A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z

- Links

Publishers Newswire Announced Today its Latest List of Books to Bookmark, for Q4/2008
REDONDO BEACH, Calif. -- Publishers Newswire, an online resource for small publishers, as well as lesser known and first-time book authors, has announced its latest quarterly 'Books to Bookmark' list, for Q4/2008. This list is a round-up of new and interesting books which are often missed due to not originating from big name authors, or major New York book publishing houses.

Book, 'Letters From Heroes', captures triumphs of the men and women who served in World War I and II
GILROY, Calif. -- The hardships, struggles, hopes and triumphs of the men and women who served in World War I and World War II is wonderfully captured in 'Letters From Heroes' (ISBN: 978-1-58909-570-0), by Edward T. Cook, a new book just published by Bookstand Publishing. This poignant collection of real letters from real servicemen allow the reader to see things through the eyes of these soldiers and understand their thoughts about war, training, sickness, the enemy and even their food.

In New Book, Mystery of the 6,000 Year Old Science and Art of Astrology Has Been Solved
SAN FRANCISCO, Calif. -- Author of the new book, ASTROMASKS (ISBN: 978-0-615-23386-4), Vijay Rishii Ph.D., announced today that his book reveals the secret code behind the ancient and controversial science of astrology. The author decodes astrology using a new concept of complementary pairs, and gives new meanings to the zodiac signs and their real connection to humans on earth, which has never been done before in the entire history of astrology.

Max Havelaar - Multatuli

M >> Multatuli >> Max Havelaar

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30


MAX HAVELAAR."

Er was te _Buitenzorg_ tot het verleenen van 't gevraagd ontslag niet
zoo langen tyd noodig als er scheen vereischt geweest te zyn voor de
beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een
maand gevorderd, en 't gevraagd ontslag kwam binnen weinig dagen te
_Lebak_ aan.

--Goddank, riep Tine, dat je eindelyk jezelf kunt zyn!

Havelaar ontving geen last om 't Bestuur zyner Afdeeling voorloopig
overtegeven aan Verbrugge, en meende dus zyn opvolger te moeten
afwachten. Deze bleef lang uit omdat hy uit een geheel anderen hoek van
Java komen moest. Na byna drie weken wachtens schreef de gewezen
adsistent-resident van _Lebak_, die echter nog altyd als zoodanig was
opgetreden, den volgenden brief aan den kontroleur Verbrugge:


"No 153 _Rangkas-Betoeng, 15 April 1856_.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.[181]

Het is u bewust dat ik by Gouvernements Besluit van den 4den dezer,
No 4, op myn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst.

Misschien ware ik in myn recht geweest, na de ontvangst van die
beschikking myn betrekking van adsistent-resident terstond
neerteleggen, daar het een anomalie schynt een funktie te vervullen
zonder ambtenaar te wezen.

Ik ontving evenwel geen aanschryving om myn betrekking overtegeven,
en gedeeltelyk uit besef van de verplichting myn post niet te
verlaten zonder behoorlyk afgelost te zyn, gedeeltelyk uit oorzaken
van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van myn opvolger af, in
de meening dat die ambtenaar spoedig--althans deze maand--zou
arriveeren.

Thans verneem ik van u dat myn vervanger nog niet zoo spoedig kan
verwacht worden--ge hebt, meen ik, die tyding te _Serang_ gehoord--en
tevens dat het den resident verwonderde dat ik, in de zeer byzondere
pozitie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het Bestuur aan u te
mogen overdragen.

Niets kon my aangenamer zyn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te
verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan
ik hier deed ... ik die voor deze wyze van dienen ben gestraft met
berisping, met een ruineuze en deshonorante overplaatsing ... met den
last om de arme lieden te verraden die op myn loyauteit vertrouwden
--met de keus alzoo tusschen oneer en broodsgebrek!--dat ik na dit
alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan myn
plicht, en dat de eenvoudigste zaak _my_ zwaar viel, geplaatst als ik
was tusschen myn geweten en de principes van 't Gouvernement waaraan
ik trouw schuldig ben zoolang ik niet ontheven ben van myn ambt.

Deze moeielykheid openbaarde zich vooral by 't antwoord dat ik geven
moest aan _klagers_.

Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rankune
zyner hoofden! Eenmaal had ik--onvoorzichtig genoeg!--myn woord ten
borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't Gouvernement.

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling
gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met myn
zucht voor recht en menschelykheid.

En men ging met klagen voort!

Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 Maart,
daar te zitten als vermeende toevlucht, als machtelooze beschermer.

Het was hartverscheurend de klachten aantehooren over mishandeling,
uitzuiging, armoede, honger ... terwyl ikzelf nu met vrouw en kind
honger en armoede te-gemoet ga.

