A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Max Havelaar - Multatuli

M >> Multatuli >> Max Havelaar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het
ernst ware geweest met die krimineele verdenking. Misschien echter was
dit schynbaar verzuim niet zonder grond. Den gevangene immers is men
onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik _Padang_ niet verlaten kon, was
ik in werkelykheid toch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en
zonder brood. Ik had herhaaldelyk, doch telkens zonder baat, aan den
Generaal geschreven dat hy myn vertrek van _Padang_ niet beletten mocht,
want dat, al ware ik schuldig aan 't allerergste, geen misdaad mocht
gestraft worden met _hongerlyden_.

Nadat de rechtsraad, die blykbaar met de zaak verlegen was, den uitweg
had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgingen wegens
misdryf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging
van de Regeering te _Batavia_, hield my de generaal, zooals ik zeide,
negen maanden te _Padang_. Hy ontving eindelyk van-hooger-hand den last
me naar _Batavia_ te laten vertrekken.

Toen ik een paar jaren daarna wat geld had--beste Tine, _jy_ hadt het me
gegeven!--betaalde ik eenige duizenden guldens om de Natalsche
kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zeide my
iemand[103] die geacht kon worden de Regeering van Nederlandsch-Indie
voortestellen: "dat had ik in uw plaats niet gedaan ... ik zou een
wissel op de eeuwigheid gegeven hebben." _Ainsi va le monde!_

* * * * *

Juist wilde Havelaar een aanvang maken met het verhaal dat zyn gasten
van hem wachtten, en dat ophelderen zou waarin en waarom hy den Generaal
Vandamme te _Natal_ zoo "gekontrarieerd" had, toen mevrouw Slotering
zich in de voorgalery van haar woning vertoonde, en den politie-oppasser
wenkte, die naast Havelaars huis op een bank zat. Deze begaf zich tot
haar, en riep daarop iets tot een man die zoo-even het erf betreden had,
waarschynlyk met het doel om zich naar de keuken te begeven die achter
't huis gelegen was. Ons gezelschap zou hierop waarschynlyk niet gelet
hebben, wanneer niet Tine dien middag aan tafel gezegd had dat mevrouw
Slotering zoo schuw was, en een soort van toezicht scheen uitteoefenen
over ieder die 't erf betrad. Men zag den man die door den oppasser
geroepen was, tot haar gaan, en 't scheen wel dat ze hem in een verhoor
nam dat niet in zyn voordeel afliep. Althans hy wendde zyn schreden en
liep naar-buiten terug.

--'t Spyt me wel, zei Tine. Dat was misschien iemand die kippen te-koop
had, of groente. Ik heb nog niets in huis.

--Wel, laat dan daartoe maar iemand uitzenden, antwoordde Havelaar. Je
weet dat inlandsche dames gaarne gezag oefenen. Haar man was vroeger de
eerste persoon hier, en hoe weinig een adsistent-resident eigenlyk
beduidt, in zyn afdeeling is hy een kleine koning: zy is nog niet gewoon
aan de onttrooning. Laat ons die arme vrouw dit klein genoegen niet
ontnemen. Houd je maar alsof je 't niet bemerkte.

Dit nu viel Tine niet zwaar: _zy_ hield niet van gezag.

Een uitweiding is hier noodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over
uitweidingen. Het valt een schryver soms niet gemakkelyk, juist
doortezeilen tusschen de twee klippen van het te-veel of te-weinig, en
deze moeielykheid wordt te grooter als men toestanden beschryft, die den
lezer verplaatsen moeten op onbekenden bodem. Er is een te nauw verband
tusschen plaatsen en gebeurtenissen, dan dat men de beschryving van die
plaatsen geheel zou kunnen ontberen, en 't vermyden de beide klippen
waarop ik doelde, wordt dubbel moeielyk voor iemand die Indie tot
tooneel zyner vertelling gekozen heeft. Want waar een schryver die
europesche toestanden behandelt, veel zaken als bekend kan
veronderstellen, moet hy die zyn stuk in Indie spelen laat, zich gedurig
vragen of de niet-Indische lezer deze of gene omstandigheid juist
opvatten zal? Wanneer de europesche lezer zich mevrouw Slotering
voorstelt als "logeerende" by de Havelaars, zooals dit zou plaats-vinden
in Europa, moet het hem onbegrypelyk voorkomen dat ze niet tegenwoordig
was by 't gezelschap dat de koffi gebruikte in de voorgalery. Wel heb ik
reeds gezegd dat zy een afzonderlyk huis bewoonde, doch tot juist begrip
hiervan en tevens van latere gebeurtenissen, is 't inderdaad noodig dat
ik hem Havelaars huis en erf eenigszins doe kennen.

