A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Max Havelaar - Multatuli

M >> Multatuli >> Max Havelaar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy
een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om
naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse--want
knap was hy, dit moet ik erkennen--en hy hield veel van spelen, stoeien
en vechten. Daarom was hy by ons. Terwyl we dus--we waren wel met ons
tienen--vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en
beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken,
werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen.
Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou
aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde.
Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne
gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt,
voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam
optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk
ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening
koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met
de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit
valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien,
ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor
de kraam.

Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de
oogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord ...

--_Plait-il?_ zeide zy.

Ik herstelde my eenigszins, en ging voort:

--_Meenin aeide thea_, en ... dat Egypte een geschenk van den Nyl was.

Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet
op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een
zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de
uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam
afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager
... ik zweefde een oogenblik ... en voor ik recht begreep hoe de zaken
stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch
zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik
wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en
bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De
Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers--we
hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand
in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel
mooi gevonden--jawel! Niemand was daar gebleven om voor _my_ een hand in
't vuur te steken ...

Zoo meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de
achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of
dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn
oogen flikkeren--anders zagen ze flauw--hy gaf den Griek een vuistslag,
en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen
heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met
dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus
niet gezien.

Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zoo aan reukwerk herinnerden, en
hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere
kermissen die man weer met zyn kraam op de Westermarkt stond, ging ik my
altyd elders vermaken.

Daar ik veel van wysgeerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen,
lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de
oogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten
had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt
ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit zoo gebeurd is.
Geloof me, alles in de wereld is goed, zoo als het is, en ontevreden
menschen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck
& Waterman ... maar ik moet voortgaan, want myn boek moet af voor de
voorjaarsveiling.

Ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--was my het weerzien van
dien persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede
konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was,
wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mensch op let, die zoo'n
twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zooveel heeft bygewoond. Ik heb
al wat huizen zien vallen!

Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie,
hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden.
Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde
bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt--dat een zeer
slecht merk is--zoodat ik den toon van ons onderhoud wat flauw blyven
liet. Hy verhaalde my dat hy in Indie was geweest, dat hy getrouwd was,
dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets
belangryks in. By de Kapelsteeg--ik ga anders nooit door die steeg,
omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik--maar ditmaal
wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat
straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit
leidde, en toen zei ik zeer beleefd ... want beleefd ben ik altyd, men
kan nooit weten hoe men later iemand noodig heeft:

--Het was me byzonder aangenaam u weer te zien, m'nheer ... _r_ ... _r_!
En ... en ... en ... ik rekommandeer me! Ik moet hierin.

Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van
myn jas ...

--Beste Droogstoppel, zeide hy, ik heb u iets te vragen.

Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en
wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en
naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zoo'n twintig
jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te
weten hoe laat het is ...

Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd--want beleefd ben ik altyd
--en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet
fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat niemand het
gezien heeft.




DERDE HOOFDSTUK


Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand
geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de
Sjaalman. Hoe hy me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik
dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is
lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door
een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en
die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de
Westermarkt te gaan, als er kramen staan.

Den volgenden dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal
u den brief laten lezen:

_Waarde Droogstoppel!_

Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstoppel_,
omdat ik makelaar ben.

_Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te
doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert_ ...

Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor.

..._en ik wenschte gebruik te maken van uw krediet, om een zaak
tot-stand te brengen, die voor my van groot gewicht is_.

Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen
was?

_Door velerlei omstandigheden ben ik op 't oogenblik eenigszins om
geld verlegen_.

Eenigszins? Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _eenigszins_!

_Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des
levens noodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een
geldelyk oog, niet zooals ik wenschen zou_.

Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy
voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een
instituut doen te Geneve? 't Was najaar, en vry koud ... welnu, hy
woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik dien brief ontving, wist ik
dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord
over den zotten toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen
dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en 't
is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb
ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak
komt niet te-pas. Luister verder:

_Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te
voorzien, heb ik besloten een talent aantewenden, dat, naar ik
geloof, my gegeven is. Ik ben dichter_ ...

Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige menschen daarover denken.

... _en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoeningen in
verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in
myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles eenige opstellen zyn, die
waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist
het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoordeelen
de werken meer naar den gevestigden naam van den schryver, dan naar
den inhoud_.

Juist zooals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe
anders?

_Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder verdienste
is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhandelaars
vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit_ ...

Daar hebben ze groot gelyk in.

... _wat my op die oogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel
overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop
myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting
van voorgisteren_....

Dat noemt hy aanmoedigen!

... _tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een
boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten eener eerste
uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de
keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat
hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien
dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb_ ...

Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed.

... _en als de gaaf van wel zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is
het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou_.

_In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw ouden
schoolmakker_ ...

En zyn naam stond er onder. Maar dien verzwyg ik, omdat ik er niet van
houd, iemand in opspraak te brengen.

Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zoo
op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die
Sjaalman--zoo zal ik hem maar blyven noemen--als de man me by-dag had
gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want
deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en
ik trek het me dus niet aan.

Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het
pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet,
en hy liet niets van zich hooren. Ik dacht dat hy ziek was, of dood,
of zoo-iets.

De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits
was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed
dat een jong mensch in de wereld komt. Anders loopt hy naar de
Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en
gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de
voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gentsch
whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. "Ja, ja, Louise,
riep Betsy Rosemeyer, geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan
't schreien gemaakt."

Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar den
krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zoo-iets wat niet te-pas
komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje bytevoegen, toen
Louise riep:

--Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens
deed!

Wat dan? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't.

Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een
aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer--de Rosemeyers
laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een
schip hebben--mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien
had gemaakt, ook ons vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die
zoo rood zag als een kalkoen. Ik begreep om de wereld niet, wat hy dan
toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was:
de _godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym, en een
epizode uit de bruiloft van Kamacho_, dat de jongens altyd zoo aardig
vinden, omdat er iets van een "brillekiek" in komt. Wat er onder dit
alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar,
zoo'n meisje schreit gauw.

"Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zoo ging het, en Frits begon.
Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers
nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak
van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een
neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in
huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit
dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verantwoorden,
want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid
lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & Co,
Makelaars in koffi, Lauriergracht, No 37_.

Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-een hing. Neen 't
hing niet aan-een. Een jong mensch schreef aan zyn moeder, dat hy
verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd
was--waarin ze groot gelyk had, vind ik--dat hy echter, in weerwil
hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels
duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag noodig is, om dat te
zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren
geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor
Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de
dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik,
meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak
had gevonden van den man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heeren
uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat
Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat
ik heel goed had gehandeld, me van dien man aftehelpen. Straks zult ge
zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solieden aard,
en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van
de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak.

Later vroeg my de uitgever of ik hier niet by voegen wilde, wat Frits
gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud
met zulke dingen.[4] Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen
terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat
die vertelling zoo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is,
en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik.

Moeder, 'k ben wel ver van 't land
Waar me 't leven werd geschonken,
Waar myn eerste tranen blonken,
Waar ik opwies aan uw hand...
Waar uw moedertrouw der ziel
Van den knaap haar zorgen wydde,
En hem liefdryk stond ter-zyde,
En hem ophief als hy viel...
Schynbaar scheurde 't lot de banden
Die ons bonden, wreed van-een..
'k Sta hier wel aan vreemde stranden
Met myzelf en God, alleen...
Maar toch, moeder, wat me griefde,
Wat me vreugd gaf of verdriet,
Moeder, twyfel aan de liefde,
Aan het hart uws zoons toch niet!

't Is nog nauwlyks twee paar jaren
Toen ik 't laatst op gindschen grond
Zwygend aan den oever stond
Om de toekomst in te staren...
Toen ik 't schoone tot my riep
Dat ik van de toekomst wachtte,
En het heden stout verachtte,
En my paradyzen schiep...
Toen, door alle stoornis heen
Die zich opdeed voor myn schreen,
't Hart zich koen een uitweg baande,
En zich droomend zalig waande...

Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel
Hoe gezwind ook ons onttogen,
Onbevatbaar bliksemsnel,
Als een schim voorbygevlogen...
O, hy liet in 't voorwaarts gaan,
Diepe, diepe sporen staan!
'k Proefde vreugde en smart met-een,
'k Heb gedacht en 'k heb gestreden,
'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden:
't Is me als vlogen eeuwen heen!
'k Heb naar levensheil gestreefd,
'k Heb gevonden en verloren,
En, een kind nog kort te-voren,
Jaren in een uur doorleefd!

Maar toch, moeder! wil 't gelooven,
By den Hemel die my ziet,
Moeder! wil het toch gelooven,
Neen, uw kind vergat u niet!

'k Minde een meisje. Heel myn leven
Scheen my door die liefde schoon.
'k Zag in haar een eerekroon,
Als een eindloon van myn streven,
My door God ten doel gegeven.
Zalig door den reinen schat
Die Zyn zorg my toegewogen,
Die Zyn gunst geschonken had,
Dankte ik met een traan in de oogen.
Liefde was met godsdienst een...
En 't gemoed dat opgetogen,
Dankend opsteeg tot den Hoogen,
Dankte en bad voor haar alleen!

Zorgen baarde my die liefde,
Onrust kwelde my het hart,
En ondraaglyk was de smart
Die my 't week gemoed doorgriefde.
'k Heb slechts angst en leed gegaard,
Waar ik 't hoogst genot verwachtte,
En voor 't heil waarnaar ik trachtte,
Was me gif en wee bewaard...