En ook 't Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme
lieden niet zeggen: "gaat en lydt, want het Bestuur _wil_ dat gy
gekneveld wordt!" Ik mocht myn onmacht niet erkennen, een als ze was
met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van den
Gouverneur-generaal.

Ziehier wat ik antwoordde:

"_Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik
zal den Grooten-Heer spreken over uw ellende_. Hy _is rechtvaardig,
en_ hy _zal u bystaan. Gaat voorloopig rustig naar huis ...verzet u
niet ...verhuist nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop
dat er recht zal geschieden!_"

Zoo meende ik, beschaamd over de schending myner toezegging van hulp,
myn denkbeelden in overeenstemming te brengen met myn plicht omtrent
het Bestuur _dat my nog deze maand betaalt_, en ik zou aldus tot de
komst van myn opvolger zyn voortgegaan, indien niet een byzonder
voorval my heden in de noodzakelykheid bracht aan die dubbelzinnige
verhouding een eind te maken.

Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zy
keerden naar hun woonstede terug. Onder-weg ontmoet hen hun
dorpshoofd. Hy moet ze verboden hebben hun _kampong_ weder te
verlaten, en nam ze--naar men my rapporteert--hun kleederen af, om
hen te dwingen tehuis te blyven. Een hunner ontsnapt, vervoegt zich
_weder_ by my en verklaart: _niet naar zyn dorp te durven terugkeeren_.

Wat ik nu _dien_ man moet antwoorden, weet ik niet!

Ik _kan_ hem niet beschermen ... ik _mag_ hem myn onmacht niet
bekennen ... ik _wil_ 't aangeklaagd dorpshoofd niet vervolgen, daar
zulks den schyn zou meebrengen alsof deze zaak _pour le besoin de ma
cause_ door my was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...

Ik belast u, onder nadere goedkeuring des Residents van _Bantam_,
vanaf morgen-ochtend met het bestuur der afdeeling _Lebak_.

_De Adsistent-resident van Lebak_,

MAX HAVELAAR."


Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van _Rangkas-Betoeng_. Hy
weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd by 't
afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hy op de eerste
wisselplaats eene talryke menigte vond, die weggeslopen was uit
_Rangkas-Betoeng_ om hem daar te begroeten voor het laatst.

Te _Serang_ stapte de familie by den heer Slymering af, die haar met de
gewone indische gastvryheid ontving.[182]

's Avends kwam er veel bezoek by den resident. Men zeide zoo beteekenisvol
mogelyk, gekomen te zyn _om Havelaar te begroeten_, en Max ontving menig
welsprekenden handdruk ...

Maar hy moest naar _Batavia_ om den Gouverneur-generaal te spreken ...

Daar aangekomen, liet hy om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd
omdat er een fytzweer was aan den voet van zyn Excellentie.

Havelaar wachtte tot die fytzweer genezen was. Toen liet hy andermaal
verzoeken gehoord te worden.

Zyn Excellentie "_had het zoo druk dat zy zelfs aan den Direkteur-generaal
van financien een audientie had moeten weigeren_" en kon dus ook Havelaar
niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot zyn Excellentie zou heengeworsteld zyn door die
drukte. Intusschen voelde hy iets als nayver op de personen die aan zyn
Excellentie waren toegevoegd in den arbeid. Want hy werkte gaarne snel
en veel, en gewoonlyk smolten zulke "drukten" weg onder zyn hand.
Hiervan echter was nu natuurlyk geen spraak. Havelaars arbeid was
zwaarder dan arbeid: hy _wachtte_!

Hy wachtte. Eindelyk liet hy op-nieuw verzoeken om gehoord te worden.
Men gaf hem ten-antwoord "_dat zyn Excellentie hem niet kon ontvangen,
wyl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand
vertrek_."

Max beval zich aan in de gunst van zyn Excellentie om een half uur
gehoor, zoodra er een kleine ruimte wezen zou tusschen twee "drukten."

Eindelyk vernam hy dat zyn Excellentie den volgenden dag vertrekken zou!
Dit was hem een donderslag. Nog altyd hield hy zich krampachtig vast aan
't geloof dat de aftredende Landvoogd eerlyk man, en ... bedrogen was.[183]
Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om derechtvaardigheid zyner zaak
te bewyzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.

Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief dien hy aan den
aftredenden Gouverneur-generaal schynt geschreven te hebben op den
laatsten avend voor diens vertrek naar 't moederland. Op den rand staat
met potlood aangeteekend: "_niet juist_" waaruit ik opmaak dat sommige
zinsneden by 't afschryven veranderd zyn. Ik doe dit opmerken, om niet
uit het gemis aan _letterlyke_ overeenstemming van _dit_ stuk, twyfel te
doen geboren worden aan de echtheid der andere _officieele_ stukken die
ik meedeelde, en die allen door een vreemde hand voor _eensluidend
afschrift_ zyn geteekend. Misschien heeft de man aan wien deze brief
gericht was, lust den _volkomen_-juisten tekst daarvan publiek te
maken.[184] Men zou door vergelyking kunnen zien hoever Havelaar is
afgeweken van zyn minuut. _Zakelyk_ korrekt was de inhoud aldus:


"_Batavia, 23 Mei 1856_.

Excellentie! Myn ambtshalve by missive van 28 Februari gedaan verzoek
om aangaande de _Lebaksche_ zaken te worden gehoord, is zonder gevolg
gebleven.

Evenzoo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan myn
herhaalde verzoeken om audientie.

Uwe Exellentie heeft dus een ambtenaar die _gunstig by het Gouvernement
bekend stond_--dit zyn uwer Excellentie's eigen woorden!--iemand die
zeventien jaren het Land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen
niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede
beoogde en voor eer en plicht alles veil had ... zoo iemand heeft Uwe
Excellentie gesteld beneden den misdadiger. Want dien _hoort_ men
ten-minste.

Dat men Uwe Excellentie omtrent my misleid heeft, begryp ik. Maar dat
Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding
te ontgaan, begryp ik niet.

Morgen gaat uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten
vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben _dat ik myn_ PLICHT
_heb gedaan_, GEHEEL-EN-AL MYN PLICHT, _met beleid, met bezadigdheid,
met menschlievendheid, met zachtheid en met moed_.

De gronden waarop gebazeerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's
kabinetsmissive van 23 Maart, zyn _geheel-en-al verdicht_ en
_logenachtig_.

Ik kan dit _bewyzen_, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie
my een half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie een
half uur tyd had kunnen vinden _om recht te doen_!

Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den
bedelstaf gebracht ...

Hierover evenwel klaag ik niet.

Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK
VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT,
en daarover klaag ik.

Dat schreit ten hemel!

Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dus ontvangen
indisch traktement, Excellentie![185]

Nog eenmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy
het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de
zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid,
die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.

Als uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier
te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by de
overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige,
bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen
wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten
tenopzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.[186]

MAX HAVELAAR."


Havelaar wachtte dien avend. Hy wachtte den gansche nacht.

Hy had gehoopt dat misschien verstoordheid over den toon van zyn brief
bewerken zou, wat hy vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid en
geduld. Zyn hoop was ydel! De Gouverneur-generaal vertrok zonder
Havelaar te hebben gehoord. Er was weder een Excellentie ter-ruste
gegaan in 't moederland!

* * * * *

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hy zocht ...

Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet
geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb u in 't leven
geroepen ... ik liet u komen van Hamburg ... ik leerde u redelyk goed
hollandsch schryven, in zeer korten tyd ... ik liet u Louise Rosemeyer
kussen, die in suiker doet ... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!

* * * * *

Die Sjaalman en zyn vrouw ...

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary!
Ik heb u geschapen ... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen
... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn!

* * * * *

Ja, ik, Multatuli "die veel gedragen heb" neem de pen op. Ik vraag geen
verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor
ter bereiking van myn doel.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige
_poesaka_ zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zyn zusje, als
hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.

Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van myne hand.

En in de tweede plaats:_ik wil gelezen worden_.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die
verplicht zyn te letten op de teekenen des tyds.. door letterkundigen,
die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel kwaads
spreekt ... door handelaren, die belang hebben by de koffiveilingen ...
door kameniers, die me huren voor weinige centen ... door
Gouverneurs-generaal in-ruste ... door Ministers in bezigheid[187] ...
door de lakeien van die Excellentien ... door bidpredikers, die _more
majorum_ zullen zeggen dat ik den Almachtigen God aantast, waar ik
slechts opsta tegen 't godje dat zy maakten naar hun beeld ... door
duizenden en tienduizenden van exemplaren uit het droogstoppelras,
die--voortgaande hun zaakjes op de bekende wys te behartigen--'t hardst
zullen meeschreeuwen over de mooijigheid van m'n geschryf[188] ... door
de leden der Volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in
't groote Ryk over zee, dat behoort tot het Ryk van Nederland ...

Ja, ik _zal_ gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te
doen om _goed_ te schryven ... ik wilde zoo schryven dat het gehoord
werd. En, even als iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig
bekommert over den styl zyner geimprovizeerde toespraak aan 't publiek,
is 't ook my geheel om 't even hoe men de wyze zal beoordeelen waarop ik
_myn_ "houdt den dief" heb uitgeschreeuwd.