De beschuldiging die zoo vaak wordt ingebracht tegen den grooten meester
die den _Waverley_ schreef, dat hy dikwyls van 't geduld zyner lezers
misbruik maakt door te veel bladzyden aan plaatsbeschryving te wyden,
komt me ongegrond voor, en ik geloof dat men zich tot het beoordeelen
van de juistheid eener zoodanige aanmerking, eenvoudig de vraag hebbe
voorteleggen: was deze beschryving noodig tot juist opvatten van den
indruk dien de schryver u wilde meedeelen? Zoo ja, men duide dan hem
niet ten-kwade dat hy van u de moeite verwacht te _lezen_ wat hy zich de
moeite gaf te _schryven_. Zoo neen, dan werpe men 't boek weg. Want de
schryver die ledig genoeg van hoofd is, om _zonder noodzaak_ topografie
te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van 't lezen waard zyn,
ook daar waar ten-laatste zyn plaatsbeschryving een eind neemt. Maar men
vergete niet dat het oordeel van den lezer over 't al of niet
noodzakelyke eener afwyking, dikwyls valsch is, omdat hy voor de
katastrofe niet weten kan wat al of niet vereischt wordt tot geleidelyke
ontwikkeling der toestanden. En wanneer hy na de katastroof 't boek
weder opneemt--van boeken die men slechts eenmaal leest, spreek ik
niet--en zelfs dan nog meent dat deze of gene afwyking wel had kunnen
gemist worden zonder schade voor den indruk van 't geheel, blyft het
altyd de vraag of hy van 't geheel denzelfden indruk zou verkregen
hebben, wanneer niet de schryver op meer of min kunstige wyze hem
daartoe gebracht had, juist door de afwykingen die den oppervlakkig
oordeelenden lezer overtollig voorkomen.

Meent ge dat Amy Robsart's dood U zoo treffen zou, als ge vreemdeling
waart geweest in de hallen van Kenilworth? En gelooft ge dat er geen
verband is--verband door tegenstelling--tusschen de ryke kleeding waarin
de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwartheid zyner
ziel? Gevoelt ge niet dat Lester--ieder weet dit, die den man kent uit
andere bronnen dan uit den roman alleen--dat hy oneindig lager stond dan
hy geschetst wordt in den _Kenilworth_? Maar de groote romanschryver die
liever boeide door kunstige rangschikking van kleuren dan door grofheid
van kleur, achtte het beneden zich zyn penseel te doopen in al het slyk
en in al het bloed dat er kleefde aan den onwaardigen gunsteling van
Elizabeth. Hy wilde slechts een stip aanwyzen in den poel van vuil, maar
verstond het, zulke stippen te doen in 't oog vallen door de tinten die
hy in zyn onsterfelyke geschriften daarnaast legde. Wie nu al dat
daarnaast gelegde als overtollig meent te kunnen verwerpen, verliest
geheel uit het oog dat men dan, om effekt te-weeg te brengen, zou moeten
overgaan tot de school die sedert 1830 zoolang in Frankryk gebloeid
heeft, schoon ik ter-eere van dat land zeggen moet dat de schryvers die
in dit opzicht het meest zondigden tegen den goeden smaak, juist in 't
buitenland, en niet in Frankryk zelf, den grootsten opgang maakten. Die
school--ik hoop en geloof dat ze uitgebloeid heeft--vond het gemakkelyk
met volle hand te grypen in plassen van bloed, en daarmee groote kladden
te werpen op de schildery, dat men die zien zou in de verte! Ze zyn dan
ook met minder inspanning te schilderen, die ruwe strepen van rood en
zwart, dan de fyne trekken te penseelen die er staan in den kelk eener
lelie. Daarom dan ook koos die school meestal koningen tot helden van
haar verhalen, liefst uit den tyd toen de volkeren nog onmondig waren.
Zie, de droefheid des konings vertaalt men op 't papier in volksgehuil
... _zyn_ toorn biedt den schryver gelegenheid tot het dooden van
duizenden op 't slagveld ... _zyn_ fouten geven ruimte tot het
schilderen van hongersnood en pest ... dat alles geeft werk aan grove
penseelen! Als ge niet getroffen zyt door de stomme akeligheid van een
lyk dat daar ligt, er is plaats in myn verhaal voor een slachtoffer dat
nog stuiptrekt en gilt! Hebt ge niet geweend by die moeder, vruchteloos
zoekend naar haar kind ... wel, ik toon u een andere moeder die haar
kind ziet vierendeelen! Bleeft ge ongevoelig by den marteldood van dien
man ... ik vermenigvuldig uw gevoel honderdmalen door negen-en-negentig
andere mannen te laten martelen naast hem! Zyt ge verstokt genoeg om
niet te yzen by 't zien van den soldaat die in een belegerde vesting uit
honger zyn linkerarm verslindt ...

