A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Naar het middelpunt der Aarde - Jules Gabriel Verne (1828 1905)

J >> Jules Gabriel Verne (1828 1905) >> Naar het middelpunt der Aarde

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18


Deze soort van spelonk was honderd voet breed en honderd vijftig voet
hoog. De grond was met geweld vaneen gescheurd door eene onderaardsche
schudding. De stevige aardschors, voor den een of anderen hevigen
schok wijkende, was uit haar verband gerukt en had deze uitgestrekte
ledige ruimte achtergelaten, waarin aardbewoners voor de eerste
maal doordrongen.

De geheele geschiedenis der steenkolenvorming was op deze donkere
wanden geschreven en een geoloog kon hare verschillende tijdperken
er gemakkelijk op volgen. De kolenbeddingen waren gescheiden, door
samengedrukte lagen zandsteen of klei, en als het ware verpletterd
door de bovenste lagen.

In den tijd van het bestaan der aarde, die de secundaire vorming
voorafging, bedekte de aarde zich met een verbazenden plantengroei,
die zijn ontstaan te danken had aan de dubbele werking eener
keerkringswarmte en eener bestendige vochtigheid. Eene zee van dampen
omringde den geheelen aardbol en bedekte hem nog voor de stralen
der zon.

Daaruit leidt men af, dat de hooge warmtegraad niet voortkwam uit
dezen nieuwen vuurhaard; misschien zelfs was de fakkel van den dag nog
niet geschikt om hare schitterende rol te spelen. De "luchtstreken"
bestonden nog niet, en eene verschroeiende hitte, die aan den evenaar
en de polen gelijk was, heerschte over de geheele oppervlakte van
den aardbol. Waaruit ontstond zij? Uit het binnenste van den bol.

In spijt van de theorien van professor Lidenbrock blaakte er een
geweldig vuur in de ingewanden van den langwerpig ronden bol; de
werking er van was voelbaar tot in de buitenste lagen der aardschors;
de planten, van de weldadige uitstralingen der zon beroofd, gaven
bloemen noch geuren, maar hare wortels putten een krachtig leven uit
de brandende gronden der eerste dagen.

Er waren weinig boomen, alleen kruidachtige planten, verbazende
grasgewassen, varens, wolfsklauwen, zegel- en sterrenplanten,
zonderlinge familien, wier soorten toen bij duizenden geteld werden.

Aan dezen buitensporigen plantengroei heeft de steenkool juist haar
ontstaan te danken. De nog veerkrachtige aardschors gehoorzaamde aan
de bewegingen der vloeibare massa, die zij bedekte. Daaruit ontstonden
talrijke scheuren en verzakkingen; de planten onder het water bedolven
vormden allengs aanzienlijke ophoopingen.

Toen kwam de scheikundige werking der natuur tusschen beiden; op den
bodem der zeeen werden de plantenmassaas eerst turf; later ondergingen
zij door den invloed der gassen en door de hitte der gisting eene
volkomene verandering in delfstoffen.

Zoo ontstonden die onmetelijke kolenlagen, die zelfs na vele eeuwen
nog niet uitgeput zullen zijn door het verbruik van alle volken.

Deze gedachten rezen bij mij op, toen ik den steenkolen-rijkdom, in dit
gedeelte der aarde opeengehoopt, beschouwde. Hij zal ongetwijfeld nooit
bloot komen. De bewerking dezer diepe mijnen zou te aanzienlijke offers
eischen. Waartoe zou het vooreerst ook noodig zijn, daar de steenkool
in vele landen, om zoo te zeggen, op de oppervlakte der aarde verspreid
is? In den toestand waarin ik deze onaangeroerde lagen zag, zullen
zij wellicht nog verkeeren, als het laatste uur der wereld slaat.

Intusschen liepen wij door en ik alleen vergat de lengte van den
weg om mij te verdiepen in mijne geologische overpeinzingen. De
warmtegraad bleef dezelfde, als toen onze weg door lava en schiefer
leidde. Alleen werd mijn reukorgaan sterk geprikkeld door den geur van
koolwaterstofgas. Ik ontdekte terstond in deze galerij de aanwezigheid
van eene aanzienlijke hoeveelheid van die gevaarlijke luchtsoort,
waaraan de mijnwerkers den naam van "grisou" [10] gegeven hebben en
welker ontploffing zoo menigmaal ontzettende rampen heeft veroorzaakt.

