A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Max Havelaar - Multatuli

M >> Multatuli >> Max Havelaar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di
Pertoean_ door den adsistent-resident van _Mandheling_, werd gevangen
genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem
voorloopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte
scheepsgelegenheid gevankelyk naar _Padang_, vervoeren. Het spreekt
vanzelf dat men den Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zoo
bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de
genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Pertoean_ was dus
van _Mandheling_, vertrokken als een _gevangene_. Te _Natal_ was hy
_gevangen_. Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy
ook natuurlyk een _gevangene_. Hy verwachtte dus--schuldig of niet, dit
doet niets tot de zaak, daar hy in wettigen vorm en door bevoegde
autoriteit was beschuldigd van hoogverraad--ook te _Padang_, als een
gevangene te zullen aankomen. Wel moet hy dus zeer verwonderd hebben
gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen,
maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte,
het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te
herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer
verrast geworden. Kort hierop werd de adsistent-resident van
_Mandheling_, in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die
ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_,
eenigen tyd ten-huize van den generaal te hebben vertoefd, en na door
dezen met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_
naar _Mandheling_ terug, niet met het zelfgevoel van den onschuldig-
verklaarde, maar met den trots van iemand die zoo hoog staat dat hy geen
verklaring van onschuld noodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak
niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor
valsch hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereischt,
teneinde de valsche getuigen te straffen, en vooral hen die blyken
zouden zoodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de
generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De
tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non
avenu_, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder
de oogen der Regeering te _Batavia_ gebracht zyn.

Kort na _Jang di Pertoean's_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't
bestuur van die afdeeling overtenemen. Myn voorganger verhaalde me
natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhelingsche was voorgevallen, en
gaf my de noodige inlichting over de staatkundige verhouding tusschen
die landstreek en myn Afdeeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy
zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaardige behandeling die
zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbegrypelyke bescherming die
_Jang di Pertoean_ van den generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik
wisten op dat oogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar
_Batavia_, een vuistslag in 't gelaat van dien generaal zou geweest zyn,
en dat deze--persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan
--gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen
een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor den generaal des te
belangryker, omdat inmiddels de zoo-even bedoelde Regeeringskommissaris
zelf Gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit
zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't
ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean_, en over de hierop steunende
hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust
verzet had.

"Doch, zei myn voorganger, wat ook den generaal moge bewegen al de
beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aantenemen, en de veel
zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek
waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang_, zooals
ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders
dat niet vernietigd worden _kan_."

En hy toonde my een vonnis van den Rappat-raad te _Natal_[113] waarvan
hy voorzitter was, houdende: VEROORDEELING VAN ZEKEREN _Si Pamaga_ TOT
DE STRAF VAN GEESELING EN BRANDMERK, EN--ik meen--TWINTIGJARIGEN
DWANGARBEID, WEGENS POGING TOT MOORD OP DEN TOEANKOE VAN NATAL.

"Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting, zei myn voorganger,
en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te
_Batavia_, als hy daar _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoogverraad!

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "_de bekentenis
van den beklaagde_" was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ den
_Toeankoe_, diens pleegvader _Soetan Salim_ en den gezaghebbenden
kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uittevoeren, naar de
woning van den _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op den
trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een
_Sewah_[114] met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy den
_Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van
eenige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_
op den _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn
moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit
het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in
't bosch, en werd eenige dagen later door de natalsche policie opgevat.

"Aan den beschuldigde gevraagd: _wat hem tot dezen aanslag en den
voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en den kontroleur van Natal had
bewogen_?" antwoordt hy: "DAARTOE TE ZYN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT
NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHELING."

"Is dit duidelyk of niet? vroeg myn voorganger. Het vonnis is na _fiat
exekutie_ van den resident, ten-uitvoer gelegd wat de geeseling en 't
brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang_, om vandaar
als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de
processtukken van de zaak te _Batavia_, en dan kan men daar zien wie de
man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat
vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy."

Ik nam het bestuur der natalsche afdeeling over, en myn voorganger
vertrok. Na eenigen tyd ontving ik bericht dat de generaal met een
oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy
stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde oogenblikkelyk
de oorspronkelyke processtukken te zien van: "den armen man dien men zoo
vreeselyk mishandeld had."