Epikurist! Ik stel u voor, te kommandeeren: "rechts en links, formeert
den kring! Ieder ete den linkerarm op van zyn rechternevenman ... marsch!"

Ja, zoo gaat de kunst-akeligheid over in zotterny ... wat ik in 't
voorbygaan bewyzen wilde.[104]

En daarin toch zou men vervallen door te spoedig een schryver te
veroordeelen, die u geleidelyk wilde voorbereiden op zyn katastroof
zonder zyn toevlucht te nemen tot die schreeuwende kleuren.

Het gevaar evenwel aan den anderen kant is nog grooter. Ge veracht de
pogingen der grove letterkunde die met zoo ruwe wapenen op uw gevoel
meent te moeten instormen, maar ... als de schryver in 't ander uiterste
vervalt, als hy zondigt door _te veel_ afwyking van de hoofdzaak, door
_te veel_ penseel-gemanierdheid, dan is uw toorn nog sterker, en
te-recht. Want dan heeft hy u verveeld, en dit is onvergeeflyk.

Wanneer wy tezamen wandelen, en ge wykt telkens af van den weg, en roept
my in 't kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te rekken,
vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in 't vervolg alleen te gaan.
Maar als ge me daar een plant weet aantewyzen die ik niet kende, of
waaraan voor my iets te zien valt dat vroeger myn aandacht ontsnapte ...
als ge my van-tyd tot-tyd een bloem toont, die ik gaarne pluk en
meedraag in 't knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwyken van den weg, ja,
ik ben er dankbaar voor.

En, zelfs zonder bloem of plant, zoodra ge my ter-zyde roept om me door
't geboomte heen het pad te wyzen, dat we straks zullen betreden, doch
dat nu nog verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar
streepje zich slingert door 't veld daar-beneden ... ook dan neem ik u
de afwyking niet euvel. Want als wy eindelyk zoo ver zullen gekomen zyn,
zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door 't gebergte, wat de
oorzaak is dat wy de zon die zoo-even daar stond, nu links van ons
hebben, waarom die heuvel nu achter ons ligt, welks top we vroeger voor
ons zagen ... zie, dan hebt ge my door die afwyking 't _begrypen_ myner
wandeling gemakkelyk gemaakt, en begrypen is genot.

Ik, lezer, heb u in myn verhaal dikwyls op den grooten weg gelaten, schoon
't my moeite kostte u niet meetevoeren in 't kreupelhout. Ik vreesde dat
de wandeling u verdrieten zou, daar ik niet wist of ge vermaak zoudt
scheppen in de bloemen of planten die ik u wyzen wilde. Maar omdat ik
geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien te hebben dat we
straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te zeggen van Havelaars
huis.

Men zou verkeerd doen, zich van een huis in Indie een voorstelling te
maken naar europesche begrippen, en zich daarby een steenmassa te denken
van op-elkander gestapelde kamers en kamertjes, met de straat er voor,
rechts en links buren wier huisgoden tegen de onzen aanleunen, en een
tuintje met drie bessenboompjes er achter. Op weinig uitzonderingen na,
hebben de huizen in Indie geen verdieping. Dit komt den europeschen
lezer vreemd voor, want het is een eigenaardigheid van beschaving--of
van wat hiervoor doorgaat--alles vreemd te vinden wat natuurlyk is. De
indische huizen zyn geheel anders dan de onzen, doch niet _zy_ zyn
vreemd, _onze_ huizen zyn vreemd. Wie 't eerst zich de weelde kon
veroorloven niet in een kamer te slapen met zyn koeien, heeft de tweede
kamer van zyn huis niet _op_, maar _naast_ de eerste gezet, want het
bouwen gelykvloers is eenvoudiger en biedt ook meer gemak aan in 't
bewonen. Onze hooge huizen zyn geboren uit gebrek aan ruimte: we zoeken
in de lucht wat er op den grond ontbreekt, en zoo is eigenlyk elk
dienstmeisje dat 's avends het venster sluit van 't dakkamertje waar ze
slaapt, een levend protest tegen de overbevolking ... al denkt zyzelf
aan iets anders, wat ik wel gelooven wil.

