Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
--Ja ...
--Om 't afteslaan?
--Wel neen! Om.. het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar
dat is het niet! Neen, om er op te staren, en er van te droomen, en om
... _goed te zyn_!
Duclari en Verbrugge vonden waarschynlyk dit slot weer byzonder vreemd.
Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort:
--Want zoo edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde,
slechts een mensch te wezen, en niet een vonk ... een straal--neen, dat
waar stof!--een gedachte! Maar ... dan zat daar op-eens een broer of een
vader naast die vrouwen, en ... godbewaarme, ik heb er een gezien die
haar neus snoot!
--Ik wist wel dat je er weer een zwarten streep over halen zou, zei Tine
verdrietig.
--Kan _ik_ 't helpen? _Ik_ had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een
meisje zich profaneeren?
--Maar, mynheer Havelaar, vroeg Verbrugge, als ze nu eens verkouwen is?
--Wel, ze _moest_ niet verkouwen zyn met zulk een neus!
--Ja, maar ...
Alsof 't booze spel sprak, op-eens moest Tine niezen, en ... voor ze er
aan dacht, had ze haar neus gesnoten!
--Beste Max, wil je er niet boos om worden? vroeg ze met teruggehouden
lach.
Hy antwoordde niet. En, hoe gek het schynt of is ... ja, hy _was_ er
boos om! En, wat ook vreemd klinkt, Tine was bly dat hy boos was, en van
_haar_ vergde meer te zyn dan de Phoceesche vrouwen te Arles[82] al was
't dan ook niet omdat ze reden had grootsch op haar neus te wezen.
Als Duclari nog meende dat Havelaar "gek" was, had men 't hem niet
ten-kwade kunnen duiden wanneer hy zich in deze meening versterkt
voelde, by 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat
neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was
teruggekeerd van Karthago, en hy las--met de snelheid waarmee hy lezen
_kon_, als hy niet te ver van-huis was met zyn geest--op de gezichten
van zyn gasten, dat zy de twee volgende stellingen opwierpen:
1e _Wie niet wil dat zyn vrouw haar neus snuit, is een gek_.
2e _Wie gelooft dat een in schoone lynen geteekende neus niet mag
gesnoten worden, doet verkeerd dit geloof toetepassen op mevrouw
Havelaar, wier neus een beetje_ en pomme de terre _is_.
De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar ... de tweede!
--O, riep hy, alsof hy te antwoorden had, schoon zyn gasten te beleefd
waren geweest hun stellingen uittespreken, dat zal ik u verklaren.
Tine is ...
--Beste Max! zeide zy smeekend.
Dit beteekende: "vertel toch niet aan die heeren waarom ik in uw
schatting verheven moest zyn boven verkoudheid!"
Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hy antwoordde:
--Goed, kind! Maar weet je wel, heeren, dat men zich dikwyls bedriegt in
't beoordeelen der aanspraken van sommige menschen op stoffelyke
onvolkomenheid?
Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden.
--Ik heb op Sumatra een meisje gekend, ging hy voort, de dochter van een
_datoe_[83] ... welnu, ik houd het er voor dat _zy_ op die
onvolkomenheid geen recht had. En toch heb ik haar in 't water zien
vallen by een schipbreuk ... evenals een ander. Ik, een mensch, heb haar
moeten helpen om aan land te komen.
--Maar.. had ze dan moeten vliegen als een meeuw?
--Wel zeker, of ... neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat
ik u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in '42. Ik was
kontroleur van Natal ... ben je daar geweest, Verbrugge?
--Ja.
--Welnu, dan weet je dat er peperkultuur in 't Natalsche is. De
pepertuinen liggen te _Taloh-Baleh_, benoorden Natal, aan de kust. Ik
moest ze inspekteeren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in
de _prahoe_[84] een _datoe_ mee, die er meer van wist. Zyn dochtertje,
toen een kind van dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en
verveelden ons ...
--En toen hebt ge schipbreuk geleden?
--Wel neen, t was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk waarop je doelt,
viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zoo zeilden
we langs de kust, en 't was stikheet. Zoo'n prauw biedt weinig
gelegenheid tot afleiding, en daarby was ik juist in een verdrietige
stemming, waartoe veel oorzaken het hare bydroegen. Ik had, _primo_, een
ongelukkige liefde, ten-tweede, een ... ongelukkige liefde, ten-derde
... nu ja, nog iets van dien aard, enz. Och, dat hoort er zoo by. Maar
bovendien bevond ik my in een statie tusschen twee aanvallen van
eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een
toren geklommen, en weer op den grond gevallen ... ik zal nu maar
overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur
gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitschers noemen:
_ungeniessbar_. Ik vond onder anderen dat het niet te-pas kwam my
pepertuinen te laten inspekteeren, en dat ik lang had moeten aangesteld
zyn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierby kwam het me voor als
zedelyke moord, een geest als den mynen in een prauw te zetten met dien
dommen _datoe_ en zyn kind.
