A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


"Hoe lager ik kom, hoe meer vertrouwen ik krijg; de schikking dezer
vulkanische gronden bevestigt ten volle de theorie van Davy. Wij zijn
in het midden van oorspronkelijke gronden, waarin de scheikundige
werking heeft plaats gehad van de metalen, die bij de aanraking
met lucht en water ontvlamden; ik verwerp geheel het stelsel eener
inwendige warmte; doch wij zullen zien."

Zoo kwam hij altijd tot hetzelfde besluit. Men begrijpt wel, dat ik
geen lust had om te redekavelen. Mijn stilzwijgen werd voor toestemming
gehouden en de afdaling begon weder.

Na verloop van drie uren zag ik nog niets van den bodem des
schoorsteens. Toen ik het hoofd ophief, bemerkte ik, dat zijne opening
duidelijk kleiner werd; zijne wanden raakten elkander bijna door
hunne geringe helling. Het werd allengs donker.

Toch daalden wij nog altijd; het scheen mij toe, dat de van de wanden
losgeraakte steenen met een doffer geluid wegzonken en spoediger den
bodem van den afgrond bereikten.

Daar ik nauwkeurig acht gegeven had op onze bewegingen met het touw,
kon ik eene juiste berekening maken van de bereikte diepte en den
verloopen tijd.

Wij hadden nu veertien maal die beweging herhaald, die een half uur
duurde. Dit bedroeg dus zeven uur, bovendien nog veertien kwart uur
rust of drie en half uur. Wij waren te een uur vertrokken, dus moest
het nu elf uur zijn.

Wat de diepte betreft, die wij bereikt hadden, veertien maal de lengte
van het touw van twee honderd voet gaf twee duizend acht honderd voet.

Op dit oogenblik deed de stem van Hans zich hooren, die "halt!" riep.

Ik hield op, juist toen mijne voeten bijna het hoofd van mijn oom
aanraakten.

"Wij zijn er!" zeide deze.

"Waar?" vraagde ik, terwijl ik mij naast hem liet afglijden.

"Op den bodem van den loodrechten schoorsteen."

"Is er dan geen andere uitgang?"

"Jawel! ik zie zoo iets van een nauwen gang die schuinsrechts
loopt. Morgen zullen wij het wel eens onderzoeken. Nu zullen wij
eerst eten en dan gaan slapen."

Het was nog niet geheel donker. Wij openden den zak met levensmiddelen,
aten en legden ons, zoo goed als het ging, op een bed van steenen en
lavabrokken neder. En toen ik op den rug liggende de oogen opende,
bemerkte ik een schitterend punt aan het einde van de drie duizend
voet lange buis, die in een reusachtigen verrekijker veranderd was.

Het was eene ster, die volstrekt niet flonkerde en die naar mijne
berekening Beta van den kleinen Beer moest wezen.

Vervolgens viel ik in een gerusten slaap.



HOOFDSTUK XVIII


Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava.


Des morgens te acht uur deed een lichtstraal ons ontwaken. De
duizende vlakken der lavawanden vingen hem op zijn voorbijgang op en
verstrooiden hem als een regen van vonken.

Dit schijnsel was sterk genoeg om de omringende voorwerpen duidelijk
te kunnen onderscheiden.

"Welnu, Axel! wat zegt gij er van?" zeide mijn oom zich de handen
wrijvende. "Hebt gij ooit een rustiger nacht doorgebracht in ons huis
in de Koningstraat? Hier wordt men niet gestoord door het geratel
van karren, door het geschreeuw der kooplieden, door het getier
der schippers!"

"Het is hier zeker heel rustig op den bodem van dezen put; maar die
kalmte zelve heeft iets ontzettends."

"Komaan!" riep mijn oom, "als gij nu reeds bang zijt, wat zal het
dan later zijn? Wij zijn nog geen duim diep in den schoot der aarde
doorgedrongen."

"Wat wilt gij daarmede zeggen?"

"Ik wil zeggen, dat wij nog pas den bodem van het eiland hebben
bereikt! Die lange, loodrechte buis, die uitloopt in den krater van
den Sneffels, eindigt ten naasten bij gelijk met den spiegel der zee."

"Zijt gij daarvan verzekerd?"