In landen dus, waar beschaving en overbevolking nog niet door
samenpersing beneden, 't menschdom naar-boven hebben opgeknepen, zyn de
huizen zonder verdieping, en dat van Havelaar behoorde niet tot de
weinige uitzonderingen op dezen regel. By 't binnentreden ... doch neen,
ik wil een bewys geven dat ik afstand doe van alle aanspraken op
schilderachtigheid. _Is gegeven_: een langwerpig vierkant dat ge wel
wilt verdeelen in een-en-twintig vakken, drie breed, zeven diep. We
nummeren die vakken, beginnende van den linker-bovenhoek rechts-uit,
zoodat _vier_ onder _een_ kome, _vyf_ onder _twee_, en zoo vervolgens.

De eerste drie nummers tezamen vormen de voorgalery die aan drie kanten
open is, en welker dak aan de voorzyde op zuilen rust. Van daar treedt
men door twee dubbeldeuren in de binnengalery die door de drie volgende
vakken wordt voorgesteld. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 18 zyn
kamers, waarvan de meesten door deuren met de daarnaast liggenden in
verbinding staan ... De drie hoogste nummers vormen de open achtergalery,
en wat ik oversloeg is een soort van ongesloten binnengalery, gang of
doorloop. Ik ben recht grootsch op deze beschryving.

Het is moeielyk te zeggen welke uitdrukking in Nederland het denkbeeld
teruggeeft, dat men in Indie aan 't woord "erf" hecht. Erf is daar noch
tuin, noch park, noch veld, noch bosch, maar of iets daarvan, of alles
tezamen, of niets van dat alles. Het is de grond die tot het huis
behoort, voor zoo-ver die niet door dat huis bedekt is, zoodat in Indie
de uitdrukking: "tuin _en_ erve" zou doorgaan voor een pleonasmus. Er
_zyn_ daar geen of weinige huizen zonder zoodanig erf. Sommige erven
bevatten bosch en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Anderen
zyn bloemtuinen. Elders weer is 't geheele erf een groot grasveld. En
eindelyk zyn er die, al zeer eenvoudig, geheel-en-al zyn gemaakt tot een
gemacadamiseerd plein, dat misschien minder aangenaam is voor 't oog,
doch de zindelykheid in de huizen bevordert, omdat veel insekten-soorten
door gras en boomen worden aangetrokken.

Havelaars erf nu was zeer groot, ja, hoe vreemd het klinke, aan een der
zyden kon men 't oneindig noemen, daar het aan een ravyn grensde die
zich uitstrekte tot aan de oevers van den _Tjioedjoeng_, de rivier die
_Rangkas-Betoeng_, in een zyner vele bochten omsluit. [105] Het viel
moeielyk te bepalen waar 't erf van de adsistent-residents-woning
ophield, en waar de gemeentegrond aanving, daar 't groot verval van
water in den _Tjioedjoeng_ die dan eens zyn oevers een gezichtsverheid
terugtrok, en dan weer den ravyn vulde tot zeer naby Havelaars huis,
gedurig de grenzen veranderde.

Deze ravyn was dan ook altyd een doorn geweest in de oogen van mevrouw
Slotering, wat zeer begrypelyk is. De plantengroei, reeds overal elders
in Indie zoo snel, was op die plaats door de telkens achtergelaten slib
byzonder welig, zoo zelfs dat, al had het op- of afloopen des waters
plaats gehad met een kracht die 't kreupelhout ontwortelde en meevoerde,
er maar zeer weinig tyds noodig was om den grond weer te bedekken met al
de ruigte die 't reinhouden van het erf, ook in de onmiddellyke nabyheid
van 't huis, zoo moeielyk maakte. En dit veroorzaakte geen gering
verdriet, zelfs aan wie geen huismoeder was. Want zonder te spreken van
allerlei insekten, die gewoonlyk des avends om de lamp vlogen in zoo
groote menigte dat lezen en schryven onmogelyk werd--iets wat op veel
plaatsen in Indie lastig is--hielden zich in dat kreupelhout een tal van
slangen en ander gedierte op, dat zich niet bepaalde by den ravyn, maar
telkens ook in den tuin naast en achter 't huis werd gevonden, of in het
grasperk op 't voorplein.