Ik moet je zeggen, dat ik anders de maleische Hoofden wel lyden mocht,
en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten zy veel dat my hen doet
voortrekken boven de javaansche Grooten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat
je dit niet met my eens bent, er zyn slechts weinigen die 't me toestemmen
... maar dit laat ik nu daar.[85]
Als ik dat reisjen op een anderen dag gedaan had--met wat minder
muizenesten in 't hoofd, meen ik--zou ik waarschynlyk terstond met dien
_datoe_ in gesprek zyn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hy myn
omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisjen aan 't spreken
gebracht, en dit had my misschien onderhouden en vermaakt, want een kind
heeft meestal iets oorspronkelyks ... schoon ik erkennen moet dat ikzelf
toen nog te veel kind was, om belang te stellen in oorspronkelykheid.
Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaren een
manuskript waarin nog weinig of niets is doorgestreken. Men verrast den
auteur _en neglige_, en dit is dikwyls aardig.
Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarby
noodig te hebben. Drie rooden, een zwarte ... drie rooden, een zwarte:
't was mooi!
Ze heette _Si Oepi Keteh_. Dit beduidt op Sumatra zooveel als: _kleine
freule_ ... ja, Verbrugge, jy weet het wel, maar Duclari heeft altyd op
Java gediend.[86] Ze heette Si Oepi Keteh, maar in myn gedachten noemde
ik haar "stumpert" of zoo-iets, omdat ik naar myn schatting zoo
hemelhoog boven haar verheven was.
't Werd middag ... avend byna, en de kralen werden opgeborgen. Het land
schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de _Ophir_
rechts achter ons.[87] Links in 't westen boven de wyde, wyde zee, die
geen grens heeft tot waar Madagaskar ligt, en Afrika daar achter, zakte
de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen[88]
over de golven, en zy zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook
weer dat ding?
--Wat voor ding ... de zon?
--Ach, neen ... ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelyk! Hoor
eens:
Ge vraagt waarom toch de O
Die Natals ree bespoelt,
Schoon elders minzaam en gedwee,
Ontstuimig slechts op Natals ree,
Gedurig kookt en woelt?
Ge vraagt, en de arme visschersknaap
Heeft nauw uw vraag verstaan,
Of wenkend met het donker oog,
Wyst hy u aan d'onmeetbren boog
Het verre Westen aan.
Hy wendt den blik van 't donker oog
En staart naar 't Westen heen,
En toont u, daar ge rondsom ziet,
Slechts water, water, in 't verschiet,
En zee, en zee alleen!
En daarom schuurt hier de Oceaan
Zoo fel het oeverzand:
't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet,
En water, water, anders niet,
Tot Madagaskars strand!
En menig offer werd gebracht
Ten zoen voor d'Oceaan!
En menig kreet, in 't nat gesmoord,
Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord,
Werd slechts door God verstaan!
En menig hand voor 't laatst gestrekt
Rees opwaarts uit het meer,
En voelde en greep en plaste in 't rond,
En zocht of ze ergens steunsel vond,
En zonk voor eeuwig neer!
En...
--En ... en ... _ik weet de rest niet meer_.
--Die is weertevinden door er om te schryven aan Krygsman, uw klerk te
Natal. Hy heeft het, zei Verbrugge.
--Hoe komt _hy_ daaraan? vroeg Max.
--Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dat hy het heeft! Volgt
er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed
waardoor vroeger de reede van Natal werd beschermd? De geschiedenis van
_Djiwa_ met de twee broeders?
--Ja, dat is waar. Die legende ... was geen legende. Het was een parabel
die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal
als Krygsman dat ding wat veel opdeunt. Zoo begonnen alle mythologien.
_Djiwa_ is: ziel, zooals je weet, _ziel, geest_ of zoo-iets. Ik maakte
er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva ...
--Wel, Max, waar blyft onze kleine freule met haar kraaltjes? vroeg
Tine.