"Ongetwijfeld; raadpleeg den barometer, dan zult gij het zien."

Inderdaad was het kwik, dat gedurende onze nederdaling weder
langzamerhand in het werktuig gestegen was, op negen en twintig duim
blijven staan.

"Gij ziet het," hernam de professor, "wij hebben nog slechts
eene dampkringsdrukking, en ik verlang er vurig naar, dat de
luchtdichtheidsmeter dezen barometer moet vervangen."

Dit werktuig zou ons dan ook nutteloos worden, zoodra de zwaarte der
lucht hare drukking op den waterspiegel zou te boven gaan.

"Maar," zeide ik, "staat het niet te vreezen, dat die gestadig
toenemende drukking hoogst lastig zal worden?"

"Neen. Wij zullen langzaam dalen en onze longen zullen er
aan gewennen om eene meer samengeperste dampkringslucht in te
ademen. De luchtreizigers krijgen eindelijk gebrek aan lucht, als
zij in de bovenste lagen komen; wij integendeel zullen misschien
te veel hebben. Maar dat heb ik liever. Wij moeten geen oogenblik
verliezen. Waar is het pak, dat ons in het binnenste van den berg
is voorgegaan?"

Ik herinnerde mij nu, dat wij het den vorigen avond te vergeefs
gezocht hadden. Mijn oom ondervroeg Hans, die, na oplettend met zijne
jagersoogen rondgezien te hebben, antwoordde:

"Der huppe"!

"Daar boven ons!"

Inderdaad was het pak blijven hangen aan eene uitstekende rotspunt
omtrent honderd voet boven ons hoofd. De vlugge IJslander begon
dadelijk als eene kat te klauteren, en in eenige minuten was het pak
bij ons.

"Nu," zeide mijn oom, "zullen wij ontbijten; maar laten wij het doen
als lieden, die wellicht een langen tocht moeten doen."

De beschuit en het gedroogde vleesch werden doorgespoeld met eene
mondvol water en jenever.

Toen het ontbijt afgeloopen was, haalde mijn oom een aanteekenboekje
voor de waarnemingen bestemd uit den zak; hij nam achtereenvolgens
zijne verschillende werktuigen en schreef de volgende gegevens op:

Maandag 1 Juli. Tijdmeter: 8 uur 17 min. des morgens. Barometer:
292 millimeter. Thermometer: 6 deg.. Windrichting: O.Z.O.

Deze laatste waarneming had betrekking op de donkere galerij en werd
door het kompas aangegeven.

"Nu eerst, Axel!" riep de professor met geestdrift uit, "nu eerst
gaan wij wezenlijk in den schoot der aarde doordringen. Dit is het
juiste oogenblik van het begin onzer reis."

Toen hij dit gezegd had, nam mijn oom met de eene hand den aan zijn
hals hangenden toestel van Ruhmkorff, met de andere bracht hij den
electrischen stroom in verbinding met de slang der lantaarn en een
vrij helder licht verdreef de duisternis der galerij.

Hans droeg den tweeden toestel, die ook in werking werd gebracht. Deze
vernuftige toepassing der electriciteit stelde ons in staat om lang
voort te gaan, terwijl wij een kunstmatigen dag schiepen, zelfs in
het midden der meest ontvlambare gassen.

"Voorwaarts!" sprak mijn oom.

Ieder nam zijn pak weder op. Hans belastte zich bovendien met de zorg
om het pak met de touwen en de kleederen voor zich uit te rollen, en
zoo traden wij de galerij binnen, waarbij ik de achterhoede uitmaakte.

Op het punt zijnde mij in dien donkeren gang te begeven, hief ik
nog eens het hoofd op, en bemerkte voor de laatste maal door het
gezichtsveld der verbazende buis den hemel van IJsland, "dat ik nooit
zou wederzien."

Tijdens de laatste uitbarsting van 1229 had de lava zich een weg
door dien tunnel gebaand. Zij overdekte hem inwendig met eene dikke
en glimmende korst; het electrieke licht werd er door teruggekaatst
met honderdvoudige dichtheid.