Gelukkig werden wij verlicht door de vernuftige toestellen van
Ruhmkorff. Zoo wij bij ongeluk deze galerij onvoorzichtig onderzocht
hadden met toortsen in de hand, dan zou eene verschrikkelijke
ontploffing een einde hebben gemaakt aan de reis, door de reizigers
te vernietigen.

Dit uitstapje in de kolenmijn duurde tot den avond. Mijn oom bedwong
met moeite het ongeduld, dat de waterpasse richting van den weg hem
veroorzaakte. De op een afstand van twintig schreden ondoordringbare
duisternis belette de lengte van de galerij te schatten, en ik begon
reeds te denken, dat er geen einde aan zou komen, toen wij onverwacht,
te zes uur, voor een muur stonden. Rechts, links, omhoog, omlaag,
nergens was een uitgang. Wij waren aan het einde eener blinde straat.

"Welnu, des te beter!" riep mijn oom, "nu weet ik ten minste, waaraan
ik mij te houden heb. Wij zijn niet op den weg van Saknussemm, en er
schiet ons niets anders over dan terug te keeren. Wij zullen een nacht
rust nemen en binnen drie dagen zullen wij het punt bereikt hebben,
waar de twee galerijen zich scheiden!"

"Ja", zeide ik, "als wij er de kracht toe hebben!"

"En waarom niet?"

"Omdat morgen al het water op zal zijn."

"En zal de moed u dan begeven?" sprak de professor, mij met een
strengen blik aanziende.

Ik durfde hem niet antwoorden.



HOOFDSTUK XXI


Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den professor.--Spanning.
--Columbus nagevolgd.


Den volgenden morgen zeer vroeg vertrokken wij. Wij moesten ons
haasten; want wij waren vijf dagreizen van den kruisweg af.

Ik zal niet uitweiden over het lijden op onzen terugtocht. Mijn
oom verdroeg het met den toorn van een man, die gevoelt dat hij de
sterkste niet is; Hans met de lijdzaamheid van zijn onderworpen aard;
ik, gaarne beken ik het, morrende en wanhopende, daar ik mij niet
moedig tegen dit ongeval kon verzetten.

Zooals ik voorzien had was het water geheel op tegen het einde van de
eerste dagreis; al onze drank bestond dus alleen uit jenever; maar dat
helsche vocht verbrandde de keel en ik kon er zelfs het gezicht niet
van verdragen. Ik vond de warmte verstikkend, de vermoeidheid verlamde
mij. Meer dan eens viel ik bijna bewegingloos neder. Dan hield men
halt; mijn oom en de IJslander brachten mij zoo goed mogelijk weder
bij. Maar ik zag reeds, dat de eerste zich met de grootste inspanning
verzette tegen de buitengewone vermoeidheid en de kwellingen, die uit
het gebrek aan water ontstonden. Op Dinsdag, den 8sten Juli, kwamen
wij eindelijk, op knieen en handen voortkruipende, halfdood bij het
vereenigingspunt der beide galerijen. Daar bleef ik als een levenlooze
klomp op den lavabodem liggen. Het was des morgens te tien uur.

Hans en mijn oom poogden tegen den wand leunende aan eenige stukjes
beschuit te knabbelen. Lange zuchten kwamen over mijne gezwollene
lippen. Ik verviel in eene diepe bewusteloosheid.

Na verloop van eenigen tijd naderde mijn oom mij en nam mij in
zijne armen.

"Arm kind!" mompelde hij op den toon van innig medelijden. Ik werd door
die woorden getroffen, daar ik niet gewoon was aan de vriendelijkheid
van den norschen professor. Ik nam zijne bevende handen in de
mijnen. Hij liet mij begaan, terwijl hij mij aanzag. Zijne oogen
waren vochtig.

Nu zag ik hem de waterflesch nemen, die aan zijne zijde hing. Tot mijne
groote verbazing bracht hij ze aan mijne lippen. "Drink!" zeide hij.

Had ik goed verstaan? Was mijn oom gek? Ik zag hem met een verstompt
gelaat aan. Ik wilde hem niet begrijpen. "Drink!" herhaalde hij.