--De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de
evennachtslyn--_Natal_ ligt op weinige minuten noord: als ik over-land
naar _Ayer-Bangie_ ging, stapte ik te paard over de linie heen, of
nagenoeg ...'t was om er over te struikelen, waarachtig!--daar was zes
uur 't sein tot avendgedachten. Nu vind ik dat een mensch 's avends
altyd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit
is natuurlyk. 's Morgens houdt men zich te-zamen--ik weet wel dat dit
een _germanismus_ is, maar hoe moet ik het zeggen in 't _hollandsch_?
--men is ... deurwaarder of kontroleur, of ... neen, dit is genoeg!
Een deurwaarder _haelt sich zusammen_ om dien dag eens terdeeg zyn plicht
te doen ... god, welk een plicht! Hoe moet dat _zusammen gehalten_ hart
er uitzien! Een kontroleur--ik zeg dit niet voor u, Verbrugge!--een
kontroleur wryft zich de oogen uit, en ziet er tegen op den nieuwen
adsistent-resident te ontmoeten, die een bespottelyk overwicht wil
aannemen op een paar jaren diensttyd meer, en van wien hy zooveel
zonderlings gehoord heeft ... op Sumatra. Of hy moet dien dag velden
opmeten, en staat in dubio tusschen zyn eerlykheid--jy weet dit zoo niet,
Duclari, omdat je militair bent, maar er zyn werkelyk eerlyke kontroleurs!
--dan staat hy te waggelen tusschen die eerlykheid en de vrees dat _Radhen
Dhemang_, zoo of zoo hem den schimmel zal terugvragen, die zoo goed _telt_.
Of wel, hy moet dien dag kordaat _ja_ of _neen_ zeggen in antwoord op
missive nummer zooveel. Kortom, 's morgens by 't ontwaken valt je de wereld
op 't hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avends
heeft men een pauze. Er liggen tien volle uren tusschen nu en 't oogenblik
dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig-duizend sekonden om
mensch te zyn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't oogenblik waarop ik hoop te
sterven, om ginder aantekomen met een inofficieel gezicht. Dit is 't
oogenblik waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar _ving_
toen ze je dien zakdoek behouden liet met een gekroonde _E_ op de punt ...
--En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen, zei Tine.
--Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avends _gemuetlicher_
is.
Toen alzoo de zon langzamerhand verdween, ging Havelaar voort, werd ik
een beter mensch. En als eerste blyk van die beterschap moge gelden, dat
ik tot de kleine freule zei:
"Het zal nu gauw wat koeler worden."
"Ja, _toewan_!" antwoordde zy.
Maar ik boog myn hoogheid nog dieper tot die "stumpert" neer, en ving
een gesprek met haar aan. Myn verdienste was te grooter omdat zy heel
weinig antwoordde. Ik had gelyk in al wat ik zei ... dat ook al
vervelend wordt, al is men nog zoo verwaand.
"Zou je graag een volgenden keer weer meegaan naar _Taloh-Baleh_?" vroeg
ik.
"Zoo als toewan kommandeur[89] beveelt."
"Neen, ik vraag _u_ of _gy_ zoo'n reisjen aangenaam vindt?"
"Als myn vader het verkiest." antwoordde zy.
Zegt eens, heeren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet
dol. De zon was onder, en ik voelde my _gemuethlich_ genoeg om nog niet
afgeschrikt te worden door zooveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik
begon vermaak te scheppen in 't hooren van myn stem--er zyn weinigen
onder ons, die niet gaarne luisteren naar zichzelf--maar na myn
_mutisme_ van den heelen dag, meende ik, nu ik eindelyk aan 't spreken
geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnoozele antwoorden
van _Si Oepi Keteh_.
Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ikzelf het
met-een, en ik heb niet noodig dat ze my antwoordt. Nu weet ge dat, even
als by het lossen van een schip de laatst ingeladen _krandjang_
suiker[90] 't eerst weer voor den dag komt, ook wy gewoonlyk die
gedachte of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen.
In het _Tydschrift van Nederlandsch Indie_ had ik kort tevoren een
verhaal gelezen van Jeronimus: _de Japansche Steenhouwer_ ...
Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zyn
_Vendutie in een sterfhuis gelezen_? En zyn: _Graven_? En, vooral: de
_Pedatti_?[91] Ik zal 't u geven.