Dit plein had men recht voor zich als men in de buiten galery met den
rug naar 't huis gekeerd stond. Links daarvan lag het gebouw met de
bureaux, de kas en de vergaderzaal waar Havelaar dien morgen de Hoofden
had toegesproken, en daar-achter breidde zich de ravyn uit, dien men
overzag tot aan den _Tjioedjoeng_ toe. Juist tegenover de bureaux stond
de oude adsistent-residents-woning die nu tydelyk door mevrouw Slotering
bewoond werd, en dewyl de toegang van den grooten weg tot het erf plaats
had door twee wegen die langs beide zyden van 't grasveld liepen, volgt
hieruit vanzelf dat ieder die het erf betrad om zich naar de achter het
hoofdgebouw gelegen keuken of stallen te begeven, of de bureaux of de
woning van mevrouw Slotering moest voorbygaan. Terzyde van 't
hoofdgebouw en daarachter, lag de vry groote tuin die de vreugde van
Tine had opgewekt door de vele bloemen die ze daar vond, en vooral omdat
kleine Max daar zoo dikwyls spelen zou.

Havelaar had zich by mevrouw Slotering laten verontschuldigen dat hy
haar nog geen bezoek had gebracht. Hy nam zich voor, den volgenden dag
daarheen te gaan, maar Tine was er geweest en had kennis gemaakt. We
vernamen reeds dat die dame een zoogenaamd "inlandsch kind" was, die
geen andere dan de maleische taal sprak. Ze had haar verlangen te kennen
gegeven haar eigen huishouding te blyven voeren, waarin Tine gaarne
berustte. En niet uit ongastvryheid kwam deze berusting voort, doch
voornamelyk uit de vrees dat zy, pas te _Lebak_ aangekomen, en dus nog
niet "op orde" mevrouw Slotering niet zoo goed zou kunnen ontvangen als
wenschelyk gemaakt werd door de byzondere omstandigheden waarin deze
dame verkeerde. Wel zou ze--geen hollandsch verstaande--niet "gedeerd"
worden door de vertellingen van Max, zooals Tine 't genoemd had, maar zy
begreep dat er meer noodig was dan de familie Slotering niet te _deren_,
en de schrale keuken in-verband met de voorgenomen zuinigheid deden haar
werkelyk 't voornemen van mevrouw Slotering zeer verstandig vinden. Of
nu overigens, wanneer de omstandigheden anders waren geweest, de omgang
met iemand die slechts een taal sprak, waarin niets gedrukt is dat den
geest beschaaft, geleid zou hebben tot wederzydsch genoegen, blyft
twyfelachtig. Tine zou haar zoo goed mogelijk gezelschap gehouden, en
veel met haar gesproken hebben over keukenzaken, over _sambal-sambal_[106]
over 't inmaken van _ketimon_--zonder Liebig, o goden!--maar zoo-iets
blyft toch altyd een opoffering, en men vond het dus zeer goed dat de
zaken door mevrouw Sloterings vrywillige afzondering geschikt waren op
een wyze die aan beide partyen volkomen vryheid liet. Zonderling echter
was het, dat die dame niet alleen geweigerd had deeltenemen aan de
gemeenschappelyke maaltyden, maar dat zy zelfs geen gebruik maakte van
't aanbod om haar spyzen te doen gereed maken in de keuken van Havelaars
huis. "Deze bescheidenheid, zei Tine, was wat ver gedreven, want de keuken
was ruim genoeg."