De weg leverde geene andere moeielijkheid op dan deze, dat men zorgen
moest om niet te schielijk af te glijden van eene helling, die een
hoek van omstreeks vijf en veertig graden maakte; gelukkig vervingen
eenige holten en hoogten de plaats van treden, en behoefden wij slechts
te dalen, terwijl wij onze bagage met lange touwen voorttrokken.

Maar wat ons tot treden diende, werd aan de andere wanden dropsteen;
de op sommige plaatsen poreuse lava vertoonde kleine ronde belletjes;
ondoorschijnende kwartskristallen, versierd met heldere waterdroppels
en als lichtstroomen aan het gewelf hangende, schenen, toen wij er
voorbijgingen, aangestoken te worden. Men zou gezegd hebben, dat de
geesten van den afgrond hun paleis verlichtten om de aardsche gasten
te ontvangen.

"Dat is prachtig!" riep ik onwillekeurig uit. "Welk een tooneel,
oom! Bewondert gij ook die schakeeringen der lava niet, die met
onmerkbare overgangen van bruinrood tot lichtgeel gaan? En die
kristallen, die zich als lichtende bollen voordoen?"

"Zoo! ziet gij het eindelijk ook, Axel?" antwoordde mijn
oom. "Zoo! vindt gij dat heerlijk, mijn jongen? Gij zult nog wel wat
anders zien, hoop ik. Vooruit maar, vooruit maar!"

Hij had met meer grond kunnen zeggen: "glijd wat aan!" want wij
lieten ons zonder eenige inspanning van de glooiing afzakken. Dat
was het "facilis descensus Averni," van Virgilius. Het kompas, dat ik
gedurig raadpleegde, wees onveranderlijk eene zuidoostelijke richting
aan. Deze lavastroom week ter rechter- noch ter linkerzijde af. Hij
had de onbuigzaamheid der rechte lijn.

Toch nam de warmte niet merkbaar toe, hetgeen de theorie van Davy
bevestigde, en meer dan eens raadpleegde ik met verwondering den
thermometer.

Twee uur na ons vertrek wees hij nog slechts 10 deg., d.i. eene
vermeerdering van 4 deg.. Dit gaf mij recht om te denken, dat wij meer
in eene waterpasse dan in eene loodrechte richting daalden. Niets
was overigens gemakkelijker dan de bereikte diepte met juistheid te
weten. De professor mat nauwkeurig de hoeken van de afwijking en de
helling van den weg, maar hij hield de uitkomst zijner waarnemingen
voor zich.

Omstreeks acht uur des avonds gaf hij sein om stil te houden. Hans ging
terstond zitten; de lampen werden aan eene uitstekende punt van de
lava opgehangen. Wij waren in eene soort van hol, waarin geen gebrek
aan lucht was; integendeel, van tijd tot tijd kwam er een windje tot
ons. Door welke oorzaak werd dit teweeggebracht? Aan welke beweging
van den dampkring moest zijn ontstaan worden toegeschreven? Dit
vraagstuk trachtte ik op dit oogenblik niet eens op te lossen: honger
en vermoeidheid maakten het mij onmogelijk om te redeneeren. Eene
nederdaling van zeven uur kan niet volbracht worden zonder groot
verlies van kracht. Ik was uitgeput. Tot mijne vreugde hoorde ik daarom
het woord "halt!" Hans legde eenigen voorraad op een blok lava en ieder
at met smaak. Een ding echter verontrustte mij: onze watervoorraad
was tot de helft verminderd. Mijn oom rekende op de onderaardsche
bronnen om hem weder aan te vullen; maar tot nu toe ontbraken zij
geheel. Ik kon niet nalaten zijne aandacht op dit punt te vestigen.

"Verwondert u dat gemis van bronnen?" zeide hij.

"Zonder twijfel! het verontrust mij zelfs; wij hebben nog maar voor
vijf dagen water."

"Wees gerust, Axel! ik sta u borg dat wij water zullen vinden, zelfs
meer dan ons lief is."

"Wanneer?"

"Als wij buiten deze lavakorst zijn. Hoe wilt gij, dat er bronnen
uit deze wanden zullen vloeien?"

"Maar misschien strekt deze bedding zich tot eene aanmerkelijke diepte
uit. Mij dunkt, dat wij nog niet veel afstand in eene loodrechte
richting hebben afgelegd."

"Wat brengt u op die gedachte?"

