom was er te zien, met uitzondering van
eenige groepjes dwergbeuken, die op kreupelhout geleken. Geen dier,
dan eenige paarden, die hun eigenaar niet kon onderhouden en die op de
doodsche vlakte rondzwierven. Somtijds zweefde een valk in de grauwe
wolken en vluchtte pijlsnel naar het zuiden; ik liet mij medeslepen
door de naarheid dezer woeste natuur en mijne herinneringen voerden
mij terug naar mijn geboorteland.

Wij moesten weldra eenige onbeduidende kleine fjoerds en eindelijk
eene ware golf oversteken; de zee, die juist stil was, veroorloofde
ons om zonder te wachten over te gaan en het gehucht Alftanes, eene
mijl verder gelegen, te bereiken.

Nadat wij twee aan forellen en snoeken rijke rivieren, de Alfa en de
Heta, doorwaad hadden, waren wij des avonds verplicht den nacht door
te brengen in een verlaten bouwval, waardig om bezocht te worden door
al de kaboutermannetjes der noordsche fabelleer; zoo veel is zeker dat
de geest der koude er zijne woning had gevestigd en ons den ganschen
nacht met zijne guiterijen kwelde.

De volgende dag leverde geen bijzonder voorval op. Altijd dezelfde
moerassige grond, dezelfde eenvormigheid, hetzelfde treurige
voorkomen. Des avonds hadden wij de helft onzer reis afgelegd en
sliepen wij in de "annexia" van Kroesolbt.

Den 19den Juni reden wij omtrent eene mijl ver over een bodem
van lava; deze toestand van den grond heet hier "hraun;" de aan de
oppervlakte gerimpelde lava bootste de vormen van kabels na, nu eens
in de lengte uitgerekt, dan weder opgerold; een verbazende stroom
daalde van de naburige bergen, die nu uitgebrande vulkanen waren,
maar van wier vroeger geweld deze overblijfselen het voldingendste
bewijs opleverden. Evenwel steeg nog hier en daar de damp van warme
bronnen omhoog.

Het ontbrak ons aan tijd om deze verschijnselen waar te nemen; wij
moesten vooruit; weldra betraden onze rijdieren weder een moerassigen
bodem, afgebroken door meertjes. Wij richtten ons nu naar het westen;
wij waren de groote baai van Faxa omgetrokken en de dubbele witte
top van den Sneffels verhief zich in de wolken op een afstand van
nog geen vijf mijlen.

De paarden liepen goed, niet gestuit door de hindernissen van den
grond; ik voor mij begon zeer vermoeid te worden, maar mijn oom zat
nog even stevig en recht, als op den eersten dag; ik kon niet nalaten
hem evenzeer als den jager te bewonderen, die dezen tocht als eene
bloote wandeling beschouwde.

Op Zaterdag, den 20sten Juni, des avonds te zes uur, bereikten
wij Buedir, eene buurt aan de zeekust gelegen. De gids vorderde zijn
bedongen loon. Mijn oom rekende met hem af. De eigene familie van Hans,
dat wil zeggen zijne volle ooms en neven, bood ons een nachtverblijf
aan; wij werden goed ontvangen en zonder van de vriendelijkheid dezer
brave lieden misbruik te maken, zou ik gaarne bij hen uitgerust
hebben van de vermoeienissen der reis. Maar mijn oom, die daaraan
geene behoefte had, verstond het anders, en den volgenden morgen
moesten wij op nieuw onze goede beesten bestijgen.

De grond droeg sporen van de nabijheid van den berg, wiens
granietwortels uit den grond kwamen, gelijk die van een ouden eik. Wij
reden om den verbazenden voet van den berg heen. De professor verloor
hem niet uit het oog; hij maakte driftige gebaren, hij scheen hem
uit te dagen en te zeggen: "Ziedaar den reus, dien ik zal ten onder
brengen!" Eindelijk, na een marsch van vier uur, bleven de paarden
van zelven stilstaan voor de deur der pastorie van Stapi.



