A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


Maar later werd eene breede, dwarse scheur van het zuidoosten naar
het noordwesten des eilands geopend, waardoor langzamerhand al het
halfgesmolten trachiet zich een uitweg baande. Dit verschijnsel had
toen zonder geweld plaats; de uitkomst was verbazend, en de gesmolten
stoffen, uit de ingewanden der aarde verdreven, verspreidden zich
rustig als groote vlakke lagen of als heuvelachtige massa's. Te dien
tijde verschenen het veldspaat, syeniet en porfier.

Maar ten gevolge van die uitstorting nam de dikte des eilands en
bij gevolg zijn tegenstandbiedend vermogen aanmerkelijk toe. Men
begrijpt licht, welk eene hoeveelheid veerkrachtige vloeistoffen zich
in zijn binnenste ophoopte, toen het geen uitweg meer aanbood na de
afkoeling der trachietkorst. Toen kwam er een oogenblik, waarin het
arbeidsvermogen dier gassen zoo groot was, dat zij de zware schors
ophieven en zich hooge schoorsteenen oprichtten. Zoo ontstond dus de
vulkaan door de opheffing van de korst, en werd vervolgens de krater
plotseling in den top van den vulkaan geboord.

Toen volgden vulkanische verschijnselen op de
uitwerpingsverschijnselen; door de pas gevormde openingen ontsnapten
vooreerst de uitwerpselen van basalt, waarvan de vlakte, die wij thans
doorgingen, aan onze blikken de merkwaardigste proeven vertoonde. Wij
liepen over de zware donkergrijze rotsen, die de afkoeling gevormd
had tot prisma's met zeshoekige grondvlakken. In de verte zag men
een groot aantal afgeknotte kegels, die voorheen zoovele vuurspuwende
monden waren.

Nadat de basaltuitwerking uitgeput was, verleende de vulkaan, wiens
kracht nog toenam door die der uitgebrande kraters, een doortocht
aan de lava en aan die tufsteenen van asch en slakken, welker
lange stroomen ik op zijne hellingen verstrooid zag, als waren het
weelderige haren.

Dit was de opeenvolging der natuurverschijnselen, die IJsland te
voorschijn riepen; alle ontstonden uit de werking van het inwendige
vuur, en het was dwaasheid te vooronderstellen, dat de binnenste
massa niet bleef in een voortdurenden toestand van witgloeiende
vloeibaarheid. Dwaas vooral was het plan om te trachten het middelpunt
van den aardbol te bereiken!

Ik stelde mijzelven dus gerust betreffende den uitslag onzer
onderneming, terwijl ik op weg was om den Sneffels met den stormpas
te beklimmen.

De weg werd hoe langer hoe moeielijker; de grond rees; de rotsbrokken
geraakten in beweging, en de grootste oplettendheid was noodig om
een gevaarlijken val te vermijden.

Hans ging rustig vooruit als op een effen bodem; soms verdween hij
achter de groote klompen en verloren wij hem voor een oogenblik uit het
gezicht; dan wees een scherp gefluit de richting aan, die wij moesten
volgen. Dikwijls ook bleef hij staan, raapte eenige brokken steen op,
schikte ze op eene in het oog loopende wijze en vormde zoo wegwijzers
om den terugweg aan te duiden. De voorzorg was op zichzelve goed,
maar de volgende gebeurtenissen maakten haar nutteloos.

Een vermoeiende marsch van drie uur had ons nog niet verder gebracht
dan den voet van den berg. Daar gaf Hans een teeken om stil te houden
en deelden wij een kort ontbijt. Mijn oom slikte de brokken door om
maar spoedig te kunnen vertrekken. Doch, daar dit maal tevens eene
rust moest zijn, was hij genoodzaakt het goeddunken van zijn gids af
te wachten, die een uur later het sein gaf om weder op te breken. De
drie IJslanders, even zwijgend als hun makker, de jager, spraken geen
woord en aten matig.

