Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
(*) Zeker! Zie de laatste bladzyden van "_Pruisen en Nederland_."
Zoo volgde na elk versleten experiment een nieuw experiment. Na elke
verbruikte kwakzalvery, een nieuwe kwakzalvery. By elk nieuw ministerie
een nieuw arkanum. Voor elk nieuw arkanum nieuwe ministers, bestemd
gewoonlyk meer jaren den overladen pensioenstaat te bezwaren, dan ze
maanden op 't kussen hadden gezeten. En de Tweede-Kamer aan 't
redevoeren! En de kieskollegien aan 't opvyzelen of zwartmaken! En 't
Volk aan 't luisteren! Al die nieuwigheden werden onderzocht, beproefd,
toegepast, ingevoerd. In Indie maakte men de Hoofden, de europeesche
ambtenaren, en vooral de Bevolking _biengoeng_ met de onophoudelyke
_changements-a-vue_ ... en er zou niets _veranderd_ zyn na den
_Havelaar_? Ten-gevolge van den _Havelaar_? _Allons-donc!_ Er is na en
ten-gevolge van dat boek, in Indie geschied wat er met _Jan Klaassen's_
horloge gebeurde. Men had dien wysgeer de opmerking gemaakt dat het werk
vuil was en daarom verkeerd liep. Fluks wierp hy 't in de goot, en
reinigde het met 'n stalbezem. Volgens andere traditien van de haagsche
poppenkast zette onze politikus er den hak van z'n klomp op. Ik kan den
lezer verzekeren dat er werkelyk veel _veranderd is_ in dat horloge!
* * * * *
Nederland heeft niet verkozen recht te doen in de Havelaarszaak. Zoolang
tweemaal twee vier zal wezen, blyft het zeker dat dit verzuim--dat deze
_misdaad_!--het punt van uitgang worden zal van 't verlies zyner
indische bezittingen. Wie deze voorspelling wantrouwt omdat heden, en
dus slechts twintig jaar na m'n _zeer gedwongen_ optreden, de
hollandsche vlag nog altyd te Batavia waait, verraadt de nauwte van z'n
politieken blik. Meent men dat omkeeringen als die welke Insulinde
te-gemoet gaat, en waarmee faktisch reeds 'n aanvang gemaakt is--ziet ge
dit niet, Nederlanders?--kunnen plaats grypen in 'n bestek als voldoende
wezen zou voor 'n dagelyksch voorvalletjen uit het byzonder leven! In 't
leven der Staten is twintig jaar minder dan 'n oogenblik.
Toch zal de katastroof een betrekkelyk snel verloop nemen. De onbesuisde
oorlog met _Atjeh_ was een der laatste duitenplateryen die 'n minister
noodig had om de aandacht afteleiden van z'n onbekwaamheid, en zal
blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als ze
lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend nederlandsch gezag
is tegen _echecs_ als daar door ons geleden worden, niet bestand.(*)
Doch reeds voor de openbaring der gevolgen van wyder strekking, die deze
wreedaardige en dure zotterny na zich slepen _moet_, waar blyft in deze
zaak de zoo hooggeroemde ministerieele verantwoordelykheid. Moet nu de
Natie er maar in berusten, dat zekere _Fransen van de Putte_
goedgevonden heeft haar in 'n toestand te brengen, die--om nu niet te
spreken van 't schromelyk verlies aan _prestige_ in den Indischen
Archipel!--op zooveel millioenen schats, op zooveel menschenlevens te
staan komt? Wel zeker! Ook de naam van _dien_ man bekleedt 'n plaats op
den staat van pensioenen. De nederlandsche belastingschuldigen hebben
geld te veel, naar 't schynt.
(*) Dat Atjeh zou _veroverd_ en de Atjinees _overwonnen_ zyn, is 'n
leugen.
Wat overigens den oorlog met _Atjeh_ aangaat, ik zal straks by de
aanteekeningen op den _Havelaar_ wel genoodzaakt wezen daarop nu-en-dan
terug te komen. Nu reeds de opmerking echter, dat me ook in dit opzicht
gebleken is, hoe slordig dat boek gelezen werd. Zelden of nooit ontving
ik blyk dat men den tegenwoordigen oorlog, en myn voorspelling daarvan,
in verband wist te brengen met den inhoud van 't _dertiende_ hoofdstuk.
