Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
Neen, neen, neen, dat alles verwacht ik niet! Te veel leeds in de
nabyheid maakt zich meester van uw gevoel, om u zoo veel gevoels
overtelaten voor wat zoo ver is! Worden niet al uw zenuwen in spanning
gehouden door de akeligheid der keus van een nieuw Kamerlid? Dobbert
niet uw verscheurde ziel tusschen de wereldberoemde verdiensten van
Nietigheid A en Onbeduidendheid B? En hebt ge niet uw dure tranen noodig
voor ernstiger zaken dan ... maar wat hoef ik meer te zeggen! Was er
niet gister slapte op de beurs, en dreigde niet ietwat overvoer de
koffimarkt met daling?
* * * * *
"Schryf toch zulke zinnelooze dingen niet aan je papa, Stern!" heb ik
gezegd, en misschien zei ik 't wat driftig, want ik kan geen onwaarheid
lyden, dit is altyd een vast principe van me geweest. Ik heb dien avend
terstond aan den ouden Stern geschreven dat hy haast moest maken met zyn
orders, en vooral zich in-acht nemen tegen valsche berichten, want de
koffi staat heel goed.
De lezer gevoelt wat ik by 't aanhooren van die laatste hoofdstukken
weer heb uitgestaan. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje
gevonden, en dat neem ik voortaan mee naar den krans. Had ik niet gelyk,
toen ik zei dat die Sjaalman allen had gek gemaakt met zyn pak? Zou men
in al dat geschryf van Stern--en Frits doet ook mee, dit is
zeker!--jongelieden herkennen, die opgebracht worden in een deftig huis?
Wat zyn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte, die zich openbaart in
't verlangen naar een buitenplaats? Is dat op my gemunt? Mag ik niet
naar Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt van
buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast
principe van me, altyd bedaard te blyven--want ik houd dit voor nuttig
in de zaken--maar ik moet erkennen, dat het me dikwyls veel moeite
kostte, by 't aanhooren van al de gekheid die Stern voorleest. Wat wil
hy toch? Wat moet het eind zyn? Wanneer komt er nu eindelyk iets
degelyks? Wat gaat het my aan, of die Havelaar zyn tuin schoon houdt,
en of de menschen voor of achter by hem binnenkomen? By Busselinck en
Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een oliepakhuis, waar
't altyd heel vuil is. En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze
buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en
toch ben ik tevreden. Er zyn menschen die altyd klagen. En wat dat
schimpen op gedwongen arbeid aangaat, men ziet wel dat hy de preek van
dominee Wawelaar niet gehoord heeft, anders zou hy weten hoe nuttig dat
werken is voor de uitbreiding van 't Godsryk. 't Is waar, hy is
luthersch.
O, zeker, als ik had kunnen gissen _hoe_ hy 't boek schryven zou, dat
zoo gewichtig worden moet voor alle makelaars in koffi--en anderen--had
ik 't liever zelf gedaan. Maar hy heeft een steun in de Rosemeyers, die
in suiker doen, en dit maakt hem zoo boud. Ik heb ronduit gezegd--want
ik ben oprecht in die dingen--dat wy de geschiedenis van dien _Saidjah_
wel kunnen missen, maar daar begon op-eens Louise Rosemeyer tegen my
optestaan. Het schynt dat Stern haar gezegd heeft dat er van liefde zou
inkomen, en daar zyn zulke meisjes dol op. Ik zou me echter hierdoor
niet hebben laten afschrikken, als maar niet de Rosemeyers me gezegd
hadden, gaarne kennis te willen aanknoopen met Sterns vader. Dit is
natuurlyk om door den vader te komen tot den oom, die in suiker doet.
Als ik nu te sterk party trek voor 't gezond verstand tegen den jongen
Stern, laad ik den schyn op my, alsof ik hen van hem wil aftrekken, en
dit is volstrekt het geval niet, want ze doen in suiker.
