A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Max Havelaar - Multatuli

M >> Multatuli >> Max Havelaar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst
als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dat
oogenblik de bekwaamheid bezit die noodig zal wezen voor zyn nieuw ambt
... dit is _onmogelyk_! Met de betuiging van vertrouwen op zyn
bekwaamheid kan slechts de meening bedoeld zyn dat hy in een geheel
nieuwen werkkring, op een gegeven oogenblik, by ingeving als 't ware,
weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere
woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en
kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder
personen die in gunste staan by koningen.[132]

Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil over slaan wat er zou
te zeggen vallen van zoo menigen Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn
boek bladzyden intevoegen die 't ernstig doel van dit werk zouden
blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de
byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby maar als
_algemeene_ ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal, meen ik te
mogen opgeven: _eerste stadium_. Duizeling. Wierook-dronkenschap.
Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van
"oudgasten." _Tweede stadium_. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging
tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op den Raad van Indie.
Afhankelykheid van de Algemeene Sekretarie. Heimwee naar een hollandsche
buitenplaats.

Tusschen deze beide stadien in, en als overgang--misschien zelfs als
oorzaak van dien overgang--liggen dyssenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indie me dankbaar zullen wezen voor deze
diagnose. Ze is nuttig toetepassen, want men kan voor zeker houden dat
de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een
mug, later--na de buikziekte!--zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of,
om duidelyker te spreken, dat een beambte die "_geschenken aanneemt,
niet met het doel zich te verryken_"--by-voorbeeld een bos _pisang_
ter-waarde van eenige duiten--met smaad en schande zal worden weggejaagd
in de _eerste_ periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft
het _laatste_ tydperk aftewachten, zeer gerust en zonder eenige vrees
voor straf, zich zal kunnen meester maken van den tuin waar de _pisang_
groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by ... van de huizen die
in den omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog
een-en-ander meer, _ad libitum_.[133]

Ieder doe met deze pathologisch-wysgeerige opmerking zyn voordeel, en
houde myn raad geheim, ter voorkoming van te groote mededinging.

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich moeten
kleeden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om
begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld
myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen
van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te
zoeken by _Figaro_ of _Polichinel_?

Styl ... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is Styl die
aantoonde dat er een _mensch_ in de buurt was, een _mensch_ wien het de
moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl den
armen Havelaar gebaat? _Hy_ vertaalde zyn tranen niet in gegryns, _hy_
spotte niet, _hy_ zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door
de grappen van den uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem
gebaat?

Kon ik schryven zooals hy, ik zou anders schryven dan hy.

Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem
gebaat?

Kon ik spreken zooals hy, ik zou anders spreken dan hy.

Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid,
duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius'
_justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van
bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en
hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar,
onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit?

Styl? _Hy_ had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te verdrinken
in de "ik heb de eers" en de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in-
overweging-gevingen" die den wellust uitmaken van de kleine wereld waarin
hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u
begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het
gerammel hoorde van een blikken tooneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn
denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies
was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over
"rustige rust." En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord--en verstaan vooral!--moet ik anders
schryven dan hy. Maar _hoe_ dan?

Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat _hoe_? en daarom heeft myn
boek een zoo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later
zal ik u geel of blauw of rood geven naar uwen wensch.

Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zoo dikwyls waargenomen by zoo
veel lyders--en vaak _in anima vili_, want er zyn analogische residents-,
kontroleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan
als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden!
--reeds zoo dikwyls had hy dat alles waargenomen, dat hy de verschynselen
daarvan vry-wel kende. Hy had den tegenwoordigen Gouverneur-generaal in
't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste
anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een
andere richting nemen zou.

Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer
hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der
inwoners van _Lebak_.




ZESTIENDE HOOFDSTUK


Havelaar ontving een brief van den Regent van _Tjanjor_, waarin deze hem
meedeelde dat hy een bezoek wenschte te brengen aan zyn oom, den
_Adhipatti_ van _Lebak_. Deze tyding was hem zeer onaangenaam. Hy wist
hoe de Hoofden in de _Preanger Regentschappen_ gewoon waren een groote
weelde ten-toon te spreiden, en hoe de _Tjanjorsche Tommongong_ zulk een
reis niet zou doen zonder een gevolg van vele honderden die allen met
hun paarden moesten geherbergd en gevoed worden. Gaarne alzoo had hy dit
bezoek verhinderd, doch hy peinsde vruchteloos op middelen die 't konden
voorkomen zonder den Regent van _Rangkas-Betoeng_ te kwetsen, daar deze
zeer trotsch was en zich diep beleedigd zou gevoeld hebben wanneer men
zyn betrekkelyke armoede had opgegeven als beweegreden om hem niet te
bezoeken. En wanneer dit bezoek _niet_ te ontwyken was, zou 't onmisbaar
aanleiding geven tot verzwaring van den druk waaronder de bevolking
gebukt ging.