Nu begonnen wij de hellingen van den Sneffels te bestijgen; door
een in de bergen zeer gewoon gezichtsbedrog scheen zijn besneeuwde
top mij zeer nabij toe, en toch! hoe lang duurde het nog eer wij hem
bereikten! op wat al vermoeienis kwam hij ons te staan! De steenen,
door geene aarde noch gras verbonden, rolden onder onze voeten weg
en verdwenen in de vlakte met de snelheid eener lawine.

Op sommige plaatsen maakten de zijden van den berg met den
gezichteinder een hoek van minstens zes en dertig graad; het was
onmogelijk ze te beklimmen, en niet zonder moeite moesten die
steenachtige steilten worden omgetrokken. Dan stonden wij elkander
door middel van onze stokken bij.

Ik moet zeggen, dat mijn oom zoo dicht mogelijk bij mij bleef; hij
verloor mij niet uit het oog en bij menige gelegenheid verleende
zijn arm mij een stevigen steun. Hij had zeker een ingeschapen gevoel
van evenwicht, want hij struikelde niet. De IJslanders, hoewel zwaar
beladen, klauterden met de vlugheid van bergbewoners.

De hoogte van den top des Sneffels in aanmerking genomen dacht het
mij onmogelijk hem van deze zijde te bereiken, als de helling niet wat
toenam. Gelukkig vertoonde zich onverwacht, midden in het uitgestrekte
sneeuwtapijt, dat den rug van den vulkaan bedekte, eene soort van
trap, die onze beklimming veel gemakkelijker maakte. Zij was gevormd
door een van die stroomen van steenen, welke bij de uitbarsting in
de hoogte geslingerd en op IJsland "stina" genoemd worden. Als deze
stroom niet in zijn val ware gestuit door de ligging van de zijden des
bergs, zou hij zich in zee gestort en nieuwe eilanden gevormd hebben.

Zoo als hij was kwam hij ons goed van pas; de steilte der hellingen
nam toe, maar die steenen treden boden de gelegenheid aan om ze
gemakkelijk, ja zelfs zoo snel te bestijgen, dat ik, een oogenblikje
achter gebleven zijnde, terwijl mijne metgezellen met hunne beklimming
voortgingen, hen door den afstand reeds verkleind zag tot een
microscopisch voorkomen.

's Avonds te zeven uur hadden wij de twee duizend treden van de trap
beklommen en overzagen wij eene ronde verhevenheid van den berg,
eene soort van voetstuk, waarop de eigenlijke kegel des kraters rustte.

De zee lag drie duizend twee honderd voet onder ons; wij waren boven
de sneeuwlinie gekomen, die op IJsland door de aanhoudende vochtigheid
van het klimaat niet zeer hoog ligt. Het was snerpend koud; de wind
woei hevig. Ik was uitgeput. De professor zag wel, dat de beenen mij
allen dienst weigerden en ondanks zijn ongeduld besloot hij stil te
houden. Hij wenkte dus den jager, die het hoofd schudde en zeide:
"Ofvanfoer".

"Het schijnt dat wij hooger moeten stijgen," zeide mijn oom.

Daarop onderzocht hij bij Hans naar de reden van zijn antwoord.

"Mistour"! antwoordde de gids.

"Ja, mistour"! herhaalde een der IJslanders op een ontstelden toon.

"Wat beteekent dat woord?" vroeg ik zeer ongerust.

"Zie maar rond!" sprak mijn oom.

Ik richtte mijne blikken naar de vlakte; eene verbazende kolom van
fijne puimsteen, zand en stof verhief zich draaiende als eene hoos; de
wind dreef haar naar die zijde van den Sneffels, waar wij ons bevonden;
deze ondoorschijnende gordijn onderschepte het zonnelicht en hulde den
berg in de schaduw. Als deze hoos daalde, moest zij ons stellig in hare
dwarrelingen wikkelen. Dit, wanneer de wind van de gletschers waait,
zeer gewone natuurverschijnsel, heet in het ijslandsch "mistour".

"Hastigt! hastigt"! riep onze gids.