En zijne waterflesch optillende ledigde hij ze geheel tusschen
mijne lippen.

O, onuitsprekelijk genot! een enkele mondvol water bevochtigde mijn
brandend heeten mond, maar hij was voldoende om het reeds vluchtende
leven in mij terug te roepen.

Ik dankte mijn oom met gevouwen handen.

"Ja!" zeide hij, "een mondvol water! de laatste! hoort gij wel? de
laatste! Ik had hem zuinig bewaard op den bodem mijner flesch. Twintig,
honderdmaal heb ik de ontzettende begeerte om hem te drinken moeten
overwinnen! Maar neen, Axel! ik bewaarde hem voor u!"

"Oom!" mompelde ik, terwijl groote tranen mijne oogen bevochtigden.

"Ja, arm kind! ik wist dat gij bij uwe komst aan dezen kruisweg
half dood zoudt nedervallen, en ik heb mijne laatste droppelen water
gespaard om u weder bij te brengen."

"Dank! dank!" riep ik.

Hoewel mijn dorst nog niet geheel gestild was, had ik toch eenige
kracht herkregen. De tot nu toe samengetrokken keelspieren werden
ontspannen, de ontsteking mijner lippen was verzacht. Ik kon spreken.

"Wij kunnen nu," zeide ik, "nog slechts een besluit nemen; wij hebben
gebrek aan water: wij moeten op onze schreden terugkeeren."

Terwijl ik zoo sprak, zag mijn oom mij niet aan; hij boog zijn hoofd;
zijne blikken ontweken de mijnen.

"Wij moeten terugkeeren," riep ik, "en den weg naar den Sneffels weder
inslaan. God schenke ons de noodige krachten om weder naar den rand
van den krater te klimmen!"

"Terugkeeren!" zeide mijn oom op een toon, als of hij eerder zich
zelven dan mij antwoordde.

"Ja, terugkeeren en wel zonder een oogenblik te verliezen."

Nu volgde een vrij lang stilzwijgen.

"Zoo hebben dan, Axel!" hernam de professor op een vreemden toon, "deze
enkele droppelen waters u geen moed en vastberadenheid geschonken?"

"Moed!"

"Ik zie u nog even ternedergeslagen als van te voren en nog spreekt
gij wanhopende taal!"

Met welk een man had ik toch te doen en welke plannen vormde zijn
stoutmoedige geest nu nog?

"Hoe! wilt gij dan niet?...."

"Van deze onderneming afzien op het oogenblik, dat alles een goeden
uitslag voorspelt? Nooit!"

"Moeten wij ons dan voorbereiden om te sterven?"

"Neen, Axel! neen! vertrek. Ik wil uw dood niet! Laat Hans u
vergezellen. Laat mij alleen!"

"U verlaten!"

"Laat mij alleen, zeg ik u! Ik ben deze reis begonnen, ik zal haar
tot het einde volbrengen of niet terugkeeren. Ga heen, Axel, ga heen!"

Mijn oom was, zoo sprekende, in een uiterst opgewonden toestand. Zijne
stem, die een oogenblik aangedaan was geweest, werd weder ruw en
dreigend. Hij worstelde met eene sombere geestkracht tegen het
onmogelijke! Ik wilde hem niet achterlaten op den bodem van dezen
afgrond, en aan den anderen kant spoorde de zucht tot zelfbehoud mij
aan om hem te ontvluchten.

De gids woonde dit tooneel met zijne gewone onverschilligheid bij. Hij
begreep echter wel, wat er tusschen zijne beide reisgenooten plaats
had; onze gebaren wezen genoeg den verschillenden weg aan, waarop ieder
onzer den anderen trachtte mede te troonen; maar Hans scheen weinig
belang te stellen in de vraag, waarbij zijn leven op het spel stond;
hij was gereed om te vertrekken, als het sein daartoe werd gegeven,
gereed ook om te blijven, als zijn meester het verlangde. Had ik mij
nu maar verstaanbaar voor hem kunnen uitdrukken! Mijne woorden, mijne
zuchten, mijn toon zouden dit koele schepsel geroerd hebben. Die
gevaren, welke de gids niet scheen te vermoeden, zou ik hem aan
het verstand gebracht hebben en doen voelen en tasten. Met ons
beiden zouden wij misschien den stijf hoofdigen professor overtuigd
hebben. Des noods zouden wij hem gedwongen hebben om naar den top
van den Sneffels terug te keeren!