Het is te betwyfelen of Havelaars toespraak een blyvenden indruk op de
Hoofden gemaakt had. By velen was dit zeker niet het geval, waarop
hyzelf dan ook niet gerekend had. Doch even zeker is 't, dat er een roep
was opgegaan in de dorpen, dat de _toewan_ die gezag had te
_Rangkas-Betoeng_, recht wilde doen, en al hadden dus zyn woorden de
kracht gemist om terugtehouden van misdaad, ze hadden toch aan de
slachtoffers daarvan den moed gegeven zich te beklagen, al geschiedde
dit dan ook slechts schoorvoetend en in 't geheim.

Ze kropen 's avends door den ravyn, en als Tine in haar kamer zat, werd
ze meermalen opgeschrikt door onverwacht geruisch, en ze zag door 't
open venster donkere gedaanten die voorby slopen met schuwen tred.
Weldra schrikte ze niet meer, want ze wist wat het beduidde als die
gestalten zoo spookachtig om 't huis waarden en bescherming zochten by
haren Max! Dan wenkte zy dezen, en hy stond op om de klagers tot zich te
roepen. De meesten kwamen uit het distrikt _Parang-Koedjang_, waar des
Regents schoonzoon Hoofd was, en hoewel dat Hoofd gewis niet verzuimde
zyn aandeel van, 't afgeperste te nemen, was het toch voor niemand een
geheim dat hy meestal roofde uit naam en ten-behoeve van den Regent. Het
was aandoenlyk hoe die arme lieden op Havelaars ridderlykheid
vertrouwden en overtuigd waren dat hy hen niet roepen zou om den
volgenden dag in 't openbaar te herhalen wat ze des nachts of den
vorigen avend in zyn kamer gezegd hadden. Dit toch ware mishandeling
geweest voor allen, en voor velen de dood! Havelaar teekende aan wat ze
zeiden, en daarna gelastte hy de klagers naar hun dorp terugtekeeren. Hy
beloofde dat er recht zou geschieden, mits zy zich niet verzetten, en
niet uitweken zooals 't voornemen was van de meesten. Meestal was hy
kort daarna op de plaats waar 't onrecht geschiedde, ja, vaak was hy
reeds daar geweest en had--gewoonlyk des-nachts--de zaak onderzocht,
voor nog de klager zelf in zyn woonstede was teruggekeerd. Zoo bezocht
hy in die uitgestrekte afdeeling, dorpen die twintig uren verwyderd
waren van _Rangkas-Betoeng_, zonder dat noch de Regent noch zelfs de
kontroleur Verbrugge wisten dat hy afwezig was van de hoofdplaats. Zyn
bedoeling hiermede was, 't gevaar der wraak van de klagers aftewenden en
tevens den Regent de schaamte te besparen van een openlyk onderzoek dat
gewis onder hem niet als vroeger met een intrekking van de klacht zou
afgeloopen zyn. Zoo hoopte hy nog altyd dat de Hoofden zouden
terugkeeren van den gevaarlyken weg dien zy reeds zoolang betraden, en
hy zou in dat geval zich vergenoegd hebben met het vorderen van
schadeloosstelling aan de beroofden ... voor-zoo-ver 't vergoeden der
geleden schade mogelyk wezen zou.

Maar telkens nadat hy op-nieuw met den Regent had gesproken, deed hy de
overtuiging op dat de beloften van beterschap ydel waren, en hy was
bitter bedroefd over 't mislukken van zyn pogingen.