"Wel, als wij diep onder de aardschors waren, moest het veel heeter
zijn."

"Volgens uw stelsel althans," antwoordde mijn oom; "maar hoe staat
de thermometer?"

"Nauwelijks vijftien graad, hetgeen eene vermeerdering van nog geen
negen graad sedert ons vertrek bedraagt."

"Welnu! besluit dan zelf."

"Ziehier mijn besluit. Volgens de nauwkeurigste waarnemingen bedraagt
de vermeerdering der warmte in het binnenste van den aardbol een
graad op de honderd voet. Maar plaatselijke omstandigheden kunnen
dit cijfer wijzigen. Zoo heeft men te Jakutsk in Siberie opgemerkt,
dat de vermeerdering van een graad plaats heeft bij iedere zes en
dertig voet, hetgeen zekerlijk afhangt van het geleidend vermogen der
steenrotsen. Ik voeg hier nog bij, dat men in de nabijheid van een
uitgebranden vulkaan en door het gneis heen opgemerkt heeft, dat de
verhooging van den warmtegraad slechts op de honderd vijf en twintig
voet een graad bedroeg. Wij zullen deze laatste veronderstelling als
de gunstigste eens aannemen en dan berekenen."

"Bereken maar, mijn jongen!"

"Niets is gemakkelijker," zeide ik, terwijl ik de cijfers in mijn
aanteekenboekje schreef, "Negen maal honderd vijf en twintig voet
geeft elf honderd vijf en twintig voet diepte."

"Dat komt juist uit."

"Welnu?"

"Welnu! volgens mijne waarnemingen zijn wij tien duizend voet onder
den spiegel der zee."

"Is het mogelijk?"

"Ja! of de cijfers zijn geen cijfers meer!"

De berekeningen des professors waren nauwkeurig; wij waren reeds zes
duizend voet beneden de grootste diepten, die de mensch nog bereikt
heeft, zooals de mijnen van Kitz-Bahl in Tyrol en die van Wuttemberg
in Boheme.

De warmte, die op deze plaats een en tachtig graad had moeten bedragen,
steeg nauwelijks tot vijftien. Dit gaf stof tot denken.



HOOFDSTUK XIX


De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar
boven, naar Graeuben--Dreigend watergebrek.


Den volgenden dag, Dinsdag den 30sten Juni te zes uur, hervatten wij
onze nederdaling.

Wij volgden steeds de lavagalerij, een echt natuurlijk hellend vlak,
even zacht glooiend als die hellende vlakken, die in sommige oude
huizen nog tot trap dienen. Zoo bleef het tot zeventien minuten
over twaalven, het oogenblik waarop wij Hans inhaalden, die was
blijven staan.

"Kom aan!" riep mijn oom, "wij zijn aan het einde des schoorsteens
gekomen."

Ik zag rond; wij waren in het middelpunt van een kruisweg, waarop twee
donkere en smalle wegen uitliepen. Welken moesten wij inslaan? Dat
was een punt van bezwaar.

Toch wilde mijn oom den schijn niet hebben voor den gids en mij,
alsof hij aarzelde; hij wees den oostelijken tunnel aan, en weldra
waren wij met ons drieen er in verdwenen.

Aan eene aarzeling voor dien dubbelen weg zou ook nooit een einde
gekomen zijn, want geen enkel kenteeken kon de keus op den een of
den anderen doen vallen; men moest het geheel aan het toeval overlaten.

De helling dezer nieuwe galerij was bijna onmerkbaar en hare indeeling
zeer ongelijk; soms vertoonde zich, voor ons uit, eene rij van bogen
gelijk de zijbeuken eener gothische hoofdkerk; de kunstenaars van de
middeleeuwen hadden daar al de vormen van dien kerkelijken bouwtrant
kunnen bestudeeren, die uit den kruisboog is ontstaan. Eene mijl
verder moesten wij het hoofd bukken onder de gedrukte bogen van den
romeinschen bouwstijl, en dikke pilaren, in het massieve gesteente
dringende, bogen onder het gewicht der gewelven. Hier en daar maakte
deze bouworde plaats voor een lagen onderbouw, die op het werk der
bevers geleek, en moesten wij door enge gangen voortkruipen.