Ik dan had pas _de Japansche Steenhouwer_ gelezen. Ach, nu herinner ik
my op-eenmaal hoe ik zoo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje,
waarin ik 't "donker oog" van dien visschersknaap tot scheelwordens toe
"rond-om laat dwalen" in een richting ... heel gek! Dat was een
aaneenschakeling van denkbeelden. Myn verstoordheid van dien dag stond
in verband met het gevaarlyke der Natalsche ree ... je weet, Verbrugge,
dat geen oorlogschip die reede mag aandoen, vooral niet in Juli ... ja,
Duclari, de westmousson is daar in Juli 't sterkst, juist andersom dan
hier.[92] Welnu, 't gevaarlyke van die reede schakelde zich vast aan myn
gekrenkte eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedjen
over _Djiwa_. Ik had den resident herhaaldelyk voorgesteld te _Natal_
een zeewering te maken, of althans een kunsthaven in de monding van de
rivier, met het doel om handel te brengen in de Afdeeling _Natal_, die
de zoo belangryke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf millioen
menschen in 't binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de
Natalsche ree--en terecht!--in zulk een slecht blaadje stond. Welnu,
die voorstellen waren door den resident niet goedgekeurd, of althans hy
beweerde dat de Regeering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat
behoorlyke residenten nooit iets voorstellen, dan wat ze vooruit kunnen
berekenen dat aan 't Gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven
te _Natal_ streed in principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel
verre van schepen daarheen te lokken, was 't zelfs verboden--tenzy in
geval van _force majeure_--raschepen op de reede _toetelaten_. Als er nu
toch een schip kwam--'t waren meestal Amerikaansche walvischvangers, of
Franschen die peper hadden geladen in de onafhankelyke rykjes op den
noordhoek[93]--liet ik my altyd door den kapitein een brief schryven,
waarin hy verlof vroeg om drinkwater intenemen. De verstoordheid over 't
mislukken myner pogingen om iets ten-voordeele van _Natal_ te bewerken,
of liever de gekrenkte ydelheid ... was 't niet hard voor me, nog zoo
weinig te beteekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik
wilde? Nu, dit alles, in verband met myn kandidatuur voor 't regelen van
een zonnestelsel, had me dien dag zoo onbeminnelyk gemaakt. Toen ik door
't ondergaan der zon eenigszins genas--want ontevredenheid is een
ziekte--bracht juist die ziekte my den _Japanschen Steenhouwer_ voor den
geest, en misschien dacht ik alleen daarom die geschiedenis overluid,
om, mezelf wysmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind,
ter-sluik den laatsten druppel intenemen van het drankje dat ik voelde
noodig te hebben. Maar zy, dat kind, genas me--voor een dag of wat
althans--beter dan myn vertelling, die ongeveer aldus moet
geluid hebben:
"_Oepi_, er was een man die steenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was
zeer zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en
tevreden was hy niet.
Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk
ware, om te rusten op een _baleh-baleh_ met _klamboe_ van
roode zyde.[94]
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy was ryk. En hy rustte op een baleh-baleh, en de _klamboe_ was
van roode zyde.
En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En
ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden
_pajong_[95] boven het hoofd van den koning.
En toen de ryke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden
_pajong_, werd gehouden boven zyn hoofd. En tevreden was hy niet.
Hy zuchtte, en riep: ik wenschte koning te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy was koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren
er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men den gouden
_pajong_.
En de zon scheen met heete stralen, en verbrandde het aardryk, zoodat
de grasscheut dor werd.
En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht
had boven hem. En tevreden was hy niet.
Hy zuchtte, en riep: ik wenschte de zon te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy was de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden,
naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom.
En hy verschroeide den grasscheut op het aardryk, en het gelaat der
vorsten die op de aarde waren.
En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen van
de zon stuitten daarop terug.
En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaagde dat
die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hy niet.
Hy wilde de wolk zyn, die zoo machtig was.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en
ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.
En de wolk regende in groote druppen op het aardryk, en deed de
rivieren zwellen, en _banjirs_ voerden de kudden weg.
En hy verwoestte door veel waters het veld.
En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in groote
stroomen, maar de rots week niet.
En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de
sterkte van zyn stroomen ydel was. En tevreden was hy niet.
Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenschte die rots
te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy werd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het
regende.
En daar kwam een man met houweel, en met puntigen bytel, en met
zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots. En de rots zeide: wat is
dit, dat die man macht heeft boven my, en steenen houwt uit myn
schoot? En tevreden was hy niet.
Hy riep: ik ben zwakker dan deze ... ik wenschte die man te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy was een steenhouwer. En hy hieuw steenen uit de rots, met
zwaren arbeid, en hy arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hy was
tevreden."
--Heel aardig, riep Duclari, maar nu zyt ge ons nog 't bewys schuldig
dat die kleine _Oepi_ imponderabel had moeten wezen.
--Neen, ik heb u dat bewys niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen
hoe ik kennis met haar maakte. Toen myn verhaaltjen uit was, vroeg ik:
"En jy, _Oepi_, wat zou jy kiezen, als een engel uit den hemel je kwam
vragen wat je begeerde?"
"Voorzeker, mynheer, ik zou hem bidden my meetenemen naar den hemel."
--Is dat niet beeldig? vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel
gek vonden ...
Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd.
TWAALFDE HOOFDSTUK
--Beste Max, zei Tine, ons dessert is zoo schraal. Zou je niet ... je
weet wel ... Madame Geoffrin?[96]
--Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben heesch. De
beurt is aan Verbrugge.
--Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af, verzocht mevrouw Havelaar.
Verbrugge bedacht zich even, en begon:
--Er was eens een man, die een kalkoen stal ...
--O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je van _Padang_! En hoe is 't
verder?
--'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?
--Wel, _ik_! Ik heb hem opgegeten, samen met ...iemand. Weet je waarom
ik te _Padang_, gesuspendeerd was?
--Men zei dat er een deficit was in uw kas te _Natal_, hernam Verbrugge.
--Dit was niet geheel onwaar, doch _waar_ was 't ook niet. Ik was te
_Natal_ door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke
verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar
dit viel in die dagen zoo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord
van Sumatra waren kort na 't innemen van _Baroes, Tapoes_ en _Singkel_
zoo verward, alles was zoo onrustig, dat men het een jong mensch, die
liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet
kwalyk nemen kon dat alles niet zoo ordelyk en geregeld ging als men zou
kunnen vorderen van een amsterdamschen boekhouder die niet anders te
doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe
altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terugwerkt op 't Natalsche. Ik
sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by-dehand te zyn, wat dan ook
dikwyls noodig was. Daarby heeft het gevaar--eenigen tyd voor myn komst
was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand
te maken--het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men
slechts twee-en-twintig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand
wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die
noodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei
gekheden in 't hoofd ...
--_Traoessa_?[97] riep mevrouw Havelaar een bediende toe.
--Wat hoeft niet?
--Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken ... een omelet of
zoo-iets.
--Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? je bent
ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heeren hebben ook een stem.
Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?
--Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mensch zei Verbrugge.
--En ook ik zou liever niet kiezen, voegde Duclari er by, want het is
hier te doen om een uitspraak tusschen m'nheer en mevrouw, en: _entre
l'ecorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt_.
--Ik zal u helpen, heeren, de omelet is ...
--Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel zooveel
waard zyn als ...
--Als de historie? Zeker _als_ ze wat waard was! Doch er is een bezwaar
...
--Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat
toch by my halen wat ge noodig hebt!
--Suiker is er ... van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet.
Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar ...
--Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?
--Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen Ze is ...
--Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch?
--Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles ... wezen moesten! Ik
heb geen omelet ... ik heb niets meer!
--Dan in 's hemelsnaam de historie! zuchtte Duclari met koddige wanhoop.
--Maar koffi hebben we, riep Tine.
--Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slotering met
de meisjes daarby roepen, zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar
buiten toog.
--Ik gis dat ze bedanken zal, Max! je weet dat ze ook liever niet met
ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven.
--Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel, zei Havelaar, en dat
heeft haar afgeschrikt.
--Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hollandsch.
Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven
voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam
vertaald hebt?
--_E.H.V.W: eigen haard veel waard_.
--Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat menschenschuw
voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat
wegjagen door de oppassers ...
--Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari.
--Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben
aanspraak op een volledig maal, en daarom eisch ik de geschiedenis van
den kalkoen.
--Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen
van den generaal Vandamme, en heb 't opgegeten ... met iemand.
--Voor die "iemand" ten-hemel voer, zei Tine schalk.
--Neen, dat is tricheeren: riep Duclari. We moeten weten waarom ge dien
kalkoen ... weggenomen hebt.
--Wel, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van den generaal
Vandamme die me gesuspendeerd had.
--Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgenden keer
zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.
--Geloof me, er stak niets meer achter dan dat. Hy had zeer veel
kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur ... ik
nam er een, en zei tot den man die zich verbeeldde er op te passen: "zeg
den generaal dat ik, Max Havelaar, dezen kalkoen neem omdat ik
eten wil."
--En dan dat epigram?
--Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?