HOOFDSTUK XIV


De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees
voor uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor
uitbarsting.


Stapi is een gehucht van een dertigtal hutten op lava gebouwd en
beschenen door de zonnestralen, welke de vulkaan terugkaatst. Het
strekt zich uit aan het einde van een kleinen fjoerd, ingesloten door
een basaltmuur van een allervreemdst voorkomen.

Men weet, dat de basalt eene door het vuur gevormde bruine rotssoort
is; hij neemt regelmatige vormen aan, die door hunne schikking
verbazen. Hier handelt de natuur meetkunstig en werkt op menschelijke
wijze, alsof zij winkelhaak, passer en schietlood gebruikte. Toont
zij overal elders hare kunst in hare groote, ordeloos nedergeworpene
massa's, hare onvolmaakte piramiden, in die grillige opeenvolging harer
lijnen, hier heeft zij, het voorbeeld van regelmaat willende geven,
en de oudste bouwmeesters voorgaande, eene strenge orde geschapen,
die nooit overtroffen is door de prachtwerken van Babylon noch door
de wonderen van Griekenland.

Ik had wel hooren spreken van den Reuzendam op Ierland en van de
Fingalsgrot op een der Hebriden; maar het schouwspel van een onderbouw
van basalt had zich nog nooit aan mijn oog vertoond.

Te Stapi vertoonde zich dit verschijnsel in zijne volle schoonheid.

De muur van den fjoerd bestond, evenals de geheele kust van het
schiereiland, uit eene rij loodrechte, dertig voet hooge zuilen. Die
rechte en zuiver geevenredigde schachten droegen een kroonboog,
bestaande uit horizontale zuilen, die door hare afwijking van de
waterpaslijn een half gewelf boven de zee vormden. Op sommige plaatsen
van dit natuurlijke regenscherm bespeurde men spitsboogvormige,
heerlijk geteekende openingen, waardoor de baren der zee schuimende
nederstortten. Eenige basaltblokken, door de woede van den oceaan
los gescheurd, lagen op den grond, gelijk de puinhoopen van een
eeuwenouden tempel, maar het waren eeuwig jonge puinhoopen, waarover
de eeuwen henen gingen zonder ze te beschadigen.

Zoo zag de laatste pleisterplaats op onze aardsche reis er uit. Hans
had ons met veel beleid zoo ver gebracht en ik werd een beetje
geruster, toen ik bedacht, dat hij ons nog verder zou vergezellen.

Aan de deur van het huis van den geestelijke komende, dat slechts
eene gewone lage hut, noch schooner noch gemakkelijker ingericht
dan de andere, was, zag ik iemand, die juist bezig was een paard te
beslaan met den hamer in de hand en het lederen schootsvel voor.

"Saellvertu"! zeide hem de jager.

"God dag"! antwoordde de hoefsmid in zuiver deensch.

"Kyrkoherde", sprak Hans, zich tot mijn oom wendende.

"De geestelijke"! herhaalde deze. "Het schijnt, Axel! dat die brave
man de geestelijke is".

Intusschen bracht de gids den "Kyrkoherde" op de hoogte van de
zaak. Deze staakte zijn arbeid, gaf eene soort van schreeuw, die zeker
in gebruik is tusschen paarden en paardenkoopers, en oogenblikkelijk
kwam eene groote helleveeg de hut uit. Als zij geen volle zes voet
haalde, scheelde het toch weinig.

Ik vreesde, dat zij den reiziger den gebruikelijken ijslandschen kus
kwam aanbieden; maar het gebeurde niet en zelfs maakte zij niet veel
omslag, toen zij ons in haar huis bracht.

De kamer voor de vreemdelingen scheen wel de slechtste van de pastorie,
bekrompen, vuil en stinkend. Wij moesten er ons mede behelpen; de
geestelijke scheen de aloude gastvrijheid niet te beoefenen. Verre
van daar. De dag was nog niet verstreken, of ik zag reeds, dat wij
te doen hadden met een smid, een visscher, een jager, een timmerman,
maar niet met een dienaar des Heeren. Maar het is waar, het was in
de week. Misschien hield hij zich des Zondags beter.