De warmte bleef draaglijk. Onwillekeurig dacht ik er aan, hoe heet het
wel zou zijn, als de lava, door den Sneffels uitgebraakt, door dezen
nu zoo stillen weg stroomde. Ik stelde mij voor, hoe de stroomen vuur
braken op de hoeken der galerij en hoe de buitensporig heete dampen
op deze nauwe plek zich ophoopten!

"Als de oude vulkaan", dacht ik, "maar niet eene nieuwe gril krijgt."

Deze overdenkingen deelde ik aan professor Lidenbrock niet mede; hij
zou ze toch niet begrepen hebben. Hij dacht aan niets anders dan om
vooruit te gaan. Hij liep, gleed, tuimelde zelfs met eene overtuiging,
die men in allen gevalle moest bewonderen.

Te zes uur 's avonds, na eene niet zeer vermoeiende wandeling, waren
wij twee uur gaans in eene zuidelijke richting verder, maar nauwelijks
eene kwartmijl dieper gekomen.

Mijn oom gaf het sein om te rusten. Wij aten zonder veel te praten
en gingen slapen zonder veel na te denken.

Onze beschikkingen voor den nacht waren zeer eenvoudig: al het
beddegoed bestond uit eene reisdeken, waarin wij ons rolden. Wij hadden
geene koude noch een lastig bezoek te duchten. De reizigers, die zich
diep in de woestijnen van Afrika of in de wouden der nieuwe wereld
wagen, zijn verplicht om ieder op zijne beurt elkander gedurende den
slaap te bewaken; maar hier heerschten eene ongestoorde eenzaamheid
en volkomene veiligheid. Wilden noch verscheurende dieren, geen enkele
van die kwaaddoende soorten, behoefden wij te vreezen.

Den volgenden morgen werden wij frisch en opgeruimd wakker en
gingen weder op weg over eene lavabaan gelijk den vorigen dag. Het
was onmogelijk om den aard der gronden, waar zij door heen liep,
te onderkennen. In plaats dat de tunnel naar de ingewanden der aarde
leidde, had hij veeleer eene neiging om geheel waterpas te worden. Ik
meende zelfs op te merken, dat hij weder naar de oppervlakte der
aarde steeg. Deze neiging werd des morgens omtrent tien uur zoo in
het oog loopend en bij gevolg zoo vermoeiend, dat ik verplicht was
mijn tred te matigen.

"Wat scheelt er aan, Axel?" zeide de professor ongeduldig.

"Wat er aan scheelt? dat ik niet verder kan", antwoordde ik.

Hoe! na eene wandeling van drie uur over zulk een gemakkelijken weg."

"Ik ontken niet, dat hij gemakkelijk is, maar hij is hoogst vermoeiend
ook."

"Wat! en wij behoeven slechts te dalen!"

"Te klimmen met uw welnemen!"

"Te klimmen!" zeide mijn oom, zijne schouders ophalende.

"Ongetwijfeld. Sedert een half uur is de helling veranderd en als
wij zoo voortgaan, komen wij zeker op IJsland terug."

De professor schudde zijn hoofd als iemand, die niet overtuigd
wil worden. Ik trachtte het gesprek weder aan te knoopen: maar hij
antwoordde mij niet, en gaf het teeken tot het vertrek. Ik zag wel,
dat zijn stilzwijgen niets anders was dan ingehouden kwaadheid.

Ik had intusschen mijn pak met nieuwen moed weder opgenomen en volgde
snel Hans, die door mijn oom werd voorgegaan. Ik wilde ongaarne
achterblijven; mijne grootste zorg was mijne makkers niet uit het
oog te verliezen. Ik sidderde bij de gedachte van in de diepte van
dezen doolhof te verdwalen.

Al werd de stijgende weg ook moeielijker, zoo troostte ik mij daarmede,
dat hij mij dichter bracht bij de oppervlakte der aarde en bij mijne
lieve Graeuben. Dat was een aangenaam vooruitzicht, dat bij iederen
tred bevestigd werd.

