A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Max Havelaar - Multatuli

M >> Multatuli >> Max Havelaar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saidjah_, weet ik
niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig,
en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en
gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel
geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_.

_Saidjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_
vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen
in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel
heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem
een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk
iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel
zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was,
had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige
bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld
kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht
lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in
den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en
deelde haar zyn plan mede.

--Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te
trouwen, en we zullen twee buffels hebben!

--Heel goed, _Saidjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt.
Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en
heel vlytig zyn al dien tyd.

--O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind?

--_Saidjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn
vader heeft me toegezegd aan uw vader.

--En jyzelf?

--Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!

--Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ...

--Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?

--Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het
_djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.

--Maar, _Saidjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te
wachten by den _ketapan_?

_Saidjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide:

--Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan
rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke
nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den
dag die daarop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, daar
te zyn?

--Ja, _Saidjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als
je terugkomt.

Nu scheurde _Saidjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer
versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't
bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_.

Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet
de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de
adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat
daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan,
en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele
huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saidjah_ had
nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar
's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den
volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy
den grooten _toedoeng_, droeg dien zyn vader hem had achtergelaten.

Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy
rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men
stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar
een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen
verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag
tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en
ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou,
haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die
_Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd
geworden omdat hy haar niet zien zou in zoo langen tyd. Den eersten dag,
en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alleen hy was, omdat
zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen
tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten
had dan een, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van
_Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy
had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het
vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zoo
groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by
't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde,
als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van
dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had
alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende
onder dien boom.

Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op
den vreeselyken duur van een dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die
voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem
minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieen, en al
was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die
niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat
zou _Adinda_ zeggen van zoo weinig hart?

Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had
de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was
veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy
vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy
haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nu zou hy niet kalm
wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook
begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om
haar nog eenmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort
geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den
_lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy
meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was
verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk,
dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al had zy een fout
gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen
_Tjipoeroet_ verloren daardoor, en niet door de glasscherf--zoo
ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich
verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dan zoo hard mogen wezen
tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als
ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zoo
groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die
scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik
gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed
dat _Saidjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen
_Adinda_?"

Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige
overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden
binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den
weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn
voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals
Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.

"Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met
myn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe
water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal
het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken
omdat hy _mata-glap_ was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout
neervallen op myn lyk.
En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water
werpen om het vuur te dooden.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen
hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder.
Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den
voet, in de struiken, als _Si-oenah_.
Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen
zullen roepen: "zie, daar ligt _Saidjah_! met harde stem.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen
ouderdom, want zyne haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen
om myn lyk staan.
En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk.
En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde
hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.
Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts
tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,
Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens
voortschuiven langs het gras...

Ik zal het hooren."

_Saidjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te
nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Saidjah_ niet verstond.
Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch
spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in
aanraking waren met europesche beschaving. _Saidjah_ leerde spoedig
maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels
die hy koopen wilde, en aan _Adinda_. Hy werd groot en sterk omdat hy
alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in
den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den
koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van
_Saidjah_, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men
verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men
zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van
_Sue_ gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins
_Djalma_ wanneer ze _Saidjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter
dan vroeger hoe de javaansche schilder _Radhen Saleh_ zoo grooten opgang
had gemaakt te Parys.

Maar men vond _Saidjah_ ondankbaar toen by, na byna drie jaren dienst,
zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen
had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en _Saidjah_ ging met een
vroolyk hart op reis.

Hy ging voorby _Pising_, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar
dit wist _Saidjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets
anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy
t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift
van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was,
scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy
voelde dit gaarne ... ik geloof 't wel! Daarin waren dertig
_spaansche-matten_, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou _Adinda_
zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver
beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest
was zeker van fyn uitgesneden _kamoening_, want hy had het met veel zorg
gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de
wrong van den _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van
breede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng_. Het is waar dat de
band kort was: maar ze was zoo slank ... _Adinda_!

En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een
zyden zakje, waarin eenige verdroogde _melatti_.

Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan noodig
was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne
stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op
zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die
streken? Was 't wonder dat hy _Serang_, niet meer zoo voornaam vond, hy
die _Batavia_ had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _Pagger_,
zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die
den veel grooteren heer had gezien, die te _Buitenzorg_ woont en de
grootvader is van den _Soesoehoenan_ van Solo? Was 't wonder dat hy
weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen
en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel_? Dat hy nauwelyks luisterde
toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite
geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens
roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest
ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar
_Rangkas-Betoeng_? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat
de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte
gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd
niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte
dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?

Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht
den _ketapan_-boom in de wolken, te ver nog als hy was om dien te zoeken
by _Badoer_. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de
gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich
_Adinda_'s gelaat, haar hoofd, haar schouder ... hy zag den zwaren
_kondeh_, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in
haar hals ... hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn
... de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy--hoe
was't mogelyk!--haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een
glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de
_kabaai_ ... hy zag hoe de _sarong_, die zyzelf geweven had, haar heupen
nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel
in heerlyke golving op den kleinen voet ...

Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere
tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: "zy wel gekomen, _Saidjah_! Ik
heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst
in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik
onder den _ketapan_, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wel gekomen,
_Saidjah_: ik wil uw vrouw zyn!"

Dat was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te
luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg.

Eindelyk zag hy den _ketapan_. Of liever hy zag een donkere plek die
veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bosch wezen, by
den boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan
van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra
vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy
legde den vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn
_parang_, om den _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn
van _Panteh_'s moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dat was
de _ketapan_ dien hy zocht.

Ja, wel was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had
aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst
geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met
alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Daar had ze hem de
_melatti_ gegeven.

Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de
sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn
wederkomst te _Badoer_. En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou?
En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem
zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg
ware ... zes-en-dertig! En of ze schoone _sarongs_ en _slendangs_ zou
_gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in
zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder,
en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er
toch zou geworden zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware
geweest?

Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster
die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan
haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien
van _Adinda_.

Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds
zou ze daar zyn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag?

Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone
oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met
onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner
liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten daar zyn, wachtende op
hem, hy die zich nu beklaagde--voor den tyd reeds!--dat hy te wachten
had op haar.

Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan,
nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel
verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind
komen zou aan haar heerschappy ... wel vloeiden er vreemde kleuren over
de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper
afstaken op lichteren grond ... wel vloog er hier-en-daar door de wolken
in het oosten iets gloeiends--pylen van goud en van vuur die
heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim--maar ze verdwenen
weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog
altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van _Saidjah_.

Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het
landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_-boschje
waarin _Badoer_ verscholen ligt ... daar sliep _Adinda_.

Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat
_Saidjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen
nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen
waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had
ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den _slendang_ afteweven
waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der
nieuwe maan ...

Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok,
en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin
zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had
zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of
er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder
te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf
manen waren voorbygegaan sedert _Saidjah_ haar zag voor het laatst.

Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met
vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen over de kim, opdat ze
de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ...

Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken,
en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer
schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder
ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun
gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander,
kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot
vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer,
en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat
alles ... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda_!

_Saidjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem
dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de
sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke
taal.

Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam
hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien.
Hy zette zich aan den voet van den _ketapan_, en liet zyn oogen dwalen
over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te
heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar
vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane
smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het
afzyn, liet ook _Saidjah_ zich vermaken door 't weerzien van zoovele
plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of
zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug
op het pad dat van _Badoer_ leidt naar den _ketapan_. Alles wat zyn
zinnen waarnamen, heette _Adinda_. Hy zag den afgrond links, waar de
aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar
hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden--want het is
geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen--en ze hadden zich
neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda_'s vader was de
moedigste geweest ... O, hoe zy in de handen klapte, _Adinda_!

En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de
hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom gevallen,
en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat _Si-Oenah_ nog zoo klein
was" jammerde zy ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als
_Si-Oenah_ grooter geweest ware. Maar klein was hy, dat is waar, want hy
was kleiner en zwakker nog dan _Adinda_ ...

Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar den boom. Straks
zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg!

_Saidjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weersprong
tegen den stam van een _klappa_-boom. Het diertje--de ergernis van den
eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging--klauterde
onvermoeid op-en-neder. _Saidjah_ zag het, en dwong zich er naar te
blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid
dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend
wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat
er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen
_voorlezen_ in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch
ziehier de vertaling:

"Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt
Op den _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts,
Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder:
Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel.

Veel geluk, myn _badjing_, ik wensch u heil!
Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt...
Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
Wachtende op levensonderhoud van myn hart.

Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd...
Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje...
Maar nog altyd is myn ziel
En myn hart bitter bedroefd.. _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
_ketapan_.

_Saidjah_'s oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het
begon warm te worden.

"Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.
Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem.
Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der _kenari_.
Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde.

Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil!
Ge zult gewis vinden wat gy zoekt...
Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
Wachtende op wat myn hart liefheeft.

Reeds lang heeft de vlinder gekust
Den _kenari_-bloesem die hy zoozeer bemint...
Maar nog altyd is myn ziel
En myn hart bitter bedroefd... _Adinda_!"

En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom.

De zon begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.

"Zie, hoe de zon schittert daar omhoog,
Hoog boven den _waringi_-heuvel!
Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen,
Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.

Veel geluk, o zon, ik wensch u heil!
Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden...
Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
Wachtende op rust voor myn hart.

Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen,
En slapen in de zee, als alles duister is...
En nog altyd zal myn ziel
En myn hart bitter bedroefd zyn.... _Adinda_!

Nog was er niemand op den weg die er leidt van _Badoer_ naar den
_ketapan_.


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30