Ik wil niets ten nadeele van die arme priesters zeggen, die toch al
ongelukkig genoeg zijn; zij genieten van het deensche gouvernement
eene bespottelijke bezoldiging en ontvangen het vierde gedeelte van
de tienden van hun kerspel, hetgeen eene som van nog geen zestig
mark bedraagt [7]. Daaruit ontstaat de noodzakelijkheid om te werken;
maar al visschende, jagende, paarden beslaande, neemt men eindelijk
de manieren, den toon en de zeden van jagers, visschers en ander ruw
volkje aan; denzelfden avond bemerkte ik ook, dat onze gastheer de
matigheid niet onder zijne deugden telde.

Mijn oom begreep spoedig met welk een slag van een man hij te doen
had; in plaats van een braaf en waardig geleerde vond hij een lompen,
ruwen boer; hij besloot dus ten allerspoedigste zijn grooten tocht
te beginnen en deze ongastvrije pastorie te verlaten. Hij lette
niet op zijne vermoeidheid en besloot eenige dagen in den berg te
gaan doorbrengen.

Daags na onze komst te Stapi maakten wij derhalve reeds toebereidselen
tot ons vertrek. Hans huurde drie IJslanders om de paarden te
vervangen bij het vervoeren der bagage; maar als wij op den bodem van
den krater waren, zouden die inboorlingen terugkeeren en ons aan ons
lot overlaten. Dit punt werd stellig bepaald.

Bij deze gelegenheid moest mijn oom den jager wel mededeelen, dat
zijn plan was om de verkenning van den vulkaan zoo ver mogelijk voort
te zetten.

Hans vergenoegde zich met een hoofdknikje. Daar of ergens anders
te gaan, in de ingewanden van zijn eiland door te dringen of het te
doorloopen, daarin zag hij geen verschil; ik voor mij, hoewel ik tot
nu toe door de voorvallen van de reis nog al afleiding gehad en de
toekomst min of meer vergeten had, voelde mijne beklemdheid op nieuw
terugkomen. Maar wat was er aan te doen? Als ik eene poging had kunnen
wagen om mij tegen professor Lidenbrock te verzetten, dan had dit te
Hamburg maar niet aan den voet van den Sneffels moeten plaats hebben.

Een denkbeeld vooral pijnigde mij, een verschrikkelijk denkbeeld,
dat wel in staat was om sterker zenuwen dan de mijne te schokken.

"Komaan!" zeide ik, "wij zullen den Sneffels bestijgen. Goed. Wij
zullen zijn krater bezoeken. Goed. Anderen hebben het gedaan en
zijn er niet van gestorven. Maar dat is niet alles. Als er een weg
bestaat om in de ingewanden der aarde af te dalen, als die ongeluk
aanbrengende Saknussemm de waarheid heeft gesproken, dan zullen
wij onzen ondergang vinden in de onderaardsche galerijen van den
vulkaan. Maar niets bevestigt, dat de Sneffels uitgebrand is. Wie
verzekert ons, dat er geene uitbarsting wordt voorbereid? Al slaapt
het monster sedert 1219, volgt dan daaruit nog, dat het niet ontwaken
kan? En als het ontwaakt, wat zal er dan van ons worden?" Dat was wel
de moeite waard om er eens over te denken, hetgeen ik ook deed. Ik
kon niet slapen zonder van eene uitbarsting te droomen; de rol van
eene metaalslak te spelen scheen mij toch wat al te erg toe.

Eindelijk kon ik het niet langer uithouden; ik besloot zoo behendig
mogelijk het geval aan mijn oom mede te deelen, ingekleed als eene
volstrekt onvervulbare veronderstelling.

Ik zocht hem op, deelde hem mijne vrees mede en ging wat achteruit
om hem vrij te laten losbarsten. Hij antwoordde eenvoudig: "Daar heb
ik ook al aan gedacht."