Te twaalf uur veranderde het voorkomen van de wanden der galerij. Ik
bemerkte het aan de verzwakking van het door de muren weerkaatste
electrische licht. Op de bekleeding met lava volgde onvermengde rots,
bestaande uit hellende en dikwijls loodrecht hangende lagen. Wij
waren in het overgangstijdperk, de silurische vorming. [8]

"Het is duidelijk," riep ik, "het bezinksel van het water heeft in
het tweede tijdperk der aarde dezen schiefer, dezen kalksteen en dezen
zandsteen gevormd! Wij keeren den rug toe aan het massieve graniet! Wij
gelijken op Hamburgers, die over Hanover naar Lubeck gaan!"

Ik had mijne waarneming wel voor mij mogen houden. Maar mijne drift
als geoloog won het van de voorzichtigheid en oom Lidenbrock hoorde
mijne uitroepen.

"Wat scheelt u toch?" zeide hij.

"Zie eens!" antwoordde ik, hem de afwisseling van zand- en kalksteen
en de eerste kenteekenen der leigronden wijzende.

"Welnu?"

"Wij zijn in het tijdperk gekomen, waarin de eerste planten en dieren
verschenen!"

"Denkt gij dat?"

"Zie, onderzoek, neem zelf waar!"

Ik dwong den professor om met zijne lamp langs de wanden der galerij
te gaan. Ik rekende op den een of anderen uitroep van hem. Maar in
plaats daarvan sprak hij geen woord en vervolgde zijn weg.

Had hij mij al dan niet begrepen? Wilde hij ten gevolge van zijne
eigenliefde als oom en geleerde niet erkennen, dat hij zich bedrogen
had in de keus van den oostelijken tunnel, of stond hij er op om dien
weg tot het einde toe te onderzoeken? Het was duidelijk, dat wij den
weg van de lava hadden verlaten en dat dit pad niet naar den haard
van den Sneffels kon leiden.

Toch vroeg ik mij af, of ik niet te veel gewicht hechtte aan deze
verandering van grond. Bedroog ik mij niet? Gingen wij wezenlijk door
steenlagen, die zich boven het massieve graniet bevinden?

"Als ik gelijk heb," dacht ik, "moet ik eenige overblijfselen van
voorwereldlijke planten vinden en dan zal hij de waarheid niet langer
kunnen ontkennen. Ik wil zoeken."

Ik was nog geen honderd schreden verder of onbetwistbare bewijzen
vertoonden zich aan mijn oog. Dat moest ook zoo wezen, want in
het silurische tijdvak bevatten de zeeen meer dan vijftien honderd
plant- en diersoorten. Mijne aan den harden lavagrond gewende voeten
betraden eensklaps een uit overblijfselen van planten en schelpen
bestaand stof. Op de wanden zag men duidelijk indrukken van zeewier
en wolfsklauw; professor Lidenbrock kon zich er niet in vergissen,
maar hij sloot, denk ik, zijne oogen en ging met vasten tred voort.

Dit mocht wel heeten de stijfhoofdigheid tot het uiterste te
drijven. Ik kon het niet langer uithouden. Ik raapte eene ongeschondene
schelp op, die toebehoord had aan een dier, dat bijna geleek op de
tegenwoordige pissebed, voegde mij toen bij mijn oom en zeide:

"Zie eens!"

"Welnu," antwoordde hij bedaard, "dat is de schelp van een dier van
de uitgestorven orde der Triboliten. Anders niet."

"Maar besluit gij daaruit niet?..."

"Wat gij zelf er uit besluit? Ja zeker. Wij hebben de granietlaag en
den weg der lava verlaten. Het is mogelijk, dat ik mij vergist heb;
maar ik zal niet zeker zijn van mijne dwaling voor ik het einde dezer
galerij bereikt heb."

"Gij hebt gelijk, dat gij zoo handelt, oom! en ik zou het zeer
goedkeuren, zoo wij geen hoe langer hoe dreigender gevaar te vreezen
hadden."

"En dat is?"

"Gebrek aan water."

"Welnu! dan zullen wij ons op rantsoen stellen, Axel!"



HOOFDSTUK XX


Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong
der steenkolen.--Vergeefsche tocht.


Wij moesten ons inderdaad op rantsoen stellen. Onze voorraad kon nog
maar drie dagen duren. Dat zag ik des avonds, toen wij gingen eten. En,
droevig vooruitzicht! wij hadden weinig hoop eenige waterbron te
ontmoeten in deze gronden van het overgangstijdperk.