"Het boek is bont ... er is geen geleidelykheid in ... jacht op effekt
... de styl is slecht ... de schryver is onbedreven ... geen talent ...
geen methode ...

Goed, goed, alles goed! Maar ... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want: _wederlegging der_ HOOFDSTREKKING _van myn werk is onmogelyk!_
[189]

Hoe luider overigens de afkeuring van myn boek, hoe liever 't my wezen
zal, want des te grooter wordt de kans _gehoord_ te _worden_. En dit
_wil_ ik!

Doch gy, die ik stoor in uw "drukten" of in uw "rust" gy Ministers en
Gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid myner
pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met eenige inspanning misschien
geraken tot een bekwaamheid die ten-laatste zelfs de waarheid zou doen
gelooven door 't Volk! Dan zou ik aan dat Volk een plaats vragen in de
Vertegenwoordiging[190] al ware 't alleen om te protesteeren tegen
certifikaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten
_vice versa_ worden uitgereikt[191] misschien om op 't vreemd denkbeeld
te brengen dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid ...

Om te protesteeren tegen de eindelooze expeditien en heldendaden tegen
arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong
tot opstand.

Om te protesteeren tegen de schandelyke lafhartigheid van cirkulaires
die de eer der Natie schandvlekken door 't inroepen van _publieke
liefdadigheid_ voor de slachtoffers van _kronischen zeeroof_.[192]

't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die
zeeroovers zyn weerbare mannen!

En als men my die plaats weigerde ... als men my by voortduring _niet_
geloofde ...

Dan zou ik myn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de
vele talen die ik leeren kan, om te vragen aan Europa, wat ik
vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen
als dit: _er ligt een roofstaat aan de zee, tusschen Oostfriesland en
de Schelde!_

En wanneer ook dit niet baatte?

Dan zou ik myn boek vertalen in 't _maleisch, javaansch, soendasch,
al-foersch, boegineesch, battaksch_ ...

En ik zou _klewang_-wettende krygszangen slingeren in de gemoederen van
de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, op wettelyken weg, waar het _kan_ ... op _wettigen_ weg
van geweld, waar het _moet_.

En _dit zou zeer nadeelig werken op de_ Koffiveilingen van de Nederlandsche
Handelmaatschappy![193]

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige droomer,
zooals de getrapte Havelaar die zyn plicht deed met den moed van een
leeuw, en honger lydt met het geduld van een marmot in den winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het noodig
zal wezen ...

God geve dat het niet noodig zy!

Neen, 't zal niet noodig zyn! Want aan _U_ draag ik myn boek op, Willem
den derden, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog
en Koning ... KEIZER van 't prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar
slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't uw keizerlyke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met den modder van _Slymeringen_ en
_Droogstoppels_?

En dat daarginds Uw meer dan _dertig millioenen_ onderdanen worden
MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN _UWEN_ NAAM?[194]



* * * * *

AANTEEKENINGEN EN OPHELDERINGEN

by de

UITGAAF VAN 1875

(Herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881)

* * * * *

De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en
waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel
twyfelachtig of 't woord: _wyten_ goed gekozen is? Recht tot verwyt
immers veronderstelt _schuld_, en ik vraag of dit van toepassing wezen
kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord
voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven,
dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit _boek_! Iets anders immers ziet de
lezer er niet in. _My_ evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n
leven ... my was de korrektie 'n marteling, een marteling! Telkens
ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der
--nog altyd onvolmaakte en verzachte!--schets van wat er uit meer dan
vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje
gronds dat _Lebak_ heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by
't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van
't _boek Havelaar_ gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde,
en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen
dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest
roept. Weken en soms maanden lang--myn uitgever kan 't getuigen!--had ik
den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan
ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost
dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik,
gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend
en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar
tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n _Havelaar_ schreef, meende ik
iets te zullen _bewerken_, iets _uitterichten_, iets _tot stand te
brengen_. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar
welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan
haar schreef: _m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed
gaan!_ Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld--en
vruchteloos verloren, helaas!--in pogingen om zonder publiciteit, zonder
opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering
zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De
ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en
plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet
te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem
richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in
de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit
geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te
herstellen wat door zyn schuld bedorven is, Door die gewetenlooze
lauwheid ten-laatste _gedwongen_ tot publiciteit, tot het kiezen van een
anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my
eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: _een
oogenblik gehoor_. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik
aftepersen van de Natie: de _Havelaar_ werd _gelezen_, men ... _hoorde_
my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde
men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had ...