Ik naderde Hans. Ik legde mijne hand op de zijne. Hij verroerde zich
niet. Ik wees hem den weg naar den krater. Hij bleef onbeweeglijk
staan. Mijn ontsteld gelaat drukte genoeg uit wat ik leed. De IJslander
schudde zacht het hoofd en heel bedaard op mijn oom wijzende, zeide
hij: "Master!"

"De meester!" riep ik, "neen, zinnelooze! hij is geen meester over
uw leven! gij moet vluchten! gij moet hem medeslepen! hoort gij
mij? begrijpt gij mij?"

Ik had Hans bij den arm genomen. Ik wilde hem dwingen om op te
staan. Ik worstelde met hem. Mijn oom kwam tusschen beiden.

"Bedaar, Axel!" zeide hij. "Gij zult niets gedaan krijgen van dezen
koelbloedigen dienaar. Luister dus naar hetgeen ik u wil voorstellen."

Ik sloeg de armen over elkaar en zag mijn oom stijf in het gezicht.

"Gebrek aan water alleen," zeide hij, "legt een hinderpaal in den
weg aan de volvoering mijner plannen. In deze oostelijke galerij,
uit lava, schiefer en steenkolen bestaande, hebben wij geen enkelen
droppel vocht aangetroffen. Het is mogelijk, dat wij gelukkiger zullen
zijn, als wij den westelijken tunnel volgen.

Ik schudde mijn hoofd met een zeer ongeloovig gelaat.

"Hoor mij tot het einde toe aan," hernam de professor zijne stem
verheffende. "Terwijl gij daar bewusteloos laagt, ben ik de inrichting
dezer galerij gaan verkennen. Zij dringt rechtstreeks in de ingewanden
der aarde, en binnen weinige uren zal zij ons tot het massieve graniet
voeren. Daar moeten wij overvloedige bronnen aantreffen. De aard
der steensoort wil het zoo, en de hoop is het met de logica eens om
mijne overtuiging te ondersteunen. Ziehier nu wat ik u heb voor te
stellen. Toen Columbus drie dagen vroeg aan zijn scheepsvolk om nieuwe
landen te vinden, lieten zijne zieke en beangstigde schepelingen toch
recht wedervaren aan zijn verzoek en--hij heeft de nieuwe wereld
ontdekt. Ik, de Columbus dezer onderaardsche gewesten, vraag u nog
maar een dag. Als ik na verloop van dien tijd het ons ontbrekende
water nog niet aangetroffen heb, dan, ik zweer het u, zullen wij naar
de oppervlakte der aarde terugkeeren."

In spijt van mijne verbittering was ik aangedaan door deze woorden en
door het geweld, dat mijn oom zich aandeed om zulk eene taal te voeren.

"Welnu!" riep ik uit, "het geschiede zooals gij verlangt! Moge God
uwe bovenmenschelijke geestkracht beloonen! Stel het lot dan nog maar
eenige uren langer op de proef. Vooruit!"



HOOFDSTUK XXII


Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans.


De nederdaling begon ditmaal weder door de nieuwe galerij. Hans
ging naar gewoonte vooruit. Wij waren nog geen honderd schreden ver,
of de professor, zijne lamp langs de muren bewegende, riep uit:

"Ziedaar de oorspronkelijke gronden! wij zijn op den goeden
weg! voorwaarts! voorwaarts!"

Toen de aarde in de eerste tijden van haar bestaan langzamerhand
afkoelde, veroorzaakte de vermindering van haren omvang in de schors
afwijkingen, scheuren, ineenkrimpingen, kloven. Deze gang was een
dergelijke barst, waardoor vroeger het uitgebraakte graniet wegvloeide;
zijne duizend kronkelingen vormden een hoogst verwarden doolhof door
den oorspronkelijken bodem.

Naarmate wij daalden, vertoonde zich de opeenvolging der
oorspronkelijke lagen met meer duidelijkheid. De geologische
wetenschap beschouwt dezen oorspronkelijken grond als den grondslag
der delfstoffelijke schors en heeft bevonden, dat hij uit drie
verschillende lagen bestaat, den schiefer, het gneiss en den
mica-leisteen, rustende op die onwankelbare rotssoort, die men
graniet noemt.