'k Vond genot in 't lydend zwygen!
'k Stond standvastig hopend daar,
Onspoed deed den prys my stygen:
'k Droeg en leed zoo graag voor haar!
'k Telde ramp noch onspoedsslagen,
Vreugde schiep ik in verdriet,
Alles, alles wilde ik dragen...
Roofde 't lot my haar slechts niet!

En dat beeld, _my_ 't schoonste op aarde,
Dat ik omdroeg in 't gemoed
Als een onwaardeerbaar goed,
En zoo trouw in 't hart bewaarde...
_Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen!
En al houdt die liefde stand
Tot de laatste snik van 't leven
Me in een beter vaderland
Eind'lyk haar zal wedergeven...
'k Had _begonnen_ haar te minnen!

Wat is min die eens _begon_,
By de liefde _met_ het leven
't Kind door God in 't hart gedreven
Toen het nog niet staam'len kon?
Toen het aan de moederborst,
Nauw den moederschoot onttogen,
't Eerste vocht vond voor den dorst,
't Eerste licht in moederoogen?

Neen, geen band die vaster bindt,
Vaster harten houdt omsloten,
Dan de band, door God gesloten
Tusschen 't moederhart en 't kind!

En een hart, dat zoo zich hechtte
Aan het schoon dat even blonk,
Dat me niets dan doornen schonk,
En geen enkel bloempje vlechtte...
Zou datzelfde hart de trouw
Van het moederhart vergeten?
En de liefde van de vrouw
Die myn eerste kinderkreten
Opving in 't bezorgd gemoed?
Die my, als ik weende, suste,
Traantjes van de wangen kuste,
Die my voedde met haar bloed?

Moeder! wil het niet gelooven,
By den hemel die my ziet,
Moeder! wil het niet gelooven,
Neen, uw kind vergat u niet!

'k Ben hier ver van wat het leven
Ginds ons zoets en schoons kan geven
En 't genot van de eerste jeugd,
Vaak geroemd en hoog geprezen,
Kan wel hier myn deel niet wezen:
't Eenzaam harte kent geen vreugd.
Steil en doornig zyn myn paden,
Onspoed drukt me diep ter-neer,
En de last my opgeladen
Knelt me, en doet het hart me zeer...
Laat het slechts myn tranen tuigen,
Als zoo menig moed'loos uur
Me in den boezem der Natuur,
't Hoofd zoo treurig neer doet buigen...

Vaak, als my de moed ontzonk,
Is de zucht me schier ontvloden:
"Vader! schenk me by de dooden,
"Wat het leven my niet schonk!
"Vader! geef me aan gene zyde,
"Als de mond des doods my kust,
"Vader! geef me aan gene zyde
"Wat ik hier niet smaakte... _Rust_!"

Maar, bestervend op myn lippen,
Steeg de bee niet tot den Heer...
'k Boog wel bei myn knieen neer,
'k Voelde wel een zucht me ontglippen,
Maar het was: "_nog niet, o Heer!
"Geef my eerst myn moeder weer!_"




VIERDE HOOFDSTUK


Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het
is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy
_schwaermt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem
aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik
ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie
zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern,
meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een
fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_!

Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik
Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet
weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en
zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had
geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat
vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding
geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en
dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben,
die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat
fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig
den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken
van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er door--maar:
"dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit
vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook
niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan
huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zoo de zaken by
den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid
gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist"
zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou
--althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen
jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers
meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat
aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen
kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie,
daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de
Residentie Menado_."

Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben--_Lauriergracht, No
37_--en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke
onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met
een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle
begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten,
opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en
alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, ronduit
gezegd--want ik houd van de waarheid--op het denkbeeld kwam dat die
Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel--wat gebeuren kan, daar hy oud
en stuntelig wordt--heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het
spreekt vanzelf dat ik eerst informatien nemen zou naar eerlykheid,
geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik daarvan
zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn
brief aan Ludwig Stern.

Ik wilde voor Frits niet weten dat ik eenig belang begon te stellen in
den inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad
duizelig, toen ik zoo den eenen bundel voor, den anderen na, opnam, en
de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik
vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der
behandelde onderwerpen. Ik erken--want ik houd van de waarheid--dat ik,
die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te
beoordeelen, maar, ook zonder deze beoordeeling, de lyst der opschriften
alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschiedenis van den Griek verteld
heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd eenigszins ben gelatinizeerd
geworden, en hoezeer ik my in korrespondentie onthoud van alle citaten
--wat op een makelaars kantoor ook niet te-pas komen zou--dacht ik echter
by het zien van dat alles: _multa, non multum_. Of: _de omnibus aliquid,
de toto nihil_.

Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekeren
aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aantespreken,
dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk
wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op
de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een groote soliditeit
in zyn redeneeringen aan den dag legde.

Ik vond daar verhandelingen en opstellen:


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30