By de groote verspreiding van den _Havelaar_, is 't inderdaad vreemd
dat, toen in September '72 m'n waarschuwende brief aan den Koning
verscheen, en in 't volgend voorjaar de oorlog verklaard werd, zoo
weinigen zich herinnerden dat ik reeds in '60 op onze gespannen
verhouding met het atjinsche Ryk gedoeld, en bewys geleverd had iets
meer van die zaken te weten dan onze krantenschryvers en Kamerleden.
Ware dit anders geweest, misschien zou myn welmeenende waarschuwing van
September '72 beter vrucht gedragen hebben! Nog altyd maakt de oude
Jupiter de Koningen en Natien die hy verderven wil, blind doof,
krankzinnig en behoudend of ... liberaal. Want dat komt overeen uit.
Hoofdzaak is en blyft: waarheid _zoeken, 't gewicht der waarheid_
erkennen en vooral _handelen naar de gegevens die men_, aldus te-werk
gaande, _voor_ waar _houden mag_. Wat daarbuiten gaat is uit den booze,
en Holland zal Indie verliezen omdat men my geen recht heeft gedaan in
myn streven om den Javaan te beschermen tegen mishandeling. Er zyn er
nog altyd die 't verband tusschen deze beide stellingen niet vatten,
maar is dit _myn_ schuld? Het smoren van myn klachten is bescherming van
_onwaarheid_, aanmoediging van _leugen_. Is 't nu zoo moeielyk te
begrypen dat het _ommogelyk_ is, by-voortduring die zoo uitgestrekte
bezittingen te beheeren, wanneer men omtrent Land en Bevolking geen
andere dan onware berichten gelieft te ontvangen? Om iets te regelen, te
besturen, te regeeren, behoort men dan toch in de eerste plaats te
_weten_ in welken toestand zich de te behandelen zaken bevinden, en
zoolang men de in den _Havelaar_ verstrekte gegevens ter-zyde schuift,
weet men dit _niet_!
En nog iets. Er blykt uit dat boek dat de bestaande wetten niet worden
gehandhaafd. Eilieve, wat baat het dan of men in den Haag en by
verkiezingen zich aanstelt alsof er aan 't maken van _nieuwe_ wetten
iets gelegen lag? Ik blyf er by dat de oude bepalingen _wat de
hoofdzaken aangaat_ zoo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet
optevolgen. Daar ligt de kwestie!(*) Daar, en niet in 't eindeloos
redeneeren over onderwerpen van vermeend of voorgewend-politisch
belang, een gekibbel dat wel dienen kan om kranten-schryvers aan
teksten voor hoofdartikels te helpen, om ministers een week langer op 't
kussen, en de geheel overbodige talenterigheid van Kamerdebattisten
bezig te houden, maar geen voetstap nader brengt aan 't eenig ware doel:
_bescherming van den Javaan tegen de hebzucht zyner Hoofden in
medeplichtigheid van een bedorven Nederlandsch Bestuur_.
(*) Zie ter toelichting der karakteristieke frekwentie van dusdanig
misvatten, het aardig voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland,
medegedeeld in m'n brochure over _Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.
* * * * *
Wat nu deze nieuwe uitgaaf betreft, ik stond by de Noten die straks
volgen, gedurig in twyfel over de meer of mindere behoefte aan
toelichting. Dit bezwaar is tweeledig, en betreft zoowel het ophelderen
van 'n maleische of vreemdklinkende uitdrukking, als de _staving der
feiten_ die in den _Havelaar_ worden meegedeeld. Ik weet nog altyd niet
hoe diep het door de Van Twisten uitgestrooid praatje "dat ik maar 'n
roman had geschreven" wortel heeft geschoten? Durft men de door my
overgelegde officieele stukken voor onecht houden? Hiervan is me niets
ter-oore gekomen. Dewyl men echter by-voortduring weigert my de plaats
interuimen die me zou toekomen indien ze voor echt worden erkend, viel
't my moeielyk het juiste midden te vinden tusschen te veel en te weinig
rechtvaardiging. Ik liep telkens gevaar het justificeeren overteslaan
van iets dat in de oogen van sommige lezers bewys kon noodig hebben, en
elders iets met bewyzen te staven dat alle verdere toelichting missen
kon, een fout die me zou blootstellen aan de--gewoonlyk
verkeerde!--toepassing van 't bekende: _qui s'excuse s'accuse_. Te
_excuzeeren_ nu heb ik, die m'n plicht deed, niets. Nederland deed z'n
plicht _niet_, en heeft zich te verontschuldigen dat het tegen
_Havelaar_ party trekt voor schelmery. Zoo is de zaak!