Ik begryp volstrekt Sterns bedoeling niet met zyn geschryf. Er zyn altyd
ontevreden menschen, en staat het hem nu fraai, hy die zooveel goeds
geniet in Holland--van de week nog heeft myn vrouw kamillenthee voor hem
gezet--om te schimpen op de Regeering? Wil hy daarmee de algemeene
ontevredenheid aanvuren? Wil _hy_ Gouverneur-generaal worden? Hy is er
verwaand genoeg toe ... om het te _willen_, meen ik. Ik vroeg hem dit
eergister, en zei er ronduit by, dat zyn hollandsch nog zoo gebrekkig
was. "O, dit is geen bezwaar, antwoordde hy. Er schynt maar zelden een
Gouverneur-generaal daarheen gezonden te worden, die de taal van 't land
verstaat." Wat moet ik nu doen met zoo'n wysneus? Hy heeft niet den
minsten eerbied voor myn ondervinding. Toen ik hem van de week zei dat
ik reeds zeventien jaar makelaar was, en al twintig jaar de beurs
bezocht, haalde hy Busselinck & Waterman aan, die al achttien jaar
makelaars zyn, en, zeide hy "die hebben dus een jaar ondervinding meer."
Zoo ving hy me, want ik moet erkennen, omdat ik van de waarheid houd,
dat Busselinck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het
knoeiers zyn.
Marie is ook in de war. Verbeeld u, dat ze van de week--het was haar
beurt van voorlezen aan 't ontbyt, en we waren aan de geschiedenis van
Loth--op eens stilhield en niet verder lezen wilde. Myn vrouw, die
evenzeer als ik op godsdienst gesteld is, trachtte haar met zachtheid
tot gehoorzaamheid overtehalen, omdat het toch voor een zedig meisje
niet past, zoo hoofdig te wezen. Alles vergeefs! Toen moest ik als vader
met groote strengheid haar beknorren, omdat ze door haar hardnekkigheid
de stichting van 't ontbyt bedierf, wat altyd slecht werkt op den heelen
dag. Maar er was niets aan te doen, en ze ging zoover, dat ze zeide,
liever doodgeslagen te willen worden dan voorttelezen. Ik heb haar
gestraft met drie dagen kamerarrest op koffi en brood, en hoop dat het
haar goed zal doen. Om tevens die straf te doen strekken tot zedelyke
verbetering, heb ik haar gelast, het kapittel dat ze niet lezen wilde,
tien maal afteschryven, en ik ben tot deze strengheid vooral overgegaan,
omdat ik bemerkt heb dat ze in den laatsten tyd--of 't van Stern komt,
weet ik niet--begrippen heeft aangenomen, die me gevaarlyk voorkomen
voor de zedelykheid, waarop myn vrouw en ik zoo byzonder gesteld zyn. Ik
heb haar onder anderen een fransch liedje hooren zingen--van _Beranger_,
geloof ik--waarin een arme oude bedelaarster beklaagd wordt, die in haar
jeugd op een theater zong, en gister was zy aan 't ontbyt zonder korset
--Marie, meen ik--dat toch niet fatsoenlyk is.
Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft thuisgebracht van den
bidstond. Ik was redelyk tevreden geweest over zyn stilzitten in de
kerk. Hy verroerde zich niet, en wendde geen oog van den preekstoel,
maar later vernam ik dat Betsy Rosemeyer in 't doophek had gezeten. Ik
heb er niets van gezegd, want men moet voor jongelieden niet al te
streng zyn, en de Rosemeyers zyn een fatsoenlyk huis. Ze hebben aan hun
oudste dochter die met Bruggeman in drogeryen getrouwd is, iets heel
aardigs meegegeven, en daarom geloof ik dat zoo-iets Frits van de
Westermarkt afhoudt, wat me heel aangenaam is, omdat ik zoo op
zedelykheid gesteld ben.