We zullen hem nu eenigen tyd aan die droefheid en zyn moeielyken arbeid
overlaten, om den lezer de geschiedenis te verhalen van den Javaan
_Saidjah_ in de dessah _Badoer_. Ik kies de namen van dat dorp en dien
Javaan uit de aanteekeningen van Havelaar.[134] Er zal daarin spraak zyn
van afspersing en roof, en wanneer men--wat de hoofdstrekking aangaat
--bewyskracht mocht willen ontzeggen aan een verdichtsel, geef ik de
verzekering dat ik in-staat ben de namen optegeven van _twee-en-dertig
personen_ in het distrikt _Parang-Koedjang_ alleen, aan welke in een
maand tyds _zes-en-dertig buffels_ zyn afgenomen ten-behoeve van den
Regent. Of, juister nog, dat ik de namen kan noemen van de twee-en-dertig
personen uit dat distrikt, die zich in een maand _hebben durven beklagen_,
en wier klacht door Havelaar _onderzocht en gegrond bevonden is_.

Er zyn _vyf_ zoodanige distrikten in de afdeeling _Lebak_ ...

Wanneer men nu verkiest aantenemen dat het getal geroofde buffels minder
hoog was in de streken die niet de eer hadden bestuurd te worden door
een schoonzoon van den _Adhipatti_, wil ik dit wel toegeven, hoezeer het
de vraag blyft of niet de onbeschaamdheid van andere Hoofden op even
vaste gronden rustte als hooge verwantschap? Het distriktshoofd,
by-voorbeeld, van _Tjilang-kahan_ aan de Zuidkust kon, by-gebreke van
een gevreesden schoonvader, steunen op de moeielykheid van 't inbrengen
eener klacht, voor arme lieden die _veertig_ tot _zestig_ palen hadden
afteleggen voor zy 's avends zich konden verbergen in den ravyn naast
Havelaars huis. En als men hierby acht geeft op de velen die op weg
gingen om nooit dat huis te bereiken ... op de velen die niet eenmaal
vertrokken uit hun dorp, afgeschrikt als ze waren door eigen
ondervinding of door 't aanschouwen van het lot dat anderen klagers te
beurt viel, dan geloof ik dat men onrecht hebben zou in de meening dat
de vermenigvuldiging met _vyf_ van 't getal gestolen buffels uit een
distrikt, een te hoogen maatstaf opleverde voor wie naar de statistiek
vraagt van 't getal runderen dat elke maand geroofd werd in _vyf_
distrikten, om te voorzien in de behoeften der hofhouding des Regents
van _Lebak_.

En 't waren niet buffels alleen die gestolen werden, noch zelfs was
buffelroof 't voornaamste. Er is--in Indie vooral, waar nog altyd
_heeredienst_ wettelyk bestaat--een geringer maat van onbeschaamdheid
noodig om de bevolking onwettig opteroepen tot onbetaald werk, dan er
vereischt wordt tot het wegnemen van eigendom. Het is gemakkelyker de
bevolking diets te maken dat de Regeering behoefte heeft aan haren
arbeid zonder dien te willen betalen, dan dat ze haar buffels eischen
zou om-niet. En al _durfde_ de vreesachtige Javaan nasporen of de
zoogenaamde _heeredienst_ dien men van hem vordert, overeenstemt met de
bepalingen daaromtrent, dan nog zou hem dit onmogelyk wezen daar de een
niet weet van den ander, en hy dus niet berekenen kan of 't vastgesteld
getal personen tien-ja vyftigvoud overschreden is? Waar dus 't meer
gevaarlyke, het lichter te ontdekken feit wordt uitgevoerd met zulke
stoutheid, wat is er dan te denken van de misbruiken die gemakkelyker
zyn aantewenden en minder gevaar loopen van ontdekking?[135]

Ik zeide, te zullen overgaan tot de geschiedenis van den Javaan
_Saidjah_. Vooraf echter ben ik genoodzaakt tot een der afwykingen die
zoo moeielyk kunnen vermeden worden by 't beschryven van toestanden
welke den lezer geheel vreemd zyn. Ik zal tevens daaruit aanleiding
nemen tot het wyzen op een der beletselen die 't juist beoordeelen van
indische zaken aan niet-indische personen zoo byzonder moeielyk maken.