Nooit nog hadden delfstofkundigen in zulke vreemde omstandigheden
verkeerd om de natuur op de plaats zelve te bestudeeren. Wat de boor,
dat redelooze en onhandige werktuig, van het inwendige samenstel des
aardbols niet op zijne oppervlakte kan brengen, zouden wij met onze
oogen zien, met onze handen tasten.

Door de heerlijk groen geschakeerde schieferlaag kronkelden
metaaladeren van koper, van manganesium, met eenige sporen van
platina en goud. Ik dacht aan die rijkdommen, in den schoot der
aarde bedolven, waarvan het hebzuchtig menschdom nooit eenig genot
zal hebben! De alleroudste omkeeringen hebben die schatten op zulk
eene diepte begraven, dat houweel noch breekijzer ze ooit aan hun
graf zullen kunnen ontrukken.

Op den schiefer volgde het laagvormige gneiss, merkwaardig door de
regelmatigheid en evenwijdigheid der schilfers, dan de mica-leisteen,
die zich voordeed als groote platen, welke nog meer in het oog liepen
door het vonkelen van den witten mica.

Het licht der toestellen, teruggekaatst door de kleine vlakken der
rotsachtige massa, schoot zijne stralen onder alle hoeken, en ik
verbeelde mij door een hollen diamant te reizen, waarin de stralen
op duizend verblindende wijzen braken.

Tegen zes uur des avonds begon dit lichtfeest merkelijk te verminderen,
ja bijna op te houden: de wanden kregen een gekristalliseerd maar
somber voorkomen; de mica vermengde zich inniger met het veldspaath
en het kwarts om den rotssteen bij uitnemendheid, den hardsten steen
van allen te vormen, die, zonder er door verpletterd te worden, de
vier grondlagen van den aardbol draagt. Wij waren in de onmetelijke
gevangenis van graniet ingemetseld.

Het was acht uur des avonds. Nog altijd ontbrak het aan water. Ik leed
verschrikkelijk. Mijn oom liep vooruit. Hij wilde niet stilstaan. Hij
spitste de ooren om het gemurmel eener beek te vernemen. Maar te
vergeefs!

Mijne beenen wilden mij intusschen niet langer dragen. Ik verzette mij
tegen mijne pijnen om mijn oom niet te noodzaken stil te staan. Dat
zou voor hem een donderslag geweest zijn, want de dag, de laatste
die hem toebehoorde, spoedde ten einde.

Eindelijk begaven mij mijne krachten; ik slaakte een kreet en
viel. "Help, help, ik sterf!"

Mijn oom keerde terug. Hij zag mij aan met over elkander geslagen
armen; daarna kwamen deze doffe woorden over zijne lippen: "Alles
is uit!"

Een verschrikkelijk toornig gebaar trof nog eens voor het laatst
mijne blikken en ik sloot mijne oogen.

Toen ik ze weder opende, zag ik mijne beide reisgenooten onbeweeglijk
in hunne dekens gerold liggen. Sliepen zij? Ik kon geen oogenblik
slapen. Ik leed te veel, vooral door de gedachte, dat er geen herstel
voor mijne kwaal mogelijk was. De laatste woorden van mijn oom klonken
nog in mijn oor.

"Alles was uit!" want in zulk een staat van zwakheid viel er niet
eens meer aan te denken om de oppervlakte der aarde weder te bereiken.

De dikte der aardschors boven ons bedroeg anderhalf uur gaans! Mij
dacht, dat die massa met hare volle zwaarte op mijne schouders
rustte. Ik voelde mij verpletterd en putte mij uit in geweldige
pogingen om mij op mijne legerstede van graniet om te keeren.

Eenige uren verliepen. Eene diepe stilte heerschte rondom ons, de
stilte des grafs. Geen geluid drong door die muren, waarvan de dunste
nog vijf mijl dik was.

Toch meende ik in mijne verdooving eenig gerucht te hooren; net werd
donker in den tunnel. Ik zag oplettender toe en verbeeldde mij den
IJslander te zien verdwijnen met de lamp in de hand.