Maar dit belet niet, dat het me ergert, Frits zyn hart te zien
verharden, even als Pharao, die minder schuldig was dan hy, omdat hy
geen vader had die hem zoo gedurig den rechten weg wees, want van den
ouden Pharao zegt de Schrift niets. Dominee Wawelaar klaagt over zyn
verwaandheid--van Frits, meen ik--op de katechisatie, en de jongen
schynt--uit dat pak van Sjaalman alweer!--een neuswyzigheid gehaald te
hebben, dat den gemoedelyken Wawelaar dol maakt. Het is aandoenlyk hoe
de waardige man, die dikwyls koffi by ons drinkt, by Frits op 't gevoel
tracht te werken, en hoe de kwajongen telkens nieuwe vragen gereed
heeft, die de weerbarstigheid van zyn gemoed aantoonen ... 't komt alles
uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel op de wangen,
tracht de yverige dienaar des Evangeliums hem te bewegen, aftezien van
de wysheid naar den mensch, om te worden ingeleid in de geheimenissen
der wysheid Gods. Met zachtheid en teederheid smeekt hy hem, toch niet
te verwerpen het brood des eeuwigen levens, en dusdoende te vervallen in
de klauwen van Satan, die met zyn engelen het vuur bewoont, dat hem
bereid is tot in eeuwigheid. "O, zeide hy gisteren--Wawelaar meen ik--o,
jonge vriend, open toch de oogen en de ooren, en hoor en zie wat de Heer
u geeft te zien en te hooren door myn mond. Let op de getuigenissen der
heiligen die gestorven zyn voor 't ware geloof! Zie Stefanus, als hy
nederzinkt onder de keien die hem verpletteren! Zie, hoe nog zyn blik
ten hemel is gericht, en hoe nog zyn tong psalmzingt ...
"Ik had liever weerom gegooid!" zei Frits daarop. Lezer, wat moet ik met
dien jongen aanvangen?
Een oogenblik later begon Wawelaar op-nieuw, want hy is een yverig
dienstknecht, en laat niet af van den arbeid. "O, zeide hy, jonge vriend
open toch ... de aanhef was als zooeven. "Maar, ging hy voort, kunt gy
ongevoelig blyven by 't bedenken wat er van u worden zal, als gy eenmaal
zult gerekend worden tot de bokken aan de linkerzyde ...
Daar berstte de deugniet uit in gelach--Frits meen ik--en ook Marie
begon te lachen. Zelfs meende ik iets wat naar lachen geleek, te
bespeuren op 't gelaat van myn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te-hulp
gekomen, ik heb Frits gestraft met een boete uit zyn spaarpot, aan 't
zendelinggenootschap.[139]
Och, lezer dat alles treft me diep. En men zou, by zulk lyden, zich
kunnen vermaken met het aanhooren van vertelsels over buffels en
Javanen? Wat is een buffel in vergelyk met de zaligheid van Frits? Wat
gaan my de zaken aan van die menschen in de verte, als ik vreezen moet
dat Frits door zyn ongeloof myn eigen zaken zal bederven, en dat hy
nooit een flink makelaar worden zal? Want Wawelaar zelf heeft gezegd,
dat God alles zoo bestiert, dat rechtzinnigheid tot rykdom voert. "Zie
maar, zeide hy, is er niet veel rykdom in Nederland? Dat komt door 't
geloof. Is niet in Frankryk telkens moord en doodslag? Dat is omdat ze
daar katholiek zyn. Zyn niet de Javanen arm? 't Zyn heidenen. Hoe langer
de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rykdom er zal komen hier,
en hoe meer armoede daarginder. Dat is Gods wil zoo!"
Ik sta verbaasd over Wawelaars doorzicht in zaken. Want het is de waarheid
dat ik, die stipt op de godsdienst ben, myn zaken zie vooruitgaan van-jaar
tot-jaar, en Busselinck & Waterman, die om God noch gebod geven, zullen
knoeiers blyven hun leven lang. Ook de Rosemeyers, die in suiker doen en
een roomsche meid houden, hebben onlangs weer 27 percent moeten aannemen
uit de massa van een jood die fout was. Hoe meer ik nadenk, hoe verder ik
kom in 't doorgronden van Gods onnaspeurlyke wegen. Onlangs is gebleken
dat er weer dertig millioen zuiver gewonnen is op den verkoop van produkten
die door de heidenen geleverd zyn, en daarby is niet eens gerekend wat ik
daarop verdiend heb, en de vele anderen die van deze zaken leven. Is dit nu
niet alsof de Heer zeide: "ziedaar dertig millioen ter belooning van uw
geloof?" Is dit niet duidelyk de vinger Gods, die den booze laat arbeiden
om den rechtvaardige te behouden? Is dit niet een wenk om voorttegaan op
den goeden weg? Om ginds veel te laten voortbrengen, en hier te volharden
in 't ware geloof? Heet het niet daarom: "bidt en werkt" opdat _wy_ zouden
bidden, en 't werk laten doen door 't zwarte goedje dat geen "Onze Vader"
kent?
O, hoe heeft Wawelaar gelyk, als hy Gods juk zacht noemt! Hoe licht
wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig,
en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie
eens hoe 't met anderen afloopt, die den Heer verlieten? Gisteren heb ik
Sjaalman gezien met zyn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als
spoken. Hy is bleek als de dood, zyn oogen puilen uit, en zyn wangen
staan hol. Zyn houding is gebogen, schoon hy nog jonger is dan ik. Ook
zy was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. Nu,
ik had terstond bemerkt dat zy ontevreden van natuur is, want ik behoef
iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordeelen. Dat komt van de
ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zyde om, en 't was toch
vry koud. Van krinoline was geen spoor. Haar licht japonnetje hing slap
om de knieen, en aan den rand was franje. Hy had zelfs zyn sjaal niet
meer om, en zag er uit alsof 't zomer was. Toch schynt hy nog een soort
van trots te bezitten, want hy gaf iets aan een arme vrouw, die op de
sluis zat--Frits zegt: _brug_, maar wat van steen is zonder een wip,
noem ik _sluis_[140]--en wie zelf zoo weinig heeft, doet zonde als hy
nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat--dit is
een principe van me--want ik zeg altyd, als ik zoo arme menschen zie:
wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in
verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor
de kerk. Zoo behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar
ik ging snel voorby, en keek naar boven, en dacht aan de rechtvaardigheid
van God, die hem toch niet zoo zou laten loopen zonder winterjas, als hy
beter had opgepast en niet lui, pedant en ziekelyk was.
Wat nu myn boek aangaat, moet ik waarlyk den lezer om verschooning
vragen voor de onvergeeflyke wyze, waarop Stern misbruik maakt van ons
kontrakt. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen den eersten
kransavend en de liefdegeschiedenis van dien _Saidjah_. De lezer weet
reeds, welke gezonde begrippen ik over liefde heb ... men denke slechts
aan myn beoordeeling van dat uitstapje naar den Ganges. Dat jonge
meisjes zoo-iets aardig vinden, kan ik wel begrypen, maar 't is my
onverklaarbaar dat mannen van jaren zulke zotheden zonder walg
aanhooren. Ik ben zeker, dat ik op den aanstaanden krans den triolet
vind van myn solitairspel.
Ik zal beproeven niets van dien _Saidjah_ te hooren, en hoop dat de man
gauw trouwt, als _hy_ ten-minste de held is van de liefdehistorie. 't Is
nog al wel van Stern, dat hy vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een
eentonige geschiedenis wezen zal. Zoodra hy dan later aan wat anders
begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't Bestuur,
verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles,
dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te
beoordeelen, moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde, ben ik zelf
in den Haag geweest, en heb met myn vrouw 't Mauritshuis bezocht. Ik ben
daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik
heb den Minister van Financien zien voorbyryden, en we hebben samen
flanel gekocht in de Veenestraat--ik en myn vrouw, meen ik--en nergens
heb ik 't minste blijk bespeurd van ontevredenheid met de Regeering. Die
juffrouw in den winkel zag er tevreden uit, en toen dus in 1848 sommigen
ons trachtten wys te maken dat in den Haag niet alles was zoo als 't
behoorde, heb ik op den krans over die ontevredenheid het myne gezegd.
