Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
"Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,
Als de sterren niet meer zullen schitteren,
Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen,
Als er niet langer bedroefde harten zyn,
Noch wild gedierte in het woud...
Als de zon verkeerd zal loopen,
En de maan vergeten wat oost en west is...
Als dan _Adinda_ nog niet gekomen is,
Dan zal een engel met blinkende vleugelen
Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.
Dan zal myn lyk hier liggen onder den _ketapan_...
Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda_!"
Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
_ketapan_.
"Dan zal myn lyk door den engel gezien worden.
Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger:
"Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten,
Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem.
Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen,
Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was.
Gewis, hy mag niet daar achterblyven,
Wiens hart de kracht had zoo te beminnen!"
Dan zal nog eens myn verstyfde mond zich openen
Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft...
Nog eenmaal zal ik de _melatti_ kussen
Die zy me gaf... _Adinda_... _Adinda_!"
En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
boom.
O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't
waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker
had ze niet geslapen sedert weken: zoo was het!
Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er
twyfel was aan haar komst?
Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man
was te ver. En bovendien _Saidjah_ wilde niet spreken _over Adinda_,
niet vragen _naar Adinda_ ... hy wilde haar weerzien, haar alleen, haar
het eerst! O zeker, zeker zou ze nu spoedig komen!
Hy zou wachten, wachten ...
Maar als ze ziek was, of ... dood?
Als een aangeschoten hert vloog _Saidjah_ 't pad op, dat van den
_ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en
hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden
menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "_Saidjah_,
_Saidjah_!"
Maar ... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te
vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het
dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't
hoofd omdat hy haar huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar
weer was hy aan den ingang, en--myn God, was 't een droom?--weer had hy
_Adinda_'s huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal
bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den
waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik
ben dronken!"
En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis
den armen _Saidjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat
hy _Adinda_'s huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in
het dorp Badoer.
Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjan_ den buffel van
_Adinda_'s vader had weggenomen ...
Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.
... toen was _Adinda_'s moeder gestorven van verdriet. En haar jongste
zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En
_Adinda_'s vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet
betaalde ...
Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is!
... _Adinda_'s vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_
meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van
_Saidjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy
_Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet
gegaan naar _Buitenzorg_, noch naar _Krawang_, noch naar de _Preanger_,
noch naar de _Bataviasche Ommelanden_ ... hy was gegaan naar
_Tjilang-kahan_, het distrikt van _Lebak_, dat aan de zee grenst. Daar
had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van
_Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog eenige
anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ beroofd waren
van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten
niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een
visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd,
en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt_. Vanhier waren
zy noordwaarts gestevend tot ze _Tanahitam_ voor zich zagen, dat de
europesche zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland
omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de
_Keizersbaai_, zich richtende op den hoogen piek in de _Lampongs_. Zoo
althans was de weg dien men elkander fluisterend voorzei in 't
_Lebaksche_, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en
onbetaalde landrenten.
Maar de verbysterde _Saidjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide.
Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was
een gegons in zyn ooren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd.
Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan
zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware
uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te
zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach.
Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen
dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet.
Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy
toonloos zong: "_ik weet niet waar ik sterven zal_" en eenige bewoners
van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de
_boaja's_ van den _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Saidjah_, dien men
voor zinneloos hield.
Maar zinneloos was hy niet.
Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de
_baleh-baleh_, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar
_Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er
zooveel huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen
aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte
vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt
op vuurtorens of uitstekende bergpunten.
Ja, daar moest het zyn ...daar had _Adinda_ gewoond!
Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen
dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk,
hy vond nog iets terug van den opstaanden _Pagger_ waarnaast _Adinda_'s
baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in dien _pagger_ nog de
bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen
legde ...
Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot
stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en
ademde zeer diep ...
Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar
't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda_'s huis? De
vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om
dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan _Saidjah_ kon
aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy
daarop twee en dertig ingekorven strepen ...
Toen gaf hy die vrouw zooveel _Spaansche-matten_ als noodig was tot het
koopen van een buffel, en verliet _Badoer_. Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy
een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de
_Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het
nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om
te stryden zoozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van
aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid.
Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy
rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en
dus in brand stond.[146] _Saidjah_ wist dat de bende die daar vernietigd
was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook
waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond
het lyk van _Adinda_'s vader met een _klewang_-bajonetwonde in de borst.
Naast hem zag _Saidjah_ de drie vermoorde broeders van _Adinda_,
jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van
_Adinda_, naakt, afschuwelyk mishandeld ...
Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond
die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling ...
Toen liep _Saidjah_ eenige soldaten te-gemoet, die met geveld geweer de
laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen.
Hy omvademde de breede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met
kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen
de gevesten stuitten tegen zyn borst.
En weinig tyds later was er te _Batavia_ groot gejubel over de nieuwe
overwinning die weer zooveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't
nederlandsch-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland
dat de rust in de _Lampongs_ hersteld was. En de Koning van Nederland,
voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zooveel heldenmoed
met vele ridderkruisen.
En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der
vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat "de Heer der
heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland ...
"Maar God, met zooveel wee begaan,
Nam de offers van dien dag niet aan!"[147]
* * * * *
Ik heb 't slot der geschiedenis van _Saidjah_ korter gemaakt, dan ik had
kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs.
De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de beschryving van het
wachten onder den _ketapan_, als schrikte ik terug voor de treurige
ontknooping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch
was dit myn voornemen niet, toen ik begon over _Saidjah_ te spreken.
Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren noodig te hebben om den
lezer te treffen by 't beschryven van zoo vreemde toestanden. Gaande-weg
echter gevoelde ik dat het een beleediging voor myn publiek wezen zou,
te gelooven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery.[148]
Toch had ik dit kunnen doen, want ik heb stukken voor my liggen ... doch
neen: liever een bekentenis.
Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of _Saidjah_ _Adinda_ lief had.
Niet of hy naar _Batavia_ ging. Niet of hy in de _Lampongs_ werd
vermoord met nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek
ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy _Badoer_
had verlaten zonder pas. Ik weet niet of _Adinda_ de manen telde door
kerven in haar rystblok ...
Dit alles weet ik _niet_!
Maar ik weet _meer_ dan dat alles. Ik weet _en kan bewyzen dat er veel_
Adinda's waren en _veel_ Saidjah's, en dat, _wat verdichtsel is in 't
byzonder, waarheid wordt in 't algemeen_. Ik zeide reeds dat ik de namen
kan opgeven van personen die, zooals de ouders van _Saidjah_ en
_Adinda_, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn
doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor een
vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlandsch
gezag in Indie wordt uitgeoefend, mededeelingen die slechts kracht van
bewys zouden hebben voor wien het geduld had die met aandacht en
belangstelling doortelezen, zooals niet verwacht kan worden van een
publiek dat verstroojing zoekt in zyn lektuur. Daarom heb ik, in-plaats
van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by,
in-plaats van een afschrift _der lyst van diefstallen en afpersingen,
die voor me ligt_[149] getracht een schets te geven van wat er kan
omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet
tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen,
vreezende my te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van
aandoeningen die ik nooit ondervond.
Maar wat de _hoofdzaak_ aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven
wat ik schreef! O, dat men zeide: "ge hebt dien _Saidjah_ verdicht ...
hy zong nooit dat lied ... er woonde geen _Adinda_ te _Badoer_!" Maar
dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik
zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!
Is er logen in de gelykenis van den barmhartigen Samaritaan, omdat er
misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een
samaritaansch huis? Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen
landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of--om aftedalen tot meer
gelykheid met myn boek--mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak
uitmaakt van de _Negerhut_, omdat er misschien nooit een _Evangeline_
bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk
pleidooi--onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door _strekking_,
en _indruk_--zal men tot haar zeggen: "ge hebt gelogen, de slaven worden
niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek: het is een
roman!" Moest niet ook zy, in-plaats eener optelling van dorre
daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef
der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar
boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een
processtuk? Is 't haar schuld--of de myne--dat de waarheid, om toegang
te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?
En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saidjah_ en zyn liefde heb
geidealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer
weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen
tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die
men "inlanders" noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zulke
bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek,
geeft my een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, "het kwaad dat
gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ de
inlander niet is als uw _Saidjah_ ... er ligt in de mishandeling der
Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen
_Saidjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen
niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus ...
Neen, Minister van Kolonien, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, niet
dat hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet
mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saidjahs_ onder die
bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van
lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die
_niet_ sentimenteel zyn?[150]
By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teekening
van _Saidjah_ verdedigen, maar op staatkundigen bodem geef ik terstond
alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de
groote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om
't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve
dat de mishandeling van den inlander is: VERREGAAND! Zoo toch luidt het
woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door dezen getoond
werd aan den kontroleur Verbrugge: _een nota die voor me ligt_.[149]
Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaar's
voorganger kon zich vergist hebben.