Wat beduidde dat vertrek? Verliet Hans ons? Mijn oom sliep. Ik wilde
schreeuwen. Mijne stem kon geen uitweg vinden over mijne verdroogde
lippen. Het was stikdonker geworden en het laatste geluid stierf weg.

"Hans verlaat ons! Hans! Hans!"

Zoo riep ik in mijzelven. Mijne woorden gingen niet verder. Na het
eerste oogenblik van schrik schaamde ik mij echter over mijn argwaan
jegens een man, wiens gedrag tot nu toe volstrekt niet verdacht was
geweest. Zijn vertrek kon geenszins eene vlucht zijn. In plaats
van opwaarts ging hij de galerij af. Had hij slechte voornemens
gekoesterd, dan zou hij naar boven, niet naar beneden gegaan zijn. Deze
overweging bracht mij eenigszins tot bedaren en ik kwam tot nadere
gedachten. Alleen eene gewichtige reden kon Hans, dien bedaarden man,
aan zijne rust ontrukken. Ging hij op eene ontdekking uit? Had hij
in de stilte van den nacht eenig gemurmel gehoord, dat niet tot mijn
oor was doorgedrongen?



HOOFDSTUK XXIII


Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst
gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap.

Een uur lang overwoog ik in mijne ijlende hersenen al de redenen,
die den rustigen jager tot handelen hadden kunnen aansporen. De
ongerijmdste denkbeelden kruisten elkander in mijn hoofd. Ik dacht,
dat ik krankzinnig werd!

Eindelijk klonk het geluid van voetstappen in de diepten van den
afgrond. Hans kwam terug. Het onzekere licht begon langs de wanden
te zweven en kwam vervolgens te voorschijn door de opening van den
gang. Hans verscheen.

Hij naderde mijn oom, legde de hand op diens schouder en maakte hem
zachtjes wakker. Mijn oom stond op.

"Wat is het?" zeide hij.

"Vatten," antwoordde de jager.

Ik geloof dat iedereen alle talen leert verstaan, als hij onder den
invloed van hevige pijnen is. Ik kende geen woord deensch en toch
begreep ik, uit instinct, het woord van onzen gids.

"Water! water!" riep ik uit in de handen slaande en gebaren makende
als een krankzinnige.

"Water!" herhaalde mijn oom. "Hvar?" vraagde hij den IJslander.

"Nedat," antwoordde Hans.

Waar? Daar omlaag! Ik begreep alles. Ik had de handen des jagers
gevat en drukte ze, terwijl hij mij bedaard aanzag.

De toebereidselen tot het vertrek duurden niet lang en weldra gingen
wij eene gang af, die een helling had van twee voet per vaam.

Een uur later hadden wij omtrent duizend vadem afgelegd en waren wij
twee duizend voet gedaald.

Op dit oogenblik hoorden wij duidelijk een ongewoon geluid tegen
de zijden van den granietmuur, een soort van dof geloei, gelijk een
verwijderd onweder. Toen ik in het eerste half uur van onzen tocht de
aangekondigde bron niet aantrof, werd ik op nieuw door angst bevangen;
maar toen deelde mijn oom mij den oorsprong mede van het gedruisch,
dat wij hoorden.

"Hans heeft zich niet bedrogen", zeide hij; "wat gij daar hoort is
het geloei van een stroom."

"Van een stroom?" riep ik uit.

"Er is geen twijfelen aan. Een onderaardsche stroom loopt om ons heen."

Wij verhaastten onzen stap, door de hoop aangevuurd. Ik gevoelde geene
vermoeidheid meer. Het geraas van het murmelende water verkwikte mij
reeds; het werd hoe langer hoe duidelijker; na zich lang boven ons
hoofd bevonden te hebben liep de stroom nu, bruisend en huppelend,
langs den linkerzijwand. Ik streek gedurig mijne hand langs de rots,
hopende er sporen van doorzijpeling of vochtigheid op te vinden. Maar
te vergeefs.

Er verliep nog een half uur. Wij gingen nog een half uur verder.