Ik vond geloof, want ieder wist dat ik by ondervinding sprak. Ook op de
terugreis met de diligence heeft de kondukteur "schep vreugd" geblazen,
en dat zou de man toch niet gedaan hebben, als er zooveel verkeerds was.
Zoo heb ik op alles gelet, en wist dus terstond wat ik te denken had van
al dat morren in 1848.
Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een _toko_ doet in de Oost,
zooals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zoo slecht ging als
Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het
mensch zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen.
Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, dat hy lid
is van den kerkeraad, en dat hy haar een pauwenveeren sigaarkoker heeft
gezonden, dien hy zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont toch
duidelyk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook ziet men
daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te
verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook daar al lui, pedant en
ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zoo arm zyn thuisgekomen, en
hier rondloopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover
ons, is de eenige niet die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In "Polen"
zie ik velen die daar geweest zyn, en waarlyk heel knap in de kleeren
steken. Maar dit begrypt zich, op de zaken moet men passen, ginder zoo
goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in den mond
vliegen: er moet gewerkt worden, wie dat niet wil, is arm en blyft arm,
dat spreekt vanzelf.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141]
_Saidjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen
deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van
_Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen
lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de
_sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan,
en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den
_lombong_ van het huis.
Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de
opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_
bestaat, wat elders niet het geval is.[142]
_Saidjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw
behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saidjah_ die nog een kind was, en
de broertjes en zusjes van _Saidjah_.
Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als
hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat
straf by de wet.
Toen nam _Saidjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader.
De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de
scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy
verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam
te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen
buffel kocht.
_Saidjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen
buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel:
vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche
_kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt.
Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag
naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede
hy is opgegroeid.
Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saidjah_ spoedig weten
inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saidjah_'s aanmoedigende
kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften
van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg
teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan
't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het
terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de
_sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus.
Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind
dat met _Saidjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan
de tusschenliggende grens, juist als ook _Saidjah_ daar was met zyn
ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht
en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van
_Saidjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de
anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede
toespraak.
_Saidjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor
deze buffel aan _Saidjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd
van _Parang-Koedjang_.
_Saidjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee
zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor
achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.
Maar _Saidjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat
de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn
vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy daar was om de
_klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saidjah_'s vader niet had
willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals
de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.
En _Saidjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy
twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want
zyn keel was te nauw als hy slikte.
Men bedenke dat _Saidjah_ een kind was.
De nieuwe buffel leerde _Saidjah_ kennen, en nam in de genegenheid van
't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig
eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht
gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de
nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude
juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn
voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saidjah_ niet meer roemen op
de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de
grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil.
En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er
aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met
zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een
_oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er
_ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.
Eens, in 't veld, riep _Saidjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te
maken. Het dier stond pal. _Saidjah_, verstoord over zoo groote en
vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een
beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal
my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging
spaar van een grove uitdrukking.
_Saidjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat
hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden
waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want
het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop
als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy
blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de
bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ...
"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saidjah_,
vlucht! Daar is een tyger!"
En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op
de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_,
door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden
en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp
_Badoer_, was _Saidjah_ niet by hen.
Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de
anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier
hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ...
_Saidjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige
sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar
door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder
gegaan dan _Saidjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle
stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde,
of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak
over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong
... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en
verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De
aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saidjah_ was gered. Wel
was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143]
Toen deze buffel aan _Saidjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ...
Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.
... toen deze buffel geslacht was, telde _Saidjah_ twaalf jaar, en
_Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had
reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze
teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saidjah_ zeer
treurig gezien.
En ook _Saidjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze
toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind
ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s
broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die
wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zoo ver
indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't
weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had
gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige
vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe
dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht
verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd
weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet
_Saidjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet.
Eenigen tyd daarna vluchtte _Saidjah_'s vader uit het land. Want hy was
zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en
hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn
ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden
nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde
distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige
jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een
zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't
bezit van eigen buffels geweest is. _Saidjah_'s moeder stierf van
verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg
uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_.
Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder
pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de
gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo
onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een
oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere
verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort
daarop stierf.