Zonder deensch te kennen begreep ik toch, dat wij hem ten spoedigste
moesten volgen. Hans begon den kegel van den krater om te loopen, maar
in eene schuine richting om gemakkelijker te kunnen voortkomen; weldra
viel de hoos op den berg, die bij haar schok sidderde; de steenen door
den luchtstroom medegevoerd vielen als regen neder, gelijk bij eene
uitbarsting. Wij waren gelukkig tegen alle gevaar beveiligd aan den
anderen kant des bergs; zonder de voorzorg van den gids zouden onze
gekorven lichamen verre van daar in kleine stukken nedergevallen zijn,
als het voortbrengsel van het een of ander onbekend luchtverschijnsel.

Toch oordeelde Hans het niet voorzichtig om den nacht door te brengen
op de zijden van den kegel. Wij klommen dus zigzagsgewijze hooger;
voor de vijftien honderd voet, die wij nog moesten afleggen, hadden
wij bijna vijf uur noodig; de omwegen, draaiingen en rugwaartsche
bewegingen waren minstens drie mijl lang. Ik kon niet langer, ik
bezweek van koude en honger. De eenigszins verdunde lucht was niet
toereikende voor mijne ademhaling.

Eindelijk werd te elf uur in de dichtste duisternis de top van den
Sneffels bereikt, en voor ik eene schuilplaats ging zoeken in het
inwendige van den krater, had ik tijd om "de middernachtszon" op
het laagste punt harer baan te zien, terwijl zij hare bleeke stralen
wierp op het slapende eiland onder mijne voeten.



HOOFDSTUK XVI


Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den
krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock
wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.


Het avondeten was spoedig afgeloopen en de kleine troep legde zich
zoo goed mogelijk te rusten. De ligplaats was hard, de dekking
beduidde niet veel, de toestand was zeer hachelijk op eene hoogte
van vijf duizend voet boven den spiegel der zee. Toch sliep ik dezen
nacht zeer rustig, die een der beste was, welke ik sinds lang had
doorgebracht. Zelfs droomde ik niet eens.

Den volgenden morgen werden wij, half bevroren door de zeer scherpe
lucht, wakker door de stralen eener heldere zon. Ik verliet mijn
bed van graniet en ging mij verlustigen in het heerlijke schouwspel,
dat zich aan mijn oog vertoonde.

Ik bevond mij op eene der beide pieken van den Sneffels, de
zuidelijke. Van daar had ik het gezicht op het grootste gedeelte
des eilands; het gezichtsbedrog, dat aan alle aanzienlijke hoogten
eigen is, deed zijne oevers rijzen, terwijl het binnenland scheen te
dalen. Men zou gezegd hebben, dat eene kaart in relief van Helbesmer
aan mijne voeten lag uitgespreid; ik zag de diepe dalen elkander in
alle richtingen kruisen, de afgronden zich als putten voordoen, de
meren in vijvers, de rivieren in beken veranderen. Ter rechterzijde
volgden de tallooze gletschers en de menigvuldige pieken op elkander,
waarvan eenige een vederbos van lichte rookwolkjes schenen te
dragen. De golven dezer eindelooze bergen, die schenen te schuimen
door hunne sneeuwlagen, deden mij denken aan de oppervlakte eener
onstuimige zee. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde daar de
oceaan zich uit in zijn volle pracht, als ware hij eene voortzetting
dier gekroesde toppen. Mijn oog kon nauwelijks onderscheiden, waar
de aarde eindigde en de golven begonnen.

Ik verzonk in die begoochelende geestverrukking, welke de hooge toppen
verwekken, en ditmaal zonder duizelig te worden; want ik geraakte
eindelijk gewoon aan dat zien uit de hoogte. Mijne verblinde oogen
baadden zich in de doorschijnende uitstraling van het zonnelicht. Ik
vergat, wie ik was, waar ik was, om het leven der elfen en sylphen,
de denkbeeldige bewoners der scandinavische fabelleer, te doorleven;
ik zwelgde het wellustig genot van mijne hooge standplaats met volle
teugen in, zonder te denken aan de afgronden, waarin mijn noodlot mij
binnen kort zou storten. Maar ik werd tot bewustheid der werkelijkheid
teruggevoerd door de komst van den professor en van Hans, die zich
op den top van de piek bij mij voegden.

