Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in den tuin, en dat
ook Tine van de bloemen niet zooveel genoegen smaakte als ze zich had
voorgesteld op den dag van haar aankomst te _Rangkas-Betoeng_.
Het spreekt vanzelf dat deze en dergelyke kleine verdrietelykheden geen
invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zooveel bouwstoffen
bezat om zich een gelukkig huiselyk leven te verschaffen, en 't was dan
ook niet toeteschryven aan zulke kleinigheden, wanneer Havelaar soms met
een bewolkt voorhoofd binnentrad, by het terugkeeren van een uitstap, of
na 't aanhooren van dezen en genen die verzocht hadden hem te spreken.
We hebben uit zyn toespraak aan de Hoofden gehoord dat hy zyn plicht
wilde doen, dat hy onrecht wilde te-keer gaan, en tevens hoop ik dat de
lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leeren kennen als
iemand die wel in-staat was iets uittevinden en tot klaarheid te
brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er
was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in _Lebak_ omging
zyn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hy vele jaren vroeger op die
afdeeling gelet had, zoodat hy reeds den eersten dag, toen Verbrugge hem
ontmoette in de _pendoppo_ waar myn verhaal aanvangt, toonde in zyn
nieuwen werkkring geen vreemdeling te zyn. Hy had door nasporing op de
plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hy vroeger vermoedde, en
vooral uit het archief was hem gebleken dat de landstreek waarvan het
bestuur aan zyn zorg was toevertrouwd, werkelyk in een hoogsttreurigen
toestand verkeerde.
Uit brieven en aanteekeningen van zyn voorganger bemerkte hy dat deze
dezelfde opmerkingen gemaakt had. De korrespondentie met de Hoofden
bevatte verwyt op verwyt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed
begrypen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich
rechtstreeks tot de Regeering te zullen wenden indien niet aan dien
stand van zaken een einde werd gemaakt.
Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zyn
voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de adsistent-resident
van _Lebak_ in geen geval den resident van _Bantam_ mocht voorbygaan, en
hy had daarby gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zoude gewettigd
zyn, daar het toch niet te denken was dat die hooge beambte party zou
trekken voor afpersing en knevelary.
Zoodanig partytrekken was dan ook waarlyk niet te veronderstellen in den
zin zooals Havelaar 't bedoelde, niet namelyk alsof den resident eenig
voordeel of gewin zou ten-deel vallen van die vergrypen. Doch wel
bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de
klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe
die voorganger meermalen met den resident over de heerschende misbruiken
had gesproken--_geaboucheerd_, zei Verbrugge--en hoe weinig hem dit
gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom
een zoo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de geheele residentie
evenzeer als de adsistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was
te zorgen dat er recht geschiedde, byna altyd reden meende te hebben om
den loop van dat recht te stuiten.[118]
Reeds te _Serang_, toen Havelaar daar ten-huize van den resident
vertoefde, had hy dezen over de Lebaksche misbruiken gesproken, en
hierop ten-antwoord bekomen: "dat dit alles in meer of mindere mate
overal 't geval was." Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou
beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar
hy meende dat dit geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond,
te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelyk tot het tegengaan
daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hy van _Lebak_ wist, hier
geen spraak was van _meer of mindere_, doch van _zeer groote_ maat,
waarop de resident hem onder anderen antwoordde: "dat het in de afdeeling
_Tjiringien_--ook tot _Bantam_ behoorende--nog erger gesteld was."
Wanneer men nu aanneemt, zooals men aannemen kan, dat een resident geen
rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken
over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zoovelen beweegt in
tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder
daarvan aan de Regeering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet
het al zeer vreemd vinden dat men zoo koelbloedig 't bestaan van die
misbruiken erkent, als ware er spraak van iets dat buiten bereik of
bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen.
In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tydingen iets
onaangenaams, en 't schynt wel of er van den ongunstigen indruk dien ze
veroorzaken, iets blyft kleven op wien de verdrietige taak te-beurt viel
zulke tydingen meetedeelen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen
een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets
ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer
men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op den hals te halen die
nu eenmaal 't lot schynt des overbrengers van slechte berichten, doch
tevens als de _oorzaak_ te worden aangezien van den ongunstigen toestand
dien men plichtshalve openbaart.