Wat beteekende dit gezegde? Zou hij eindelijk gehoor geven aan de
stem der rede? Dacht hij er aan om zijn plannen op te schorten? Het
zou te mooi geweest zijn om mogelijk te wezen.

Na eenige oogenblikken zwijgens, daar ik hem niet durfde ondervragen,
hervatte hij het gesprek, zeggende:

"Ik dacht er aan. Sedert onze komst te Stapi heb ik mij ernstig
bezig gehouden met de gewichtige vraag, die gij mij daar voorlegt;
want wij moeten niet als onbezonnenen handelen."

"Neen!" antwoordde ik met nadruk.

"Sedert zes honderd jaar is de Sneffels stom, maar hij zou weder
kunnen spreken. De uitbarstingen nu worden altijd voorafgegaan door
volkomen bekende natuurverschijnselen; ik heb dus de bewoners des
lands ondervraagd, ik heb den grond bestudeerd en ik kan u zeggen,
Axel, dat er geene uitbarsting zal plaats hebben."

Op deze stellige verzekering stond ik verstomd en kon niet antwoorden.

"Twijfelt gij aan mijne woorden?" sprak mijn Oom, "welnu, volg mij!" Ik
gehoorzaamde werktuiglijk. De pastorie verlatende, sloeg de professor
dadelijk een weg in, die door eene opening in den basaltmuur zich
van de zee verwijderde. Weldra waren wij op het vlakke veld, als men
dien naam geven mag aan eene verbazende ophooping van uitgebraakte
vulkanische stoffen; de landstreek scheen als verpletterd onder een
regen van ontzaglijke steenen, basalt, graniet en olijfblende.

Hier en daar zag ik de dampen in de lucht opstijgen; die witte dampen,
in de ijslandsche taal "reykir" genoemd, kwamen uit de warme bronnen,
en wezen door hun geweld de vulkanische werkzaamheid van den grond
aan. Ik meende, dat mijne vrees hierdoor gerechtvaardigd werd. Ik
viel dus uit de wolken, toen mijn oom zeide:

"Gij ziet al dien rook, Axel! welnu, hij bewijst, dat wij niets van
de woede van den vulkaan hebben te vreezen!"

"Nu nog fraaier!" riep ik.

"Onthoud dit goed," hernam de professor: "bij de nadering van eene
uitbarsting verdubbelen de dampen hunne werkzaamheid, om geheel te
verdwijnen zoolang het verschijnsel duurt, want de veerkrachtige
vloeistoffen, dan die noodige spankracht niet meer hebbende, nemen
haren weg door den krater in plaats van te ontwijken door de scheuren
van den aardbol. Als die dampen dus in hun gewonen toestand blijven,
als hunne kracht niet toeneemt, als gij bij deze waarneming nog voegt,
dat de wind en de regen niet door eene zwoele, stille lucht worden
vervangen, dan kunt gij stellig verzekeren, dat er geene uitbarsting
ophanden is."

"Maar...."

"Genoeg. Wanneer de wetenschap heeft gesproken, past het ons te
zwijgen."

Ik kwam met hangende ooren in de pastorie terug; mijn oom had mij
met wetenschappelijke bewijzen geslagen. Toch had ik nog eene hoop,
namelijk, dat het, als wij eens op den bodem van den krater waren,
onmogelijk zou zijn, uit gebrek aan eene galerij, om dieper te dalen,
in spijt van alle Saknussemms der wereld.

Den volgenden nacht kwelde de nachtmerrie mij geducht. Ik bracht hem
door in het midden van een vulkaan, diep onder den grond, en voelde,
hoe ik, onder den vorm van een uitgebraakten steen, in het wereldruim
werd geslingerd.

Den volgenden morgen, den 23sten Juni, wachtte Hans ons op met zijne
makkers, beladen met de levensmiddelen, de gereedschappen en de
werktuigen. Twee met ijzer beslagen stokken, twee geweren en twee
kardoesdoozen waren voor mijn oom en mij bestemd. Hans had als een
voorzichtig man bij onze bagage nog een vollen lederen zak gevoegd,
die met onze waterflesschen ons voor acht dagen van water verzekerde.

Het was 's morgens negen uur. De geestelijke en zijne groote huisplaag
wachtten voor hunne deur. Zij wilden ons zonder twijfel het laatste
vaarwel van den gastheer aan den reiziger toeroepen. Maar dat vaarwel
nam den onverwachten vorm van eene hooge rekening aan, waarop zelfs
de lucht der pastorie, eene bedorven lucht durf ik zeggen, gebracht
was. Dit waardige paar plukte ons gelijk een zwitsersche kastelein,
en vorderde eene goede belooning voor zijne gastvrijheid.

Mijn oom betaalde zonder afdingen. Als iemand, die naar het middelpunt
der aarde vertrok, zag hij niet op eenige rijksdaalders.

Toen dit punt afgehandeld was, gaf Hans het sein tot het vertrek,
en eenige oogenblikken later hadden wij Stapi verlaten.



HOOFDSTUK XV


Het vertrek van Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid
van den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer."


De Sneffels is vijf duizend voet hoog; zijn dubbele kegel is het
einde van eene rij trachiet, die zich losmaakt van het bergstelsel des
eilands. Van ons punt van vertrek uit kon men zijne beide pieken zich
niet zien afteekenen op den grauwen achtergrond des hemels. Ik bemerkte
alleen eene verbazende sneeuwmuts op het voorhoofd van den reus.

Wij gingen achter elkander, voorafgegaan door den jager; deze besteeg
voetpaden, waar geen twee menschen naast elkander konden gaan. Een
gesprek werd dus ten naastenbij onmogelijk.

Aan de overzijde van den basaltmuur van den fjord van Stapi vertoonde
zich vooreerst een kruidachtige en vezelachtige veengrond, het
overblijfsel van den voormaligen plantengroei der moerassen van het
schiereiland; de hoeveelheid van deze nog ongebruikte brandstof zou
toereikend zijn om de geheele bevolking van IJsland eene eeuw lang
te verwarmen; dit uitgestrekte veen had, van den bodem van eenige
holle wegen gemeten, dikwijls zes en zestig voet dikte en vertoonde
opeenvolgende lagen van verkoolde overblijfsels van vergane gewassen,
gescheiden door schilfers van puimsteenachtigen tufsteen.

Als een echte neef van professor Lidenbrock en in weerwil van
mijne bezorgdheid beschouwde ik belangstellend de delfstoffelijke
merkwaardigheden in dit uitgebreide kabinet van natuurlijke historie
ten toon gesteld; tevens doorliep ik in den geest de geheele
aardkundige geschiedenis van IJsland.

Dit zoo merkwaardige eiland is klaarblijkelijk in een betrekkelijk
jong tijdperk uit den schoot der golven opgerezen; misschien zelfs
verheft het zich nog tegenwoordig door eene onmerkbare beweging. Als
dit zoo is, kan men zijn oorsprong alleen toeschrijven aan de werking
van het onderaardsche vuur. In dat geval dus verdwenen de theorie van
Humphry Davy, het document van Saknussemm, de beweringen van mijn oom
in rook. Deze veronderstelling bracht mij er toe om den aard van den
grond oplettend te onderzoeken en weldra kon ik mij rekenschap geven
van de opeenvolging der natuurverschijnselen, die de vorming van dit
eiland voorafgingen.

IJsland, geheel beroofd van bezonken gronden, bestaat alleen uit
vulkanischen tufsteen, dat is te zeggen uit eene opeenhooping van
steenen en rotsen van een poreus weefsel. Voor het bestaan der vulkanen
bestond het uit massief trap-porfier, langzaam uit de golven opgeheven
door het omhoog werken der inwendige krachten. Het inwendige vuur
had zich nog niet naar buiten getoond.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18