Zeker, men had zich by de lektuur "geamuzeerd" en dacht er niet aan--of
ontveinsde te begrypen--dat niet _ik_ op middelbaren leeftyd m'n
loopbaan, die schitterend beloofde te worden, opgaf tot vermaak. Dat
niet _ik_ amuzement beoogd had in 't trotseeren van den gifdood voor my,
voor myn trouwe dappere vrouw, en voor ons lief kind. De _Havelaar_ was
zoo'n onderhoudend boek, durfde men my zeggen, en onder zulke
lofredenaars waren er die gillen zouden van angst by 't minste
dagelyksch gevaartje, ik zeg niet voor gezondheid en leven, maar voor 'n
gering deel van hun welstand. De meeste lezers schenen te meenen dat ik
my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun
'n prettig lektuurtje te verschaffen.

Deze dwaling ... doch genoeg hiervan. Zeker is 't, dat ik van zoo'n
naif-wreede _Jokrissiade_ geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd
uitriep _m'n boek is af, m'n boek is af!_ De overtuiging dat ik
_waarheid_ zeide, dat ik _gedaan_ had wat ik bezig was te _schryven_, en
het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt
aan _cant_, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling
van zeggen en doen ... dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop
als inderdaad _noodig_ was om 't pynlyk schryven van den _Havelaar_
mogelyk te maken. Maar _thans_, nu me twintig jaar later al te voldoende
gebleken is dat de Natie party trekt voor de Van Twisten en
konsorten--d.i. voor schelmery, roof en moord--tegen my, d.i. tegen
Recht, Menschlievendheid en welbegrepen Staatkunde, nu viel my 't
behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan
dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de
overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze--op bladz. 131, byv. (zie de
alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)--hoe gaarne ook
teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te
kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te _Lebak_ en
wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste
brochure over _Vryen-arbeid_.(*)

(*) Uitgaaf van 1873, blz. 97, vlgg. waar tevens de oorzaak wordt
verklaard die, na den _Havelaar_, me dwong tot het betreden van breeder
terrein dan de zaken in India.

En ... by al 't verdriet over de aanhoudende mislukking van m'n
pogingen, de smart over 't verlies van haar die aan m'n zyde zoo
heldhaftig den stryd tegen de wereld opnam, en niet daar wezen zal
wanneer eindelyk het uur van triumf geslagen is!

Het uur van triumf, lezer. Want, het moge u bevreemden of niet,
overwinnen zal ik! Ten-spyt van 't gekunstel en geknoei der
Staatsmannetjes aan wien Nederland z'n hoogste belangen toevertrouwt.
Ten-spyt onzer zotte Grondwet die premien uitlooft op middelmatigheid of
erger, een instelling die alles weert wat de _nu_ alom erkende
verrotting in ons Staatswezen zou kunnen genezen. Ten-spyt van de velen
die _belang_ hebben by Onrecht. Ten-spyt van laaghartige afgunst op m'n
"schryftalent" ... heet het zoo niet? Ik ben geen schryver, heeren
boekenmakers die volstrekt in my een kollega en konkurrent wilt zien,
gelooft me toch! Ten-spyt van plompen laster die niets te grof en te
ongerymd acht om m'n stem te smoren en m'n invloed te breken. Ten-spyt
eindelyk van de jammerlyke flauwhartigheid der Natie die dat alles by
voortduring blyft gedoogen ... overwinnen zal ik!

Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik
niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd,
niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de
bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat
... ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar ...
_veranderd_? De lieden die, eerst onmiddelyk na den _Havelaar_, en
vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem,
gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't
kussen te zetten, hebben niets gedaan dan _veranderen_. Dit moest immers
wel? Hun staatkunstenmakersmetier bracht het mee. Het gedeeltelyk
onbekwame, gedeeltelyk niet zeer integre volkje dat na '60 "_naar boven
viel uit gebrek aan zwaarte_" begreep dat er iets _gedaan_ moest worden,
al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook--dit erken ik met
hen--maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden
Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den
meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van
werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging
"rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den
honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te
houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch
gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien,
krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes
toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van _duitenplatery_.
"_Vrye-arbeid_" was jaren lang--en voor den _Havelaar_ reeds--de
hoofdschotel, de _piece de resistance_ van 't verraderlyk _menu_. Ter
afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien
over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de
Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits-
kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en
nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere,
en telkens wisten de mannen _en place_--behoudend of liberaal, om 't even!
--aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de
_door allen erkende_ moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen
in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, _nu_ zou 't
probaat wezen!


Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30