Mijn oom keerde zich naar het westen en wees mij met de hand een
lichten damp, een nevel, eene flauwe schemering van land boven de
waterlijn.

"Groenland," sprak hij.

"Groenland?" riep ik uit.

"Ja, wij zijn er geen vijf en dertig uur van daan en als het dooit,
komen de ijsberen op de ijsschotsen uit het noorden tot op IJsland
toe. Maar dat hindert ons niet. Wij zijn op den top van den Sneffels;
hier zijn twee pieken, de eene ten zuiden, de andere ten noorden. Hans
zal ons zeggen, welken naam de IJslanders geven aan die, waarop wij
ons thans bevinden."

Toen de vraag duidelijk gesteld was, antwoordde de jager:

"Scartaris."

Mijn oom wierp mij een zegepralenden blik toe.

"Naar den krater!" zeide hij.

De krater van den Sneffels had de gedaante van een omgekeerden kegel,
welks opening een half uur in middellijn kon wezen. Zijne diepte
schatte ik op ongeveer twee duizend voet. Men kan licht oordeelen
over den toestand van zulk een ontvanger, als hij gevuld werd met
donder en vlammen. Het grondvlak van den trechter kon niet meer dan
vijfhonderd voet omtrek hebben, zoodat zijne vrij zachte hellingen
de nederdaling gemakkelijk maakten. Onwillekeurig vergeleek ik dien
krater met eene verbazend groote en wijde donderbus en die vergelijking
beangstigde mij.

"In eene donderbus af te dalen," dacht ik, "die misschien geladen is
en bij den geringsten schok kan losbranden, is het werk van gekken."

Maar ik kon niet meer terug. Hans stelde zich met een onverschillig
gelaat weder aan het hoofd der troep. Ik volgde hem zonder een woord
te spreken.

Ten einde de afdaling gemakkelijk te maken beschreef Hans binnen in
den kegel zeer uitgestrekte ellipsen; wij moesten over uitgebraakte
steenen loopen, waarvan eenige, door de dreuning van hun steunpunt
beroofd, telkens opspringende op den bodem van den afgrond vielen. Hun
val verwekte zeer helder klinkende, telkens herhaalde echo's.

Zekere gedeelten des kegels vormden inwendige gletschers; dan ging Hans
slechts met de uiterste behoedzaamheid voort, terwijl hij gedurig den
grond met zijn met ijzer beslagen stok peilde om er de scheuren in te
ontdekken. Op sommige twijfelachtige punten werd het noodzakelijk om
ons met een lang touw aan elkander te binden, opdat hij, wiens voet
soms mocht uitglijden, vastgehouden werd door zijne makkers. Deze
vastbinding was een maatregel van voorzichtigheid, maar sloot alle
gevaar nog niet uit.

Evenwel werd de weg, ondanks de moeielijkheden van de afdaling langs
hellingen, die de gids niet kende, zonder ongelukken afgelegd; alleen
ontglipte een pak aan de handen van een IJslander en ging regelrecht
naar den bodem van den afgrond.

Te twaalf uur waren wij aangekomen. Ik hief het hoofd op en bespeurde
de bovenste opening van den kegel, waardoor een gedeelte van den
hemel zichtbaar werd, welks omtrek zeer verkleind maar bijna zuiver
was. Op een punt slechts teekende de piek van den Scartaris zich af,
die in de eindelooze ruimte zich verloor.

Op den bodem van den krater openden zich drie schoorsteenen, waardoor
de hoofdhaard bij eene uitbarsting van den Sneffels zijne lava en
dampen uitbraakte. Elk dezer schoorsteenen had omtrent honderd voet
middellijn. Zij gaapten onder onze voeten. Ik had de kracht niet om
er in te zien. Professor Lidenbrock had hun stand snel onderzocht,
hij hijgde, liep van den een naar den anderen, gebaren makende en
allerlei onverstaanbare woorden uitende. Hans en zijne makkers, op
brokken lava zittende, zagen het aan en hielden hem zeker voor een gek.

Eensklaps schreeuwde mijn oom luidkeels; ik dacht, dat de grond onder
hem wegzonk en hij in een der drie afgronden viel. Maar neen. Ik zag
hem met wijd uitgestrekte armen en de beenen ver van elkander voor
een granietblok staan, dat in het middelpunt van den krater lag, als
een verbazend voetstuk bestemd voor het standbeeld van een Pluto. Hij
stond in de houding van een ontsteld mensch, maar wiens ontsteltenis
weldra plaats maakte voor eene dwaze vreugde.

"Axel, Axel!" riep hij, "kom eens hier, kom eens hier!"

Ik snelde heen. Hans noch de IJslanders bewogen zich.

"Zie eens!" zeide mij de professor.

En zoo al niet in zijne vreugde, dan toch in zijne verbazing deelende,
las ik op de westzijde van het blok in runische, door den tijd half
uitgewischte letters, dezen duizendmaal vervloekten naam:

[AFBEELDING]

"Arne Saknussemm!" riep mijn oom, "kunt gij nu nog twijfelen?" Ik
antwoordde niets en keerde geheel ontzet naar mijne bank van lava
terug. Dit tastbare bewijs verpletterde mij.

Hoe lang ik zoo in mijne gepeinzen verdiept bleef, weet ik niet. Al
wat ik weet is, dat ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn oom en Hans
alleen in den krater zag. De IJslanders waren weggezonden en nu
daalden zij weder langs de buitenste hellingen van den Sneffels af
om naar Stapi terug te keeren.

Hans sliep gerust aan den voet eener rots op een lavastroom, waarin
hij eene soort van slaapplaats had gemaakt, mijn oom liep op den
bodem van den krater rond, gelijk een wild dier in den kuil van
een jager. Ik had lust noch kracht om op te staan en een voorbeeld
nemende aan den gids, gaf ik mij over aan eene pijnlijke slaperigheid,
telkens mij verbeeldende gerommel te hooren of schokken in de zijden
van den berg te gevoelen.

Zoo verliep deze eerste nacht op den bodem des kraters.

Den volgenden dag hing eene grauwe, bewolkte en zware lucht op den top
des kegels. Ik bespeurde dit minder aan de duisternis in den afgrond,
dan aan den toorn, die mijn oom beving.

Ik begreep er de reden van en eene straal van hoop verhelderde mijn
hart. Ziehier waarom.

Van de drie wegen, die voor ons openstonden, was er slechts een door
Saknussemm gevolgd. Naar het zeggen van den ijslandschen geleerde
kon men hem herkennen aan deze in het geheimschrift aangeduide
bijzonderheid, dat de schaduw van den Scartarus zijn rand in de
laatste dagen der maand Juni raakte.

Men kan inderdaad deze scherpgepunte piek beschouwen als de staaf
van een ontzaglijken zonnewijzer, wiens schaduw op een gegeven dag
den weg naar het middelpunt van den aardbol aanwees.

Bleef nu de zon weg, dan was er geene schaduw en bij gevolg geene
aanwijzing. Wij hadden den 25sten Juni. Bleef de lucht zes dagen
achtereen betrokken, dan moest de waarneming tot een ander jaar
uitgesteld worden.

Ik waag het niet om den machteloozen toorn van professor Lidenbrock
te schilderen. De dag verstreek, en geene schaduw viel op den bodem
des kraters. Hans week niet van zijne plaats; toch moest hij zich
wel afvragen, waarop wij wel wachtten, als hij zich ten minste iets
afvroeg! Mijn oom sprak mij geen enkelen keer aan. Zijne bestendig
naar den hemel gewende blikken verloren zich in het grauwe en mistige
verschiet.

Den 26sten was er nog niets te zien. Eene regenbui met hagel vermengd
viel den ganschen dag. Hans bouwde eene hut van brokken lava. Ik vond
er een zeker genoegen in om met het oog de duizenden watervallen op
de zijden van den kegel, wier oorverdoovend gemurmel door iederen
steen versterkt werd, te volgen.

Mijn oom kon zich niet langer inhouden. Een geduldiger man zelfs zou
dan ook razend geworden zijn; want dit mocht wel heeten in de haven
schipbreuk lijden.