De Regeering van Nederlandsch Indie schryft by-voorkeur aan haar
meesters in 't moederland dat alles naar wensch gaat. De residenten
melden dit gaarne aan de Regeering. De adsistent-residenten, die zelf
van hun kontroleurs byna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden
ook op hun beurt liefst geen onaangename tydingen aan de residenten.
Hieruit wordt in de officieele en schriftelyke behandeling der zaken een
gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de
waarheid, maar ook met de eigen meening van die optimisten zelf, zoodra
zy dezelfde zaken mondeling behandelen, en--nog vreemder!--dikwyls zelfs
in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel
voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die den gunstigen toestand van
een residentie ten-hoogste verheffen, doch te-gelyker-tyd, vooral waar
de _cyfers_ spreken, zichzelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden,
als niet de zaak om de eindelyke gevolgen te ernstig ware, aanleiding
geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naiveteit waarmee
vaak in zoodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en
aangenomen, al biedt dan ook de schryver zelf weinig zinsneden verder de
wapens aan waarmee die onwaarheden te bestryden zyn. Ik zal me tot een
enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer velen zou kunnen vermeerderen.
Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een
residentie. De resident roemt den handel die daar bloeit, en beweert dat
in de geheele landstreek de grootste welvaart en bedryvigheid worden
waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe
middelen die hem ten-dienste staan om sluikery te weren, wil hy terstond
den onaangenamen indruk wegnemen, die op de Regeering zou worden te-weeg
gebracht door de meening dat er dus in die residentie veel Inkomend-Recht
wordt ontdoken. "Neen, zegt hy, daarvoor behoeft men niet bezorgd te zyn!
Er wordt in myn residentie weinig of niets ingevoerd ter-sluik, want ...
er gaat in deze streken zoo weinig om, dat niemand hier zyn kapitaal in
den handel wagen zou."
Ik heb een dergelyk verslag gelezen dat aanving met de woorden: "in 't
afgeloopen jaar is de rust rustig gebleven." Zulke zinsneden getuigen
wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelykheid van de
Regeering voor ieder die haar onaangename tydingen spaart, of die,
zooals de term luidt: "haar niet bemoeielykt" met verdrietige berichten!
Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toeteschryven aan onjuistheid
der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stygen, maakt
men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lagen aanslag den
landbouw aantemoedigen, die zich juist _nu_ gaat ontwikkelen, en
weldra--liefst als de berichtgever zal afgetreden zyn--onbegrypelyke
vruchten moet afwerpen. Waar onordelykheid heeft plaats gehad die niet
verborgen blyven _kon_, was dit het werk van eenige weinige
kwalykgezinden die voor 't vervolg niet meer te vreezen zyn daar er een
_algemeene_ tevredenheid heerscht. Waar gebrek of hongersnood de
bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte,
regen of zoo-iets, nooit van wanbestuur.
De nota van Havelaars voorganger, waarin deze "het verloop van volk uit
het distrikt _Parang-Koedjang_ toeschreef aan _verregaand_ misbruik"
ligt voor my.[119] Deze nota was _in_officieel, en bevatte punten
waarover die ambtenaar met den resident van _Bantam_ te _spreken_ had.
Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blyk dat zyn
voorganger diezelfde zaak ruiterlyk by den waren naam had genoemd in een
_openbare dienstmissive_.
Kortom, de officieele berichten van de beambten aan het Gouvernement, en
dus ook de daarop gegronde rapporten aan de Regeering in 't moederland,
zyn voor het grootste en belangrykste gedeelte: _onwaar_.
Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en
voel me volkomen in-staat haar met bewyzen te staven. Wie verstoord
mocht zyn over dit onbewimpeld uiten myner meening, bedenke hoeveel
millioenen schats en hoeveel menschenlevens er zouden gespaard zyn aan
Engeland, indien men daar tydig de oogen der natie voor de ware
toedracht der zaken in Britsch-Indie geopend had, en hoe groote
dankbaarheid men zou schuldig geweest zyn aan den man die den moed had
getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't
verkeerde te herstellen op minder bloedige wyze dan nu wel noodzakelyk
geworden was.