Het werd nu duidelijk dat de jager in zijne afwezigheid zijne
nasporingen niet eens zoo ver had kunnen uitstrekken. Geleid door
een instinct, dat den bergbewoners en waterontdekkers eigen is,
"rook" hij dien stroom door den rotssteen heen, maar zeker had hij
het kostbare vocht niet gezien, zijn dorst er niet mede gelescht.
Weldra werd het zelfs ontwijfelbaar, dat wij zoo voortgaande ons van
den stroom zouden verwijderen, welks gemurmel begon te verminderen.

Wij gingen dus denzelfden weg terug. Hans hield stil op de juiste plek,
waar de stroom het dichtsbij scheen te wezen.

Ik ging bij den muur zitten, terwijl het water met groot geweld
slechts twee voet van mij af stroomde. Maar een muur van graniet
scheidde ons er nog van.

Zonder na te denken, zonder mij af te vragen of er misschien niet
eenig middel bestond om zich dit water te verschaffen, verviel ik in
eene vlaag van wanhoop.

Hans zag mij aan en ik meende een glimlach om zijn mond te zien spelen.

Hij stond op en nam de lamp. Ik volgde hem. Hij wendde zich naar den
muur. Ik zag het aan. Hij legde zijn oor tegen den drogen steen en
ging er langzaam overheen, steeds nauwkeurig luisterende. Ik begreep,
das hij het juiste punt zocht, waar de stroom zich met meer geraas
deed hooren. Dit punt vond hij in den linkerzijwand, drie voet boven
den grond.

Wat was ik aangedaan! Ik durfde niet gissen wat de jager wilde
doen. Maar ik moest hem wel begrijpen en toejuichen en liefkozen,
toen ik hem zijn breekijzer zag grijpen om de rots zelve aan te tasten.

"Gered!" riep ik uit, "gered!"

"Ja!" herhaalde mijn oom hartstochtelijk, "Hans heeft gelijk! O,
die brave jager! Dat zouden wij niet gevonden hebben!"

Ik geloof het wel. Een zoodanig middel, hoe eenvoudig het ook ware,
zou ons niet in de gedachte gekomen zijn. Niets was gevaarlijker dan
een krachtige stoot tegen dit gebeente des aardbols. Hoe licht kon er
eene instorting plaats hebben, die ons verpletterde! Hoe licht kon
de stroom, zich een weg door de rots banende, ons medeslepen! Die
gevaren waren geenszins denkbeeldig; maar de vrees voor instorting
of overstrooming kon ons nu niet tegenhouden, en onze dorst was zoo
hevig, dat wij om hem te stillen zelfs in het bed van den oceaan
zouden gegraven hebben.

Hans begon dat werk, dat mijn oom noch ik zouden volvoerd hebben. Daar
het ongeduld onze hand bestuurde. Zou de rots onder onze onbezonnen
slagen verbrijzeld zijn. De gids integendeel, bedaard en gematigd,
verdunde langzamerhand de rots door eene reeks van lichte, gedurig
herhaalde slagen, en maakte zoo eene opening van een halven voet
wijd. Ik hoorde het toenemende geraas van den stroom en meende reeds
te gevoelen, hoe het weldadige water mijne lippen bevochtigde.

Weldra drong het breekijzer twee voet diep in den granietmuur; het
werk duurde reeds meer dan een uur; ik kromp ineen van ongeduld! Mijn
oom wilde tot groote middelen zijne toevlucht nemen. Ik had moeite
om hem tegen te houden. Reeds greep hij zijn breekijzer, toen zich
plotseling een gefluit deed hooren. Een waterstraal spoot uit den
muur tegen den anderen wand aan.

Hans door den schok half omgeworpen, kon een kreet van pijn niet
bedwingen. Ik begreep waarom, toen ik, mijne handen in de vloeistof
stekende, op mijne beurt een geweldig geschreeuw aanhief: de bron
was kokend heet.

"Water van honderd graad!" riep ik.

"Welnu! het zal bekoelen", antwoordde mijn oom.

De gang werd gevuld met damp, terwijl eene beek zich vormde en zich
in de onderaardsche kronkelingen verloor; kort daarna schepten wij
er onzen eersten mondvol uit.

O! welk een genot! welk eene onuitsprekelijke zaligheid! Wat was dit
voor water? Van waar kwam het? Dat maakte niets uit. Het was water
en hoewel nog warm, riep het toch het bijna ontvlodene leven weder
terug. Ik dronk zonder ophouden, zelfs zonder te proeven.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18