Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier
plaats gegeven. Ik wensch geen gelegenheid te verzuimen om den man te
doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy den lezer
eenig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken
over zyn hoofd.
VYFTIENDE HOOFDSTUK
Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge
ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben--de man
had veel kinderen, en geen vermogen--had alzoo liever met den resident
_gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noemde, dan die
ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident
niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft
liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt
op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem
zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een
klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud
ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen
aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad
zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den _Adhipatti_, baden
zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze
geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen,
ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden
in de _Sawahs_ van den Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_
hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht
in een oogenblik van ongegronden wrevel ... ze waren waanzinnig geweest,
en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande
oneerbiedigheid!"
Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te
denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid
om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename
taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht.
De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent
had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met
het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben.
Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer
andere klagers zich by hem aanmeldden? Of--en dit geschiedde
dikwyls--als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken?
Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te
spreken met den resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen,
alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die--dom en
boosaardig dan--telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten
worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige
vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en
den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te
geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er
van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de
macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als
uitvoerder van des Regents willekeur?
Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Daarom zwierven
er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Daarom waren er zooveel
bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongsche_
distrikten! Daarom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden
gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen,
en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de
koelte der wouden van _Bantan Kidoel_?"
Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier
afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend,
angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident ... hy had
geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als
menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te
onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling
gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen
die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te
wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een
aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat
de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te
handhaven ...
Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by
den adsistent-resident terugtekeeren--zooals deze hem 's avends zeggen
liet--en zyn klachte te smoren in 't gele water van den _Tjioedjoeng_,
dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was
overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in
't binnenland aan de haaien in zee?
En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging
by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor
verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering
die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even
gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd
door twyfel, niet aan wat hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_
hy te handelen had?[128]
Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den _Adhipatti_ gesproken
als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held
myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven
maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot
hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe
nog lang daarna die _Patteh_, sprekende met den kontroleur
Verbrugge--nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_
te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was--hoe
die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog
nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129]
Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had
medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken,
vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van
verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op
grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en
dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in
levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten?
Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner
jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en
voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De
ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd
goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der
_Lebaksche_ familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde,
hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk.
Zoo zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en
nog-eens en nog-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met
zachtheid.
En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de
fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent
gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al
te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf
zoo ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te
bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog
van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen.
Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen
waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen
gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur
opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: "zeg den resident,
dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove
dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond
officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb,
wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil
hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130]
Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men
hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld
door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de
personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy
daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer
daarnaast ophield. Want zoo innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy
bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde,
gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls
koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten
over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder
te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die
hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy
wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over
eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide
iets onvriendelyks tot haar ... die toch geen schuld had aan zyn
ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer
was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van
berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de
andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving
gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn
eigen hoofd.
Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze daar moest
zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen ... juist, wanneer hy
behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen
moest laten.
In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem
binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand.
--Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't
binnentreden. Zeer moeielyk!
Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om
optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van
houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur
Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te
voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in
't beantwoorden van die eenvoudige vraag.
Voor eenige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis gebouwd. Nu
is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van
Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn,
zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt
daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het
verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor
verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden
arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden.
Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering
zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend
werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel
gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend
uitzien op 't papier.
Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden
opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe
belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der
arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een
nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven
naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen
Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet
overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil
nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar,
die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak
schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid
schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken
een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging.
Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie
over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft,
moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak
is van geheel iets anders, _van den toestand namelyk der ambtelyke
Indische huishouding_, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een
straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik
gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te
kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg
wilde gaan.
"No 114 _Rangkas-Betoeng_, 15 Maart 1856.
_Aan den Kontroleur van Lebak_.
Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den
16den Februari l.l., No 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht
het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met
in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer No 97.
Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als
billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van
materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van,
het Bestuur.
By uwe missive van 8 dezer, No 6, hebt ge daaraan--en naar ik geloof,
volgens uw beste weten--voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale
kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren
gesteld, den resident heb aangeboden.
Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer,
No 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het
verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853
en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden?
Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u
mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder
moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften
u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling
meermalen uitvoerig bespraken.
Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk.
Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden
brief des residents in de hand, en begon te spreken over de
moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde
by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te
noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder
anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter
bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls
vriendschappelyk waarschuwde.
Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is niet goed. _Half_-waar is
_on_waar.
Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken _volledigen_
eed, doe men zyn vollen plicht.
Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien.
Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want,
afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van
plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker
omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte
om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op
den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer
belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en
waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u
stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd
tot-tyd daarop gezinspeeld.
Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en
hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop
schreef: "_dit alles moge de waarheid zyn, het is niet_ al _de waarheid,
noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper_" stemde gy
dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht_, te eischen
dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt.
Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze,
dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele
anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, _U_ te dwingen zoo
op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel
te zeggen, die niet zoozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding
welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven
hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te
doen dan _half_."
Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn
bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde,
principes te leeren kennen die--tenzy ik dwaal--ten-laatste zullen
zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet
ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er
noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er
te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken
schroom om flink voor een zaak uittekomen.
Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u
voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen _nu_ en
1853 of 1854.
Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van dezen brief zult
opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw
dat ge my genoeg hebt leeren kennen om te weten dat ik niet meer of
minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten-overvloede de
verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder _U_ betreffen, dan de
_school_ waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt.
Deze _circonstance attenuante_ zou echter vervallen wanneer ge,
langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende,
voortgingt den slender te volgen waartegen ik my verzet.
Ge hebt opgemerkt dat ik my van het "_Uweledelgestrenge_" heb
ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze "weledelheid"
en waar 't noodig is onze "gestrengheid" elders en vooral anders
blyken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur.
_De Adsistent-resident van Lebak_
MAX HAVELAAR."
Het antwoord op dezen brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers,
en bewees dat hy niet zoo onrecht had, toen hy de "_slechte voorbeelden
van vroegeren tyd_" mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter
verschooning van den Regent.
Ik ben in 't meedeelen van dezen brief den tyd vooruitgeloopen, om reeds
nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van den kontroleur
te verwachten had, zoodra geheel andere, meer belangryke, zaken zouden
moeten genoemd worden by den rechten naam, wanneer reeds deze ambtenaar
die zonder twyfel een braaf mensch was, zoo moest worden toegesproken om
de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout,
steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzoo dat hy niet alleen te
stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf,
maar tevens met de beschroomdheid dergenen die--hoezeer dat misdryf
evenzeer afkeurende als hy--zich niet geroepen of geschikt achtten
daartegen met den vereischten moed optetreden.
Misschien ook zal men na 't lezen van dien brief, eenigszins terugkomen
van de minachting voor de slaafsche onderworpenheid van den Javaan die
in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe
gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zooveel
oorzaak was tot vreeze, zelfs voor den europeschen beambte, die dan toch
geacht kon worden iets minder bloottestaan aan wraak, wat wachtte dan
den armen landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats
geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is
't wonder dat die arme menschen, verschrikt over de gevolgen van hun
stoutheid, die gevolgen zochten te ontwyken of te verzachten door
deemoedige onderwerping?
En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met
een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de _Djaksa_, 't
Inlandsch Hoofd dat by den Landraad het ambt van publieke aanklager
vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars
woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, dien 't was opgedragen den
sluipenden dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die
betrapping vreesde, met zachten tred het huis aan de achterzyde in, na
zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later
hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.
Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit
noodig had zyn kamer binnentetreden om hem optebeuren, als ze zag hoe hy
daar zat met de hand onder 't hoofd?
En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de
schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de medeplichtige
lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen
des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja,
_tegen_ allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat
recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe--als eenmaal
de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen
wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid
--hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de
kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van
Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden
afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem
zooveel dien ouden _Adhipatti_ aanteklagen: dat was de reden van zyn
tweestryd! Want ook aan den anderen kant mocht hy niet toegeven in dezen
weerzin, daar de geheele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht,
evenzeer aanspraak had op medelyden.
Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe
ongaarne in 't algemeen de Regeering een Regent ziet aanklagen, en
hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt den europeschen beambte broodeloos
te maken dan een Inlandsch Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden
om te gelooven dat er juist op dit oogenblik by de beoordeeling van
zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheerschen.
Het is waar dat hy, ook zonder deze meening, evenzeer zyn plicht zou
gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen
grooter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem
aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de
aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde--als hy
in 't eind zou moeten overgaan tot ernstigen stryd tegen 't onrecht--zich
te moeten spenen van 't ridderlyk genoegen dien stryd te hebben aangevangen
als de zwakste.
Ja, dit _vreesde_ hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regeering een
Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een
eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze meening hem van
strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou
weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aantegrypen op een
oogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide
immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naif
was by al zyn scherpte?
Laat ons trachten optehelderen hoe Havelaar tot die meening gekomen was.
* * * * *
Zeer weinig europesche lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van
de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mensch, om niet
beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet
als een te streng oordeel wanneer ik de meening aankleef dat zeer
weinigen, geenen misschien, aan zoo zwaren eisch hebben kunnen
beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen
die daartoe noodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende
hoogte waarop zoo eensklaps de man wordt geplaatst, die--gisteren nog
eenvoudig burger--heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die
voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven
uittesteken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal,
opgeheven boven een menigte, oneindig grooter dan de kleine kring die hem
vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten-
onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan
de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan
de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van
diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van
gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone
sterkte.
Indien alzoo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-generaal
veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van denzulken die
uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van
personen die reeds voor die benoeming leden aan veel gebreken? En al
stellen we voor een oogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht,
als hy zyn hoogen naam teekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te
wezen van de "_goede trouw, den yver en de bekwaamheden_" des benoemden
Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en
bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die
_bekwaamheid_, by hem bestaat in eene _maat_, hoog genoeg verheven boven
_middelmatigheid_, om aan de eischen van zyn roeping te voldoen.