De weifeling dan tusschen te veel of te weinig _justificatie_ der
aangevoerde feiten, hinderde my zeer. Maar zie, tamelyk ver reeds
gevorderd met het afwerken der Noten, bleek me dat ik bezig was de
grenzen der my gegunde ruimte--een ruimte die ik zelf vroeger voldoende
had gerekend--zeer ver te overschryden. Myn aanteekeningen,
toelichtingen en ophelderingen op filologisch, land-en volkenkundig of
historisch terrein, dreigden weldra den oorspronkelyken tekst in
uitgebreidheid te-boven te gaan. Het hierdoor noodzakelyk geworden
knotten was my een verdrietig werk, en ik ben zoo vry te gelooven dat de
lezer er iets by verliest.
De vervloekte puntjes waarmee de heer Van Lennep goedvond m'n werk te
bederven, zyn in deze uitgaaf natuurlyk door _leesbare woorden in
letters_ vervangen. De pseudoniemen _Slymering, Verbrugge, Duclari_ en
_Slotering_ heb ik onveranderd gelaten omdat die namen nu eenmaal
populair zyn geworden. Myn vermoorde voorganger heette _Carolus_. De
namen van den kontroleur _Verbrugge_ en den kommandant _Duclari_ waren
_Van Hemert_ en _Collard_. De Resident van Bantam heette _Brest van
Kempen_, en _Michiels_ was de naam van 't Napoleonnetje te _Padang_. Wat
my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan den
heer V.L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe
hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik den eerlyken
maar niet heldhaftigen kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al
steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt
en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was
reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad. De
benaming Slymering voorts diende my tot het typizeeren van m'n model. En
't veranderen eindelyk van de namen _Carolus_ en _Collard_ in
_Slotering_ en _Duclari_ vloeiden uit de vorige substitutien voort.
Geheimhouding was waarlyk m'n zoeken niet, wat trouwens uit de geheele
strekking van m'n werk blykt, maar ik vond het stuitend bepaalde
personen prys te geven aan het oordeel van 't _gewoon_ lezend Publiek.
In de _officieele_ wereld, meende ik--en haar ging de zaak aan--zou men
wel weten tot wien men zich te richten had om inlichting aangaande de
zaken die ik openbaarde. Dit heeft men dan ook geweten, want na
ontvangst van den _Havelaar_ in Indie, is de Gouverneur-Generaal _Pahud_
terstond naar _Lebak_ gereisd om daar eenige klachten over misbruik te
onderzoeken."
Op den titel van 't boek zal ik in een later aanteekening terugkomen.
Die titel is noch 'n _farce_, gelyk sommigen voorgeven te meenen, noch
'n uithangbord, _ein aushaengeschild das in Holland noethig schien um
Kaeufer zu locken_, beweerde zeker publicist in de _Deutsche Jahrbuecher
fuer Wissenschaft, Kunst und Politik_. O, neen, die titel is 'n epigram.
Wat de spelling aangaat, even als in m'n andere werken volg ik nagenoeg
de mode van den dag. "_Niet_, zooals ik zeide in 't Voorbericht by den
vyfden druk myner _Ideen, omdat ik den minsten eerbied voel voor de
taalkennis der personen die heden-ten-dage zoo goed als officieel belast
schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers
aftestooten door vreemdheid van spelling. De soep zou de kool niet waard
zyn_." Zeker, wezenