Een liefde - Lodewijk van Deyssel
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26
--O ja, wou je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan.
--Ja, zei hij, zijn woorden slepend, ik wou nog eens zien of ik dat nog
kon.
--Wat?
--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon.
En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten,
geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar
zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een
geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze
klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote
kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster,
bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een
boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend
uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep
niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij
met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het
middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme
omtrek, hier binnen, de leege kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig
melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten
deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende
tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet
meer, zij telde niet meer mee. Alles leefde buiten haar om. Haar
verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans.
Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was
netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was
immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar
leven had. Dat was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij
was niet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij
niet wou zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen.
Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was.
Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef
herinnerde, maar waaruit dat gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar
alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen.
Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten.
Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met een knippenden
blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen
in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te
naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen voor Felix, nam
hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd,
lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk,
nou bee-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in
den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk
Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond
wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten
dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met
een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt.
Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op
haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over
den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de
dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den
dof-blonden avond, die neer-zachtte over de klagende slaapgebaren der
verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in,
boven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd op
onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen voort door
de nachtende eenzaamheid.
Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te
doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog
een jong-meisje was. He, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht
werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang
voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weer
zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer,
het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't
zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en
zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van
had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een
buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw
overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf
zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was
toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het
was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die
dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende
zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het
vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang
dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij
voelde zich op een avond leeggehuild en moe van droefheid, onverschillig
voor alles.
Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan.
Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een
opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in
den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen
sloegen wakker uit de mijmering en zij zei zachtjes; wat is er toch?,
toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de
zwarte stijlen der warande, waarom de klimop in warrelende donkere
rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar
bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige.
Zij was nu. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die
voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van
nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een
plomp neergezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre
mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der
warande, daar naast de leege kamers van het stille huis, en verder,
buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage
heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die
geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar
waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar
huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken
konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook
ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen,
ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch
wilde zij het geluk weer. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten,
nu, op 't oogenblik, zonder uitstel.
Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant,
die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor
zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de
donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare
blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende
hoofd.
Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam
zien wechgaan, voor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En
zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam
hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem
niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was
tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem
wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte
broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd
verder, verder, verder.
Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine
stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest
al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef
broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een
kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weer verdwenen. Zij ging naar
binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet
thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te
wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef
hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den
dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zou hem hooren aankomen in
de donkerte, dan zou ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor
't eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld,
zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang.
Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte
dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar
om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van
vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude
versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde
viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje,
was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat
Marie zeker nog in de keuken zou zijn. Zij ging langzaam, met stijve
stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich
hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij
haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen
kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar
oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het.
--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij.
--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen.
--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in
orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem
aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een
kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren
gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen.
Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had
gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zei
tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was.
In de groote kamer, waar alles nog donker was, zei Mathilde tot Jozef,
die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die
diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in
haar gesproken:
--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ...
Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre
huivering, die door haar gezicht ging.
Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer,
waarvan zij de deur hevig dichtsloeg.
Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neerhangende
besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld
en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar
zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weer aan. Hij had willen
voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker
te maken bij het goeye nacht-zoenen.
Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde
oogkassen.
--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer?
--Ik weet het wezenlijk niet, zei Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk
de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik
begrijp ook niet, waarom die man niet meer komt. Wacht, ik zal zelf nog
'es gaan kijken.
Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zei Jans. Jozef klopte tegen het
hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij wou door het
sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij
ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord.
Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede
ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De
gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij
daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn
verwonderde en lachende krullen, op en neer. Het stuk leven van
daar-zoo, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de
huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar
armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar
zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit
meer te-rug zou beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde
plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om
voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor
haar toch voorbij was gegaan.
Haar bewustzijn scheurde op. Daar stond haar bed en de gordijnenschaduwen
beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest,
met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede
roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel
denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch
haar man, den man, waarmee zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die
andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot
hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij was 't
niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van
haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar
waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als
tot haar eenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde
hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten
holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder
vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed
en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weer
achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij,
toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang
er langs aayend, op en neer, en stil met haar heele lichaam. De
lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar
haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de
warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op,
hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de
warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe
was 'et ook weer? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar
vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij
zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij
wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de
binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ...
Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij
daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar?
Zij ging er mee trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ...
Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij
haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde
vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar
zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weer een benauwde
nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaar? moest zij dan zoo
gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van
afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene,
waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag
hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ...
Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was
voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef
het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En
Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef,
het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood,
lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht,
aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en
niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe
grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van
elkaar, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd.
Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het
kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de
hoogte, in haar losse kleeren, naar den wand, en sloeg den wand, als om
er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en
eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leege armen, die zij wilde
drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van
klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen,
luisterende hoofden bij-een bracht in den gang, voor de gesloten kamer,
die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in
zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam
benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende
ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren,
doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn.
Mathilde ging weer door haar kamer, van de deur naar de muur, van de
muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos
aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over
Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart
sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had
als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel
gevoeld, dat dat het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek,
met haar opgemaakte hoofd en haar kleeren over-dag, en 's nachts als zij
zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog
pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd
later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef
gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een
die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot
zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde.
De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar
herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en
niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het
groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen
en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was
alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden:
de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon
voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zou
veranderen, hij zou nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt
had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den
onverschilligen gang van het vale leven.
Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar
mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de
kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der
verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de
herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op
de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een
enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel.
Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon
liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen.
Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God
sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude
geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie
of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde
bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan
duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde
zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der
veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven
geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag
weer Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe
schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet
ook waren in dien man hier in huis.
Zij ging weer op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar
koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest
zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij eens
Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag.
Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van
haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij
door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen,
die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in
droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den
Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die
zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in
rook verwolkte om haar heen.
XIV.
De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend
gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige
koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden.
Toen Mathilde na drie weken weer beter was, werd zij weer opgenomen in
den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend
in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't
begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag
overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man.
Toen zij weer voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch
wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog
nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die
haar nieuw voorkwamen.
Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten
tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer
herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had
gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat
geloofde zij ook.
Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie
Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het
hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaar zoo
vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide
op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een
advertentie in de koerant.
Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had
een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld
hem altijd bij haar te zien.
Toen zij einde Oktober weer te-rug waren in Amsterdam hield zij niets
meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een
droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weer, van een dochter.
EINDE.