VEERTIENDE HOOFDSTUK


Ge weet, begon Havelaar, hoe de nederlandsche bezittingen ter Westkust
van Sumatra aan de onafhankelyke ryken in den noordhoek grenzen, waarvan
_Atjeh_ het aanzienlykste is. Men zegt dat een geheim artikel in het
traktaat van 1824, ons jegens de Engelschen de verplichting oplegt, de
rivier van _Singkel_ niet te overschryden. De generaal Vandamme, die met
een _faux-air Napoleon_ gaarne zyn gouvernement zoo ver mogelyk
uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelyken
hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel gelooven,
omdat het me anders bevreemden zou dat de Radjahs van _Troeman_ en
_Analaboe_, wier provincien niet zonder gewicht zyn door den peperhandel
die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder nederlandsche
souvereiniteit zyn gebracht. Ge weet hoe gemakkelyk men een voorwendsel
vindt om zulke landjes den oorlog aantedoen, en zich daarvan meester te
maken. Het stelen van een landschap zal altyd makkelyker blyven dan van
een molen. Ik geloof van den generaal Vandamme, dat hy zelfs een molen
zou weggenomen hebben als hy daarin lust gevoeld had, en begryp dus niet
dat hy die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wanneer niet
daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billykheid.[107]

Hoe dit zy, hy richtte zyn veroveraarsblikken niet Noord- maar
Oostwaarts. De landstreken _Mandheling_ en _Ankola_--dit was de naam der
adsistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte
Battahlanden--waren wel nog niet gezuiverd van atjineschen invloed--want
waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeielyk--maar de
Atjinezen zelf waren er toch niet meer. Dit was evenwel den Gouverneur
niet genoeg. Hy breidde zyn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden
nederlandsche beambten en nederlandsche garnizoenen gezonden naar _Bila_
en _Pertibie_, welke posten echter--zooals je weet, Verbrugge--later
weer ontruimd zyn.

Toen er op Sumatra een Regeeringskommissaris[108] aankwam, die deze
uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wyl ze in
stryd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland
zoozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die
uitbreiding geen bezwarenden invloed behoefde te hebben op de
begrooting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen
waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zoodat hy een zeer groote
landstreek onder nederlandsch bestuur had gebracht, zonder dat hieruit
geldelijke uitgaven waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelyk
ontblooten van andere plaatsen aanging, voornamelyk in 't
Mandhelingsche, meende hy genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de
aanhankelykheid van _Jang di Pertoean_, 't voornaamste hoofd in de
Battahlanden, om hierin geen bezwaar te zien.[109]

Met weerzin gaf de Regeeringskommissaris toe, en wel op de herhaalde
betuigingen van den generaal dat hy _persoonlijk_ zich tot borg stelde
voor _Jang di Pertoean's_ trouw.

Nu was de kontroleur die voor my de afdeeling _Natal_ bestuurde, de
schoonzoon van den adsistent-resident in de Battahlanden, welke
ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel
hooren spreken van klachten die tegen dien adsistent-resident waren
ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze
beschuldigingen, omdat ze grootendeels uit den mond kwamen van _Jang di
Pertoean_, en wel op een oogenblik toen deze zelf van veel zwaarder
vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zyn verdediging
te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger ... wat meer gebeurt. Hoe
dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader
tegen _Jang di Pertoean_, en dit te vuriger misschien omdat die
kontroleur zeer bevriend was met zekeren _Soetan Salim_, een natalsch
Hoofd dat ook zeer op den battakschen chef gebeten was. Sedert lang
heerschte er een veete tusschen de familien dezer beide hoofden. Er
waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yverzucht over invloed,
trots aan den kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en
meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandheling_ tegen
elkander opgezet te houden.

Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandheling_ een
komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en
dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uittesteken en alle
Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_
plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincien
altyd beter van den stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats
zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrokken Hoofd zich
laten weerhouden van de openbaring eener hun bekende omstandigheid, die
vrees eenigermate overwinnen zoodra ze zich op een grondgebied bevinden
waar dat Hoofd geen invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de
zaken van _Lebak_, en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor
ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't
_Krawangsche_, en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds
in 1840 _Lebaksche_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met
sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buitenzorgsche en in de
Bataviasche ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheeren
verheugd zyn over den slechten toestand dezer Afdeeling, omdat dit hun
landeryen bevolkt.[110]

Zoo ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die--_als_ ze
bestaan heeft, wat ik niet weet--_Jang di Pertoean_ deed kennen als
verrader. Volgens door den kontroleur van Natal afgenomen verklaringen
van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de
battaksche Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bosch waarin zy
zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der "christenhonden"
in _Mandheling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een
ingeving van den hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke
gelegenheden nooit uitblyft.[111]

Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan
ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge
zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag
worden geslagen. Zeker is 't dat de man, wat zyn islamsche dweepzucht
aangaat, wel tot zoo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de
geheele battaksche bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_
overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk
fanatiek.[112]


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30