Ik zeide, myn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't noodig is, zal ik
aantoonen dat er vaak hongersnood heerschte in streken die geroemd
werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die
als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uittebersten in
woede. Het is myn voornemen niet deze bewyzen te leveren in _dit_ boek,
schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te
gelooven dat ze bestaan.
Voor 't oogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het
belachelyk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door
ieder, hy zy dan al of niet bekend met de zaken van Indie, gemakkelyk
zal kunnen begrepen worden.
Ieder resident dient maandelyks een opgaaf in van de ryst die in zyn
landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. By deze opgave
wordt dat vervoer in twee deelen gesplitst, naarmate het zich bepaalt
tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de
hoeveelheid ryst welke volgens die opgaven is overgevoerd _uit_
residentien op Java _naar_ residentien op Java, zal men bevinden dat
deze hoeveelheid vele duizende pikols _meer_ bedraagt dan de ryst die,
volgens dezelfde opgaven, _in_ residentien op Java _uit_ residentien op
Java is ingevoerd.
Ik ga nu met stilzwygen voorby, wat men te denken hebbe van het
doorzicht der Regeering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil
den lezer alleen opmerkzaam maken op de _strekking_ van deze valsheid.
De procentsgewyze belooning aan europesche en inlandsche beambten voor
produkten die in Europa moeten verkocht worden, had den rystbouw
zoodanig op den achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een
hongersnood geheerscht heeft, die niet voor de oogen der natie
weggegoocheld worden kon. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften
zyn gegeven, de zaken niet weder te laten komen tot zoo ver. Tot de vele
uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door my genoemde
opgaven van uit-en ingevoerde ryst, opdat de Regeering voortdurend het
oog houden kon op de ebbe en den vloed van dat levensmiddel. _Uitvoer_
uit een residentie stelt welvaart voor, _Invoer_: betrekkelyk gebrek.
Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelykt, blykt daaruit dat de
ryst overal zoo overvloedig is, _dat alle residentien tezamen meer ryst
uitvoeren dan er in alle residentien tezamen wordt ingevoerd_. Ik
herhaal dat hier geen spraak is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf
afzonderlyk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerymde
stelling: _dat er op Java meer ryst is dan er ryst is_. Dat is
toch welvaart!
Ik zeide reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de
Regeering meetedeelen, zou overgaan in 't belachelyke, als niet de
gevolgen van dit alles zoo treurig waren. Welke verbetering immers is er
te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat,
in de berichten aan 't bestuur alles omtebuigen en te verdraaien? Wat is
er by-voorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit den aard zacht
en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onderdrukking, als zy den
eenen resident voor, den anderen na ziet aftreden met verlof of met
pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er _iets_ geschied
is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen
veer eindelyk terugspringen? Moet niet de zoolang onderdrukte
ontevredenheid--onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te
loochenen!--eindelyk overslaan in woede, in wanhoop, in razerny? Ligt
er niet een _Jacquerie_ op 't eind van dezen weg?
En waar zullen dan de beambten zyn, die sedert jaren elkander opvolgden,
zonder ooit op 't denkbeeld te zyn gekomen dat er iets hoogers bestaat
dan de "gunst der Regeering?" Iets hoogers dan de "tevredenheid van den
Gouverneur-generaal?" Waar zullen zy dan wezen, de flauwe-berichten-
schryvers die de oogen van 't Bestuur door hun onwaarheden verblindden?
Zullen dan zy die vroeger den moed misten om een kordaat woord op 't
papier te stellen, te-wapen vliegen en de nederlandsche bezittingen
behouden voor Nederland? Zullen zy aan Nederland de schatten weergeven
die er zullen noodig wezen tot demping van oproer, tot het voorkomen van
omwenteling? Zullen zy 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen
door hun schuld?
En die ambtenaren, die kontroleurs en residenten, zyn niet de _meest_
schuldigen. Het is de Regeering zelf die, als geslagen met onbegrypelyke
blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoedigt, uitlokt en
beloont.[120] Vooral is dit het geval, waar spraak is van onderdrukking
der bevolking door inlandsche Hoofden.