Den geheelen dag door vertoonde de galerij voor ons uit hare
eindelooze kruisbogen. Wij liepen zonder bijna een woord te spreken. De
stilzwijgendheid van Hans stak ons aan.

De weg klom niet meer, ten minste niet merkbaar, soms scheen hij
zelfs te dalen. Maar deze niet zeer in het oog loopende neiging kon
den professor niet gerust stellen, want de aard der lagen veranderde
niet en het overgangstijdperk werd telkens duidelijker.

Het electrische licht deed den schiefer, den kalksteen en de oude roode
zandsteenen der wanden prachtig vonkelen; men zou gemeend hebben zich
in eene geopende loopgraaf in het midden van Devonshire te bevinden,
dat zijn naam aan deze soort van gronden gaf. Prachtige marmerblokken
bekleedden de muren; sommige waren agaatkleurig grijs met witte grillig
zich slingerende aderen, andere inkarnaatkleurig of geel met roode
vlekken, verder zag men stalen van die donkerkleurige marmersoorten,
waartusschen de levendige verven van den kalksteen uitkwamen.

De meeste dezer marmerblokken vertoonden indruksels van voorwereldlijke
dieren; maar sedert den vorigen avond had de schepping eene groote
schrede voorwaarts gedaan. In plaats van de onvolkomene Trilobiten
bemerkte ik overblijfsels eener volmaakte orde; o.a. Ganoiden [9] en
die Sauropteris, waarin het oog van den kenner der voorwereldlijke
organische schepping de eerste vormen van het kruipende dier heeft
weten te herkennen. De devonische zeeen werden bewoond door een groot
aantal dieren van die soort, die zij bij duizenden achterlieten op
de rotsen der nieuwe vorming.

Het werd stellig zeker, dat wij de ladder van het dierlijke leven,
op wier hoogste sport de mensch staat, weder opklommen. Maar professor
Lidenbrock scheen er geen acht op te slaan.

Hij verwachtte twee dingen: of dat een loodrechte put zich onder
zijne voeten opende en hem veroorloofde om weder te dalen, of dat
een hinderpaal hem belette verder op dezen weg voort te gaan. Maar
het werd avond, zonder dat deze hoop vervuld werd.

Des vrijdags, na een nacht waarin ik de kwellingen van den dorst
begon te gevoelen, drong onze kleine troep nog verder door op de
kronkelpaden der galerij.

Na een tocht van tien uur bemerkte ik, dat de weerschijn onzer
lampen op de wanden sterk verminderde. Het marmer, de schiefer,
de kalksteen, de zandsteen der muren maakten plaats vooreen donker
en dof bekleedsel. Op een punt, waarop de tunnel zeer smal werd,
leunde ik tegen den wand.

Toen ik mijne hand wegtrok, was zij pikzwart. Ik keek wat
nauwkeuriger. Wij waren in eene kolenlaag.

"Een kolenmijn!" riep ik uit.

"Een mijn zonder mijnwerkers", antwoordde mijn oom.

"Wie weet?"

"Ik weet het", antwoordde mijn oom kortaf, "en ik ben zeker dat deze
galerij niet door menschenhanden door deze kolenbeddingen gegraven
is. Maar het komt er weinig op aan, of het al dan niet het werk der
natuur is. De tijd voor het avondeten is gekomen. Laten wij gaan eten."

Hans bereidde eenige spijzen. Ik at nauwelijks en dronk de weinige
droppelen water, die mijn rantsoen uitmaakten. De half gevulde
waterflesch van den gids was alles, wat er overbleef om den dorst
van drie menschen te stillen.

Na hun maaltijd strekten mijne beide metgezellen zich op hunne
dekens uit en vonden zij in den slaap een herstellingsmiddel voor
hunne vermoeienissen. Ik echter kon niet en telde de uren tot den
morgenstond.

Om zes uur des Zaterdags vertrokken wij weder. Twintig minuten later
kwamen wij aan een uitgestrekt hol; ik zag nu in, dat de hand des
menschen deze kolenmijn niet bewerkt kon hebben; anders zouden de
gewelven geschoord zijn, die nu slechts, als het ware, door een wonder
bleven staan.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18