Maar de hemel vermengt steeds groote vreugde met groote smarten en
had voor professor Lidenbrock eene voldoening weggelegd, die zijne
wanhopend makende verveling evenaarde.

Den volgenden dag was de lucht nog betrokken, maar Zondag, den 28sten
Juni, op twee na den laatsten dag der maand, kwam er met de verandering
van maan ook verandering van weder. De zon goot hare stralen met volle
stroomen in den krater. Ieder bergje, iedere rots, iedere steen,
iedere oneffenheid deelde in hare weldadige uitstrooming en wierp
oogenblikkelijk zijne schaduw op den grond. Onder allen teekende die
van den Scartaris zich af als een kam en begon onmerkbaar met het
lichtgevende hemellichaam te draaien.

Mijn oom draaide mede.

Ten twaalf uur, toen zij het kortste was, raakte zij eventjes den
kant van den middelsten schoorsteen.

"Daar is het!" riep de professor, "daar is het! Naar het middelpunt
van den aardbol!" voegde hij er in het deensch bij.

Ik zag Hans aan.

"Foruet!" sprak de gids heel bedaard.

"Vooruit!" herhaalde mijn oom.

Het was een uur en dertien minuten na den middag.



HOOFDSTUK XVII


Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen
inwendige warmte.--Op den bodem van den krater.


De wezenlijke reis begon. Tot nu toe waren de vermoeienissen erger
geweest dan de moeielijkheden; van nu af aan schoten dezen inderdaad
onder onze schreden uit den grond op.

Ik had nog geen blik geworpen in dien onpeilbaren put, waarin ik zou
afdalen. Het oogenblik was gekomen, ik kon nog of aan de onderneming
deelnemen of mij er aan onttrekken. Maar ik schaamde mij voor den
jager om achteruit te treden. Hans ondernam het waagstuk zoo gerust,
met zulk eene onverschilligheid, zulk eene volkomene onbezorgdheid
voor alle gevaar, dat ik reeds bloosde alleen bij de gedachte, dat
ik minder moedig zou zijn dan hij. Ware ik alleen geweest, dan zou
ik nog eens de reeks gewichtige gronden geopperd hebben; maar in
tegenwoordigheid van den gids zweeg ik; eene mijner herinneringen
vloog naar mijn lief meisje en ik naderde den middelsten schoorsteen.

Ik heb reeds gezegd, dat hij honderd voet in middellijn of drie
honderd voet in omtrek mat. Ik bukte over eene overhangende rots
en zag naar beneden; mijne haren rezen te berge. Het gevoel van het
ledige maakte zich van mij meester. Ik voelde het zwaartepunt zich
in mij verplaatsen en de duizeligheid als dronkenschap naar mijn
hoofd stijgen. Niets bedwelmt meer dan die aantrekkingskracht van
den afgrond. Ik was op het punt van te vallen. Eene hand hield mij
tegen: die van Hans. Zeker had ik nog niet genoeg les genomen in het
nederzien in den afgrond op de Frelsers-Kirk te Kopenhagen.

Al had ik maar even mijne blikken in dien put laten vallen, nochtans
had ik mij vergewist van zijne inrichting. Zijne bijna loodrechte
wanden leverden wel talrijke uitstekende punten op, die de nederdaling
gemakkelijk konden maken; maar ontbrak al de trap niet, de leuning
wel. Een touw, aan de opening vastgemaakt, zou toereikende geweest
zijn om ons te steunen; maar hoe moest het losgemaakt worden, als
wij beneden waren gekomen?

Mijn oom gebruikte een zeer eenvoudig middel om dit bezwaar uit
den weg te ruimen. Hij ontrolde een touw zoo dik als een duim en
ter lengte van vier honderd voet; hij vierde er eerst de helft van,
draaide het toen om een uitstekend brok lava en wierp de andere helft
in den schoorsteen. Ieder onzer kon nu nederdalen, de beide helften
van het touw, dat niet losraken kon, in de hand houdende; waren wij
eerst maar twee honderd voet gedaald, dan zou niets gemakkelijker zijn
dan het naar ons toe te halen door het eene einde los te laten en aan
het andere te trekken. Vervolgens herhaalde men die bewerking slechts
"usque ad infinitum".

Nadat die toebereidselen afgeloopen waren, zeide mijn oom: "Nu zullen
wij ons met de bagage bezighouden; wij zullen ze in drie pakken
verdeelen en ieder onzer zal er een op zijn rug binden; ik spreek
alleen van de breekbare voorwerpen."

De stoutmoedige professor plaatste ons blijkbaar niet in deze laatste
afdeeling.

"Hans," hernam hij, "zal zich belasten met de werktuigen en een
gedeelte der levensmiddelen; gij, Axel! met een ander derde deel
der levensmiddelen en met de wapenen; ik, met het overschot der
levensmiddelen en met de breekbare werktuigen."

"Maar," zeide ik, "wie zal zich belasten met het naar beneden brengen
der kleederen en van die massa touwen en ladders?"

"Die zullen wel alleen beneden komen."

"Hoe dan?" vroeg ik zeer verwonderd.

"Dat zult gij zien."

Mijn oom wendde gaarne groote middelen aan en deed dat zonder
aarzelen. Op zijn bevel maakte Hans een pak van de stevigste voorwerpen
en wierp het, behoorlijk vastgebonden, heel eenvoudig in de diepte.

Ik hoorde het heldere geraas voortgebracht door de verplaatsing der
luchtlagen. Over den afgrond gebogen volgde mijn oom met een tevreden
gezicht de nederdaling zijner bagage en stond eerst op, toen hij ze
uit het oog had verloren.

"Goed!" sprak hij. "Nu is het onze beurt."

Ik vraag iederen onpartijdige, of het mogelijk was zulke woorden
zonder siddering aan te hooren!

De professor nam het pak met de werktuigen op den rug, Hans dat met
de gereedschappen en ik dat met de wapenen. De afdaling had in de
volgende orde plaats: Hans, mijn oom en ik. Zij geschiedde in de
diepste stilte, alleen afgebroken door den val der rotsblokken,
die in de diepte rolden.

Ik liet mij om zoo te zeggen afglijden, met de eene hand het dubbele
touw zenuwachtig omklemmende, en mij, met behulp van mijn stok, met
de andere van den wand afstootende. Eene gedachte slechts bezielde
mij. Ik vreesde, dat het steunpunt ons mocht ontzinken. Dit touw scheen
mij zwak genoeg toe om de zwaarte van drie menschen te dragen. Ik
bediende er mij zoo min mogelijk van, allerlei bewegingen makende
om in evenwicht te blijven op de trappen van lava, die mijn voet,
als waren zij eene hand, trachtte te grijpen.

Toen eene dezer treden onder de voeten in beweging raakte, zeide Hans
met eene rustige stem:

"Gif akt!"

"Geef acht!" herhaalde mijn oom.

Na een half uur kwamen wij op de oppervlakte van een rotsblok, dat
diep in den wand van den schoorsteen drong.

Hans trok aan een der einden van het touw; het andere verhief zich in
de lucht; na over de hoogste rots heengegaan te zijn viel het weder,
brokken steen en lava losrukkende, eene soort van regen of liever
van zeer gevaarlijken hagel.

Toen ik mij over den rand van ons klein vlak henen boog, bemerkte ik,
dat de bodem van het gat nog onzichtbaar was.

De reis langs het touw begon op nieuw, en een half uur later waren
wij weder twee honderd voet lager gekomen.

Ik weet niet, of de ijverigste geoloog het beproefd zou hebben om
gedurende die afdaling den aard der gronden, die hem omringden, te
onderzoeken. Ik althans bekommerde mij er niet om; of zij pliocenisch,
miocenisch of eocenisch waren, of zij tot de krijtvorming, tot
de juragroep, de triasgroep, de permsche groep, de kolengroep,
de devonische of de silurische vorming behoorden, dan wel of zij
oorspronkelijke lagen waren, dat alles hield mijne gedachten geenszins
bezig. Maar de professor deed zonder twijfel zijne waarnemingen of
maakte zijne opmerkingen, want bij eene onzer halten zeide hij:


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18