"Zyzelf hadden een geeseling en een brandmerk verdiend!" voegde hy er
by.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van den stryd over _Jang di
Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn
gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een
onschuldige zou veroordeeld hebben tot zoo zware straf, als dat de
generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig
vonnis. Ik ontving den last, _Soetan Salim_ en den _Toeankoe_ te doen
gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevolking zeer bemind
was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik den
generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan.
Doch voor _Soetan Salim_, den byzonderen vyand van _Jang di Pertoean_,
was geen genade. De bevolking was in groote spanning. De Natallers
vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van
mandhelingschen haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd
tot-tyd iets doen kon, wat hy "kordaat" vond, vooral daar hy de weinige
macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement
mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter
bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by
die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor
zyn eigen veiligheid, en 't is daarom dat ik zyn roem van dapperheid
niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hy vormde in groote overhaasting een Raad, dien ik _ad hoc_ zou kunnen
noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de
officier van Justitie of fiskaal, dien hy van _Padang_ had meegenomen,
en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder
myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik
moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe
noodig waren. De generaal, die natuurlyk voorzat, ondervroeg en de
proces-verbalen werden geschreven door den fiskaal. Daar evenwel deze
beambte weinig maleisch verstond--en volstrekt niet het maleisch dat in
de Noord van Sumatra wordt gesproken--was 't dikwyls noodig hem de
antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf
deed. Uit de zittingen van dien Raad zyn stukken voortgekomen, die
ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen
gekoesterd had iemand, wien het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch
_Soelan Adam_, noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy
_niet_ op den _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_
uit het venster gevlucht was ... en zoo voort! Verder: dat het vonnis
tegen den ongelukkigen _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van den
voorzitter--myn voorganger--en van 't Raadslid _Soetan Salim_, welke
personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzonnen om aan
den gesuspendeerden adsistent-resident van _Mandheling_ een wapen ter
zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun
haat jegens _Jang di Pertoean_.

De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken
aan de whistparty van zekeren keizer van Marokko die zyn partner
toevoegde: "speel harten, of ik sny je den hals af." Ook de vertalingen,
zooals hy die den fiskaal in den pen gaf, lieten veel te wenschen over.

Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op den
natalschen Rechtsraad om _Si Pamaga_ schuldig te verklaren, is my
onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft
uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen.
Zonder op dat oogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me
tegen die ... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zoo ver gegaan is dat ik
heb moeten weigeren eenige verbalen mede te onderteekenen, en ziedaar nu
de zaak waarin ik den generaal zoo "gekontrarieerd" had. Ge begrypt nu
ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de
aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden
waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratien verschoond
te blyven.

--Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei
Duclari.[115]

--Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandamme niet
aan zoo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak
veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_
heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou
bepaald hebben tot eenvoudig protesteeren tegen de wys waarop de
generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner
handteekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat
ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf
vastgestelden toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de
generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meesleepen
door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden
van de gevolgen eener rechtsdwaling, voor-zoo-ver dit na de geeseling en
't brandmerk nog mogelyk was. Deze meening deed my wel in verzet komen
tegen valsheid, maar ik was daarover niet zoo verontwaardigd als ik zou
geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om
een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om
ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te
vernietigen die de politiek van den generaal in den weg stonden.

--En hoe ging 't verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge.

--Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal
te _Padang_, terugkeerde. Hy schynt zich by de Regeering te _Batavia_ te
hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De
resident van _Ayer Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend
had, werd ...

--Gesuspendeerd?

--Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zoo heel onrecht had, in myn puntdicht
te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.

--En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?

--O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in
hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke
ambten bekleed.[116]

--En _Soetan Salim_?

--De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang_, en vandaar werd
hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de
Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek
gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine?

--Neen, Max, dat is me glad ontgaan.

--Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heeren!

--Maar, vroeg Duclari, daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik
vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zoo dikwyls geduelleerd hebt?

--Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat
de gunst van den Gouverneur op zoodanigen buitenpost de maatstaf is,
waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my
zeer _on_welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant
was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de
"zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen den generaal" een
toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't slechte voedsel dat
er scheen te liggen in zedelyke onafhankelykheid ... dit alles, begrypt
ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de
generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand
die zoo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid
met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander dien ik voor
verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in dien tyd aan de orde
van den dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had
op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met
de sabel, of "op" de sabel, zooals ze 't noemen ... ik weet niet waarom.
Ge begrypt echter dat ik nu zoo-iets niet meer doen zou, ook al ware
daartoe zooveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier,
Max--neen, vang dat beestje niet--kom hier? Hoor eens, je moet nooit
kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst langen tyd als rups op een
boom rondgekropen, dat was geen vroolyk leven! Nu heeft het pas
vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich
vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ...
kyk, is 't niet veel aardiger het daar zoo te zien rondfladderen?

Zoo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des
rechtvaardigen over zyn vee, op het dieren plagen, op de _loi Grammont_,
op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de
republiek, en op wat niet al!

Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl
hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem den volgenden morgen op zyn
kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent-resident den
vorigen dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitgereden naar
_Parang-Koedjang_--het distrikt der "_verregaande_ misbruiken"--en eerst
dien ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.

* * * * *

Ik verzoek den lezer te gelooven dat Havelaar te wellevend was om aan
zyn eigen tafel zooveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb
opgegeven, en waardoor ik op hem den schyn laad alsof hy zich meester
zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarloozing der plichten van
een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegenheid te laten of
te verschaffen "zich te doen uitkomen." Ik heb uit de vele bouwstoffen
die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de
tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't
afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde
voldoende wezen zal om eenigermate de beschryving te rechtvaardigen, die
ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer
niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem
en de zynen wachtten te _Rangkas-Betoeng_.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit,
en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tusschen hem
en den kommandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook
in den huiselyken omgang met den kontroleur was geen spoor te ontdekken
van 't rangverschil dat anders in Indie zoo vaak het verkeer styf en
vervelend maakt, terwyl bovendien Havelaars zucht om hulp te verleenen
waar hy maar eenigszins kon, dikwyls den Regent te-stade kwam, die dan
ook zeer met zyn "ouderen broeder" was ingenomen. En ten-slotte bracht
de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam
verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de
Inlandsche Hoofden. De dienstkorrespondentie met den resident te
_Serang_ droeg blyken van wederzydsche welwillendheid, terwyl de bevelen
van den resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de
meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd,
en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet
meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de
levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen
spaarzaamheid zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts eenige
malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig,
en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die hare of Havelaars
woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar
_monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't
vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op
een niet aan den grooten weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar
er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het
van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te
hoog. Max wist zoo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden
waren om zonder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen,
maar _onbetaalde arbeid_, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zoo
was er veel te _Lebak_, dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar
niet te-koop voor billyken prys, en onder zulke gegevens schikten zich
Havelaar en zyn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere
ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht
aan-boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan
't scheepsdek zonder andere beschutting tegen zonnehitte en
westmoessonsbuien, dan een tafeltje tusschen welks pooten ze zich moest
vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een
klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele
andere omstandigheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen
wezen met haar Max?

Een omstandigheid echter was er te _Lebak_, die haar verdriet
berokkende: kleine Max kon niet in den tuin spelen omdat daar zooveel
slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar
beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die
ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zooveel aan
premien dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in
gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zoo noodzakelyke
zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te-boven gegaan.
Er werd alzoo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou
verlaten, en dat hy zich, om frissche lucht te scheppen, vergenoegen
moest met spelen in de voorgalery. In-weerwil van deze voorzorg was Tine
toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen
dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de
slaapkamers verbergen.

Slangen en dergelyk ongedierte vindt men wel-is-waar in Indien overal,
maar op de grootere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander
woont, komen zy natuurlyk zeldzamer voor dan in meer wilde streken,
zooals te _Rangkas-Betoeng_. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten
zyn erf van onkruid te doen reinigen tot aan den rand van den ravyn toe,
zouden toch wel de slangen zich van-tyd tot-tyd in den tuin vertoond
hebben, maar niet in zoo grooten getale als dit nu 't geval was. De
natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven
't licht van open plaatsen, zoodat, als Havelaars erf zindelyk ware
gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de
ruigte in den ravyn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was
niet zindelyk, en ik wensch de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een
blik te meer doet slaan op de misbruiken die byna alom in de
nederlandsch-indische bezittingen heerschen.

De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die
aan de gemeenten toebehooren, voor-zoover men van gemeente-eigendom
spreken kan in een land waar de Regeering zich alles toeeigent. Genoeg,
dat die erven niet toebehooren aan den ambtelyken bewoner zelf. Deze
toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te koopen of te
huren, waarvan 't onderhoud boven zyn krachten ging. Wanneer nu het erf
van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlyk te worden
onderhouden, zou dit, by den weligen tropischen plantengroei, binnen
weinig tyds in een wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit
zoodanig erf in slechten staat. Ja dikwyls zelfs staat de reiziger
verbaasd over 't schoone park dat een residentswoning omringt. Geen
beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om den hiertoe noodigen
arbeid te doen verrichten tegen behoorlyke betaling, en daar nu toch een
deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereischte is, opdat
niet de bevolking die zooveel hecht aan uiterlykheden, in slordigheid
grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel
bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te
beschikken over eenige ketting-gangers, dat zyn: elders veroordeelde
misdadigers, een soort van werklieden echter dat in _Bantam_ om meer of
min geldige redenen van politieken aard niet aanwezig was. Doch ook op
plaatsen waar zich wel zoodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal,
vooral met het oog op de behoefte aan anderen arbeid, zelden in
evenredigheid met het werk dat zou vereischt worden tot het goed
onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden
worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van
_heeredienst_ ligt voor-de-hand. De Regent of de _Dhemang_ die zoodanige
oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hy weet zeer
goed dat het den gezaghebbenden ambtenaar die van dat gezag misbruik
maakt, later moeielyk vallen zou een inlandsch Hoofd te bestraffen over
een gelyke fout. En alzoo strekt het vergryp van den een tot vrybrief
voor den ander.

Het komt my echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber _in
sommige gevallen_ niet al te streng, en vooral niet naar europesche
begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou
't--misschien uit ongewoonte--zeer vreemd vinden als hy _altyd_ en _in
alle gevallen_ zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor
zyn erf bestemde heeredienstplichtigen voorschryven, daar er
omstandigheden kunnen voorkomen die by deze bepalingen niet waren
voorzien. Maar zoodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is
overschreden, wordt het moeielyk een punt vasttestellen, waarop
zoodanige overschryding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral
wordt groote omzichtigheid noodig zoodra men weet dat de Hoofden alleen
wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding
natevolgen. De vertelling over zekeren koning die niet wilde dat men de
betaling verzuimde van een korrel zout die hy by zyn eenvoudig maal
gebruikt had, toen hy aan 't hoofd zyns legers het land doortrok--omdat,
naar hy zeide, dit het begin was van een onrecht dat ten-laatste zyn
geheel ryk zou vernietigen--hy moge dan _Timoerleng_, _Noereddien_ of
_Djengis-Khan_ geheeten hebben, zeker is of die fabel, of als 't geen
fabel is, het voorval zelf, van aziatischen oorsprong. En even als 't
aanschouwen van zeedyken aan de mogelykheid van hoog water doet
gelooven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot _zulke_ misbruiken
in een land waar _zulke_ lessen worden gegeven.

Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht,
konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zyn erf, in de
onmiddellyke nabyheid der woning, van onkruid en kreupelhout vryhouden.
Het overige was binnen weinig weken een volslagen wildernis. Havelaar
schreef aan den resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzy
door een geldelyke toelage, hetzy door aan de Regeering voortestellen
even als elders kettinggangers in de residentie _Bantam_ te doen
arbeiden. Hy ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat
hy immers 't recht had de personen die door hem by policievonnis waren
veroordeeld tot "arbeid aan den publieken weg" op zyn erf te-werk te
stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende
bekend dat zoodanige beschikking over gekondemneerden overal de
gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hy, noch te
_Rangkas-Betoeng_ noch te _Amboina_, noch te _Menado_, noch te _Natal_,
van dat vermeend recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zyn tuin
te laten onderhouden als boete voor kleine vergrypen, en meermalen had
hy zich afgevraagd hoe de Regeering bepalingen kon laten bestaan, die
den ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten
te straffen, niet in evenredigheid met het vergryp, maar met den
toestand of de uitgestrektheid van zyn erf? Het denkbeeld alleen dat de
gestrafte, ook zelfs hy die rechtvaardig gestraft was, vermeenen zou dat
er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hy
straffen moest, altyd de voorkeur geven aan de anders zeer
afkeurenswaardige opsluiting.[117]


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30