Door velen wordt dit beschermen van de Hoofden toegeschreven aan de
onedele berekening dat zy, pracht en praal moetende ten-toon spreiden om
op de bevolking den invloed uitteoefenen dien de Regering noodig heeft
om haar gezag staande te houden, daartoe een veel hooger bezoldiging
zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de
vryheid liet het ontbrekende aantevullen door onwettige beschikking over
de bezittingen en den arbeid van 't volk. Hoe dit zy, de Regeering gaat
niet dan noode over tot het toepassen der bepalingen die den Javaan
tegen afpersing en roof heeten te beschermen. Meestal weet men in
onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde,
een oorzaak te vinden om _dien_ Regent of _dat_ Hoofd te sparen, en 't
is dan ook in Indie een tot spreekwoord geykte meening dat het
Gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan een Regent. Ook die
voorgewende politieke redenen--als ze op _iets_ gevestigd zyn--steunen
gewoonlyk op valsche opgaven, daar ieder resident belang heeft by 't
verheffen van den invloed zyner Regenten op de bevolking, om daarachter
zich te verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te
groote inschikkelykheid omtrent die hoofden.[121]
Ik ga nu de afschuwelyke huichelary voorby van de menschlievend-
luidende bepalingen--en van de eeden!--die den Javaan tegen willekeur
beschermen ... op 't papier, en verzoek den lezer zich te herinneren hoe
Havelaar by 't naspreken van die eeden iets te kennen gaf dat denken
deed aan minachting. Voor 't oogenblik wil ik alleen wyzen op het
moeielyke van den toestand des mans die, geheel anders dan uit kracht,
eener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zyn plicht.
En voor hem was deze moeielykheid grooter nog dan ze voor sommige
anderen zou geweest zyn, omdat zyn gemoed zacht was, geheel in
tegenspraak met zyn doorzicht dat de lezer nu wel als vry scherp zal
hebben leeren kennen. Hy had dus niet alleen te stryden met vrees voor
menschen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen
met de plichten die hy als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hy
moest een vyand overwinnen in zyn eigen hart. Hy kon niet zonder lyden
leed zien, en 't zou my te ver leiden als ik de voorbeelden wilde
aanvoeren hoe hy immer, ook waar hy gekrenkt en beleedigd was, de party
van een tegenstander beschermde tegen zichzelf. Hy verhaalde aan Duclari
en Verbrugge hoe hy in zyn jeugd iets aantrekkelyks had gevonden in het
duel met den sabel, 't geen de waarheid was ... doch hy zeide er niet by
hoe hy na 't wonden van zyn tegenparty gewoonlyk schreide, en zyn
gewezen vyand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik
zou kunnen verhalen hoe hy te _Natal_ den kettingganger die op hem
geschoten had[122] by zich nam, den man vriendelyk toesprak, hem voeden
liet en vryheid gaf boven alle anderen, omdat hy meende te ontdekken dat
de verbittering van dien veroordeelde 't gevolg was van een, elders
geslagen, te streng vonnis. Gewoonlyk werd de zachtheid van zyn gemoed
of ontkend, of belachelyk gevonden. Ontkend door wie zyn hart verwarde
met zyn geest. Belachelyk gevonden door wie niet begrypen kon hoe een
verstandig mensch zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt
was in het web eener spin. Ontkend weder door ieder--buiten Tine--die hem
daarna hoorde schimpen op die "domme dieren" en op de "domme natuur" die
zulke dieren schiep.
Maar nog een andere wyze bestond er om hem neertehalen van 't voetstuk
waarop zyn omgeving--men mocht hem beminnen of niet--wel gedwongen was
hem te plaatsen. "Ja, hy _is_ geestig, maar ... er is vluchtigheid in
zyn geest." Of: "hy _is_ verstandig, maar ... hy gebruikt zyn verstand
niet goed." Of: "ja, hy _is_ goedhartig, maar ... hy koketteert er mee!"
Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart?
Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt
_gy_ dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?
Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gy die
niet weten kondet dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!
Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond--_Sappho_
heette het dier--nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het
nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die
daar zoo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koketteeren met goedhartigheid
moeielyker te gelooven dan de goedhartigheid zelf.
Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt--wanneer ge niet
verstyfd zyt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of
verdroogd door de hitte daarginds onder de linie!--ik roep u op om
getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans
vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer noodig hebt te
zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neertehalen van welke
luttele hoogte ook.[123]
Intusschen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan eenige
regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken.
Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indie
moeten achterlaten, en bevond zich in Duitschland. Met de vlugheid die
ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht
willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy
eenige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de
innigheid schetsen van den band die hem aan de zynen hechtte.
--Mein Kind, da schlaegt die neunte Stunde, hoer!
Der Nachtwind saeuselt, und die Luft wird kuehl,
Zu kuehl fuer dich vielleicht: dein Stirnchen glueht!
Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,
Und bist wohl muede, komm, dein _Tikar_ harret.[124]
--Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!
Es is so sanft zu ruhen hier... und dort,
Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich,
Und weiss nicht einmal was ich traeume! Hier
Kann ich doch gleich dir sagen was ich traeume.
Und fragen was mein Traum bedeutet... hoer,
Was war das?
--'s War ein _Klapper_ der da fiel.[28]
--Thut das dem Klapper weh?
--Ich glaube nicht.
Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefuehl.
--Doch eine Blume, fuehlt die auch nicht?
--Nein,
Man sagt, sie fuehle nicht.
--Warum denn, Mutter,
Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach[125]
Hast du gesagt: es thut der Blume weh?
--Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schoen
Du zogst die zarten Blaettchen roh entzwei,
Das that mir fuer die arme Blume leid.
Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefuehlt,
_Ich_ fuehlt' es fuer die Blume, weil sie schoen war.
--Doch, Mutter, bist du auch schoen?
--Nein, mein Kind,
Ich glaube nicht.
--Allein _du_ hast Gefuehl?
--Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich.
--Und kann _dir_ etwas weh thun? Thut dir's weh,
Wenn dir im Schooss so schwer mein Koepfchen ruht?
--Nein, _das_ thut mir nicht weh!
--Und, Mutter, ich...
Hab' _ich_ Gefuehl?
--Gewis! Erinn're dich
Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein
Dein Haendchen hast verwundet, und geweint.
Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzaehlte[126]
Dass auf den Huegeln dort, ein Schaeflein tief
In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.
Da hast du lang geweint... das war Gefuehl.
--Doch, Mutter, ist Gefuehl denn Schmerz?
--Ja, oft!
Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,
Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,
Und kraehend dir 's Gesichtchen nahe drueckt,
Dann lachst du freudig, das ist auch Gefuehl.
--Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft,
Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefuehl?
--Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,
Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.
--Doch, Mutter... hoere, was war das?
--Ein Hirsch
Der sich verspaetet im Gebuesch, und jetzt
Mit Eile heimwaerts kehrt, und Ruhe sucht
Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.
--Mutter,
Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?
Und eine Mutter auch?
--Ich weiss nicht, Kind.
--Das wuerde traurig sein, wenn's nicht so waere!
Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im Strauch?
Seh' wie es huepft und tanzt... ist das ein Funk?
--'s Ist eine Feuerfliege.
--Darf ich 's fangen?
--Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,
Du wirst gewiss es weh thun, und sobald
Du 's mit den Fingern all zu roh beruehrst,
Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glaenzt nicht mehr.
--Das waere Schade! Nein, ich fang' es nicht!
Seh', da verschwand es... nein, es kommt hierher...
Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,
Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!
Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist das,
Sind das auch Feuerflieglein dort?
--Das sind
Die Sterne.
--Ein, und zehn, und tausend!
Wieviel sind denn wohl da?
--Ich weiss es nicht
Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezaehlt.
--Sag', Mutter, zaehlt auch _Er_ die Sterne nicht?
--Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht.
--Is das weit,
Dort oben wo die Sterne sind?
--Sehr weit!
--Doch haben diese Sterne auch Gefuehl?
Und wuerden sie, wenn ich sie mit der Hand
Beruehrte, gleich erkranken, und den Glanz
Verlieren, wie das Flieglein?--Seh', noch schwebt es!
Sag, wuerd' es auch den Sternen weh thun?
--Nein,
Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit
Fuer deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.
--Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand?
--Auch _Er_ nicht: das kann Niemand!
--Das ist Schade!
Ich gaeb so gern dir einen! Wenn ich gross bin,
Dann will _ich so dich lieben das ich's_ kann.
Das Kind schlief ein. Ihm traeumte von Gefuehl,
Von Sternen die es fasste mit der Hand....
Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch traeumte
Auch sie, und dacht' an den der fern war...