Helaas, als _hy_ zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard
gestraft. Hy is vermoord.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK
't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de
voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis
uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps
wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man
terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich
verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs
het grasveld naar Havelaars huis terug.
"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen
de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te
doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat
vroeger 't hare was:
--Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf
betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was
die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de
keuken?
Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek
die niet ontsnapte aan Havelaars blik.
--Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!
--Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk
maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch
eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?
Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in
haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan ... de weduw
berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het
distriktshoofd te _Parang-Koedjang_ vergiftigd was.
--Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort,
hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking
zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en
schriftelyk ... ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?
Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, _waarvan afschriften voor
my liggen_.[149]
--Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd
vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary
plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de
resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken
tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man
gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam voor 't einde des jaars,
zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in
November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het
middagmaal ten huize van den _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, en werd
kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de
maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die
altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.
--Hebt ge den dokter van _Serang_ laten roepen? vroeg Havelaar.
--Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze
kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet
meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig
te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy
even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen,
en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen
verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot
het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben
tot de keuken.
Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen
huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken
van de keuken "die toch zoo ruim was."
Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den
geneesheer te _Serang_, een verzoek om opgave der verschynselen by
Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in
den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering
gestorven aan een "abces in de lever." Het is me niet gebleken of
zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood
veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de
verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd
gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige
verklaring--omdat de opvatting van 't begrip: _gezondheid_, vooral in
de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is--blyft toch de
gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abces in
de lever" zich gister kon _te-paard_ zetten met het doel om een
bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig
uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam
geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't
beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op
't vermoeden van misdaad.[151]
Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was,
daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te
brengen. Doch wel kan ik bewyzen _dat zyn omgeving hem voor vergiftigd
hield_, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht
te-keer te gaan.
De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg
kortaf:
--Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?
--Dat weet ik niet.
--Is hy vergiftigd?
--Dat weet ik niet, maar ...
--Spreek duidelyk, Verbrugge!
--Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer
Havelaar, en ... en ...
--Welnu? Ga voort?
--Ik ben overtuigd dat hy ... zou vergiftigd geworden zyn als hy langer
hier was gebleven.
--Schryf dat op!
Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. _Zyn verklaring, ligt voor
my!_[149]
--Nog iets. Is 't _waar_ of is 't _niet_ waar dat er gekneveld wordt in
_Lebak_?
Verbrugge antwoordde niet.
--Antwoord, Verbrugge!
--Ik durf niet.
--Schryf 't op, dat je niet durft!
Verbrugge heeft het opgeschreven: _het ligt voor my_.[149]
--Wel! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je
zei me onlangs, toen er spraak was van _vergiftiging_, dat je de eenige
steun was van je zusters te _Batavia_, niet waar? Ligt daarin misschien
de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altyd _halfheid_ noemde?
--Ja!
--Schryf dat op.
Verbrugge schreef het op: _zyn verklaring ligt voor my!_[149]
--'t Is wel, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.
Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met
byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond
hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.
--Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max
naar _Batavia_ ging: ik klaag heden den Regent aan.
En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep
snikkende:
--Neen Max, neen Max, dat doe ik niet ... dat doe ik _niet! Wy eten en
drinken tezamen!_
Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op
neussnuiten als de vrouwen te Arles?
Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef.
Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk
geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate
plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de
zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen
tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby
zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de
pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken
door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen
beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen
opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd
zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de
gelegenheid niet gelaten.[152]
In de afschriften van officieele stukken--afschriften die overigens
letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke--geloof ik de dwaze
titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den
goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering
genoegen nemen.
"No 88. _Geheim. Spoed_. _Rangkas-Betoeng_, 24 Februari 1856.
_Aan den Resident van Bantam_.
Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my
hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de
Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de
bevolking op het stuk van _heerediensten, poendoetan_ en dergelyke.[153]
Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten
zynen-behoeve, menschen liet opkomen, ver boven het hem wettig
toekomend aantal _pantjens_ en _kemits_.[154]
Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren,
en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien
Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het
tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en
te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond
al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte
voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en
in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte
van twee verwanten, de Regenten van _Bandoeng_ en van _Tjanjor_,
althans van den laatsten--die, naar ik meen, reeds met groot gevolg
op weg is--en hy dus meer dan anders in de verzoeking was--en met het
oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de
_noodzakelijkheid_--om door onwettige middelen te voorzien in de
noodige toebereidselen voor dat bezoek.
Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was,
doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.