Herhaaldelyk heb ik van Javanen gesproken, en hoe natuurlyk dit den
europeschen lezer moge toeschynen, toch zal deze benaming als een fout
hebben geklonken in de ooren van wien op Java bekend is. De westelyke
residentien _Bantam, Batavia, Preanger, Krawang_, en een gedeelte van
_Cheribon_--tezamen genomen: _Soendahlanden_ genaamd--worden geacht niet
tot eigenlyk Java te behooren, en om nu niet van de over zee gekomen
vreemdelingen in die gewesten te spreken, de oorspronkelyke bevolking is
inderdaad een geheel andere dan op midden-Java en in den zoogenaamden
Oosthoek. Kleeding, volksaard en taal zyn zoo geheel anders dan meer
oostwaarts, dat de _Soendanees_ of _Orang Goenoeng_[136] van den
eigenlyk gezegden Javaan meer verschilt dan een Engelschman van den
Hollander. Dusdanige verschillen geven dikwyls aanleiding tot
oneenigheid in 't oordeel over indische zaken. Immers wanneer men nagaat
dat Java alleen reeds zoo scherp is afgedeeld in twee ongelyksoortige
deelen, zonder nog te letten op de vele onderdeelen van die splitsing,
kan, men berekenen hoe groot het onderscheid moet wezen tusschen
volkstammen die verder van elkander wonen en zelfs door de zee
gescheiden zyn. Wie nederlandsch Indie alleen kent van Java, kan zich
evenmin een juist denkbeeld vormen van den _Maleier_, den _Amboinees_,
den _Battah_, den _Alfoer_, den _Timorees_, den _Dajak_, den _Boegie_,
of den _Makassaar_, alsof hy nooit Europa verlaten had, en 't is voor
iemand die in de gelegenheid was 't onderscheid tusschen deze volkeren
waartenemen, dikwyls vermakelyk om de gesprekken aantehooren--grappig en
bedroevend tevens, de redevoeringen te lezen!--van personen die hun
kennis der indische zaken opdeden te _Batavia_ of te _Buitenzorg_.
Meermalen heb ik me verwonderd over den moed waarmee, by-voorbeeld een
gewezen Gouverneur-generaal, in de Kamer der Volksvertegenwoordiging,
gewicht tracht bytezetten aan zyn woorden door voorgewende aanspraak op
plaatselyke kennis en ondervinding. Ik stel hoogen prys op wetenschap
die door ernstige studie in 't boekvertrek verkregen is, en vaak stond
ik verbaasd over de uitgebreidheid der kennis van indische zaken, die
sommigen toonen te bezitten zonder ooit indischen grond betreden te
hebben. Zoodra nu een gewezen Gouverneur-generaal blyken geeft zich
zulke kennis te hebben eigen gemaakt op _die_ wyze, behoort men voor hem
den eerbied te gevoelen die 't rechtmatig loon is van veeljarigen
nauwgezetten vruchtbaren arbeid. Grooter nog zy die eerbied voor hem dan
voor den geleerde die minder moeielykheden te overwinnen had omdat hy,
op verren afstand _zonder_ aanschouwing, minder gevaar liep te vervallen
in de dwalingen die 't gevolg zyn eener _gebrekkige_ aanschouwing zooals
onmisbaar ten-deel viel aan den gewezen Gouverneur-generaal.

Ik zeide dat ik verwonderd was over den moed dien sommigen by de
behandeling van indische zaken ten-toon spreiden. Zy weten immers dat
hun woorden ook door anderen worden gehoord, dan wie meenen mochten dat
het genoeg is een paar jaren te _Buitenzorg_ te hebben doorgebracht om
Indie te kennen. Het moet hun toch bekend zyn dat die woorden ook
gelezen worden door de personen die in Indie zelf getuigen waren van hun
onbedrevenheid, en die evenzeer als ik verbaasd staan over de stoutheid
waarmee iemand die nog zoo kort geleden vergeefs trachtte zyn
onbekwaamheid wegtesteken onder den hoogen rang dien hem de Koning gaf,
nu zoo op-eenmaal spreekt alsof hy werkelyk kennis droeg van de zaken
die hy behandelt.

Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde inmenging. Telkens
wordt deze of gene richting in de koloniale staatkunde bestreden door
't loochenen der bevoegdheid van hem die zulke richting vertegenwoordigt,
en misschien ware het niet onbelangryk een gezet onderzoek intestellen
naar de eigenschappen die iemand bevoegd maken om ... bevoegdheid te
beoordeelen. Meestal wordt een belangryke vraag getoetst, niet aan de
zaak waarover ze handelt, maar aan de waarde welke men toekent aan de
meening van den man die daarover 't woord voert, en daar dit meestal de
persoon is die doorgaat voor een _Specialiteit_, by-voorkeur iemand "die
in Indie een zoo gewichtige betrekking heeft bekleed" volgt hieruit dat
de slotsom eener stemming meestal de kleur draagt van de dwalingen die
nu eenmaal schynen te kleven aan "die gewichtige betrekkingen." Indien
dit reeds geldt waar de invloed van zoodanige specialiteit slechts wordt
uitgeoefend door een lid der Volksvertegenwoordiging, hoe groot wordt
dan niet de voorbeschikking tot verkeerd oordeelen, als zulke invloed
gepaard gaat met het vertrouwen des Konings die zich dwingen liet zulk
een specialiteit aan 't hoofd van zyn Ministerie van Kolonien te plaatsen.

Het is een eigenaardig verschynsel--wellicht voortspruitende uit een
soort van traagheid die de moeite van 't zelf oordeelen schuwt--hoe
licht men vertrouwen schenkt aan personen die zich den schyn weten te
geven van meerder kennis, zoodra slechts die kennis kan geput wezen uit
bronnen die niet voor ieder toegankelyk zyn. De oorzaak ligt misschien
hierin, dat de eigenliefde minder gekwetst wordt door 't erkennen van
zoodanig overwicht, dan 't geval wezen zou wanneer men van dezelfde
hulpmiddelen had kunnen gebruik maken, waardoor iets als wedyver
ontstaan zou. Het valt den Volksvertegenwoordiger gemakkelyk zyn
gevoelen optegeven, zoodra 't bestreden wordt door iemand die geacht kan
worden een juister oordeel te vellen dan het zyne, wanneer slechts zulke
veronderstelde meerdere juistheid niet behoeft te worden toegeschreven
aan persoonlyke meerderheid--waarvan de erkenning moeielyker vallen
zou--doch alleen aan de byzondere omstandigheden waarin zoodanige
tegenstander verkeerd heeft.

En zonder te spreken van hen "die zulke _hooge betrekkingen_ in Indie
vervulden" het is inderdaad vreemd hoe men meermalen waarde toekent aan
de meening van personen die volstrekt niets bezitten wat die toekenning
rechtvaardigt dan de "herinnering aan een zooveeljarig verblyf in die
gewesten." Dit is te meer zonderling omdat zy die gewicht hechten aan
dusdanigen bewysgrond, toch niet gereedelyk alles zouden aannemen wat
hun by-voorbeeld zou gezegd worden over de huishouding des nederlandschen
staats, door ieder die aantoonde dat hy veertig of vyftig jaren in
Nederland gewoond had. Er zyn personen die byna even zooveel tyd in
Nederlandsch-Indie doorbrachten, zonder ooit in aanraking gekomen te zyn,
noch met de bevolking, noch met inlandsche Hoofden, en 't is bedroevend,
dat de Raad van Indie zeer dikwyls geheel of grootendeels uit zoodanige
personen is samengesteld, ja dat men zelfs middel heeft gevonden, den
Koning benoemingen te laten teekenen tot Gouverneur-generaal, van iemand
die tot _deze_ soort van specialiteiten behoorde.[137]

Toen ik zeide dat de veronderstelde bekwaamheid van een nieuwbenoemden
Gouverneur-generaal moest geacht worden de meening intesluiten dat men
hem voor een genie hield, was myn bedoeling geenszins het benoemen van
genien aantepryzen. Buiten het bezwaar toch dat er liggen zou in 't
gedurig onvervuld laten van een zoo gewichtige betrekking, pleit nog een
andere reden hiertegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het
Ministerie van Kolonien, en dus als Gouverneur-generaal onbruikbaar
wezen ... zooals genien wel meer zyn.

Het ware misschien te wenschen dat de door my in den vorm eener
ziektegeschiedenis opgegeven hoofdfeilen de aandacht trokken dergenen
die tot de keuze van een nieuwen Landvoogd geroepen zyn. Op den
voorgrond stellende dat al de personen die daarvoor worden in aanmerking
gebracht, rechtschapen zyn, en in 't bezit van een bevattingsvermogen
dat hen eenigermate zal in-staat stellen te leeren wat ze zullen moeten
weten, houd ik 't voor hoofdzaak dat men met eenig gegrond vertrouwen
van hen de vermyding kunne verwachten van die aanmatigende betwetery in
't begin, en vooral van die apathische slaperigheid in de laatste jaren
van hun bestuur. Ik heb er reeds op gewezen dat Havelaar in zyn
moeielyken plicht meende te kunnen steunen op de hulp van den
Gouverneur-generaal, en ik voegde er by "dat deze meening naief was."
Die Gouverneur-generaal wachtte zyn opvolger: de rust in Nederland
was naby!

We zullen zien wat deze neiging tot slaap berokkend heeft aan de
_Lebaksche_ Afdeeling, aan Havelaar, en aan den Javaan _Saidjah_, tot
wiens eentonige geschiedenis--een onder zeer velen!--ik thans overga.

Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werkzaamheid
der mier die haar bydrage tot den wintervoorraad moet opslepen tegen den
aardkluit--voor haar een berg--die er ligt op den weg naar de
voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer
te beproeven of ze eindelyk vasten voet zou kunnen zetten op dat
steentje daar-boven ... op de rots die den berg kroont. Maar tusschen
haar en dien top is een afgrond die moet worden omgetrokken ... een
diepte die duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zy, die
nauwlyks kracht heeft haar last voortteslepen op gelyken grond--een last
vele malen zwaarder dan eigen lyf--dien omhoog heffen, en zich overeind
houden op een bewegelyke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze zich
opricht met haar vracht tusschen de voorpooten. Ze moet die omslingeren
in schuinsche richting naar-boven, om ze te doen neerkomen op de punt
die uitsteekt aan den rotswand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwykt
... tracht zich te houden aan den half ontwortelden boomstam die met zyn
kruin naar de diepte wyst--een grasspriet!--ze mist het steunpunt dat ze
zoekt: de boom slingert terug--de grasspriet wykt onder haren tred--ach,
de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is zy een oogenblik
stil, wel een sekonde ... dat lang is in het leven van een mier. Zou ze
verdoofd wezen van pyn door haar val? Of geeft ze toe in wat droefheid
dat zooveel inspanning ydel was? Maar ze verliest den moed niet. Weder
grypt ze haren last, en weder sleept zy dien naar-boven, om straks
nogeens, en nogeens, neertevallen in de diepte.

Zoo eentonig is myn verhaal. Maar ik zal niet spreken van mieren, welker
vreugde of leed door de grofheid onzer zintuigen aan onze waarneming
ontsnapt. Ik zal verhalen van menschen, van wezens die gelyke beweging
hebben als wy. 't Is waar, wie aandoening schuwt en vermoeiend
mede-lyden ontgaan wil, zal zeggen dat die menschen geel zyn, of
bruin--velen noemen ze zwart--en voor dezulken is 't verschil van kleur
beweegreden genoeg om hun oog aftekeeren van die ellende, of ten-minste
als zy er op neerzien, daarop neertezien zonder aandoening.

Myn vertelling is dus alleen gericht aan hen die in-staat zyn tot het
moeielyk geloof dat er harten kloppen onder die donkere opperhuid, en
dat, wie gezegend is met blankheid en de daarmee samengaande beschaving,
edelmoedigheid, handels- en Godskennis, deugd ... zyn blanke
hoedanigheden zou kunnen aanwenden op andere wyze dan tot nog toe
ondervonden werd door wie minder gezegend zyn in huidskleur en
zielevoortreffelykheid.

Myn vertrouwen op medegevoel met de Javanen gaat echter niet zoo ver,
dat ik by de beschryving hoe men den laatsten buffel rooft uit den
_kendang_[138] by-dag, zonder schroom, onder bescherming van 't
nederlandsch gezag ... als ik 't weggevoerd rund laat volgen door den
eigenaar en zyn schreiende kinderen ... als ik hem laat neerzitten op
den trap van 't huis des roovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken
in smart ... als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met
bedreiging van rottingslag en blokgevangenis ... zie, ik eisch
niet--noch verwacht, o Nederlanders!--dat ge daardoor zult aangegrepen
zyn in gelyke maat als wanneer ik u het lot schetste van een boer wien
men zyn koe ontnam. Ik vraag geen traan by de tranen die er vloeien op
zoo donkere gezichten, noch edelen toorn als ik zal spreken van de
vertwyfeling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en
met myn boek in de hand tot den Koning gaan, en zeggen: "zie, o Koning,
dat geschiedt in _uw_ Ryk, in uw schoon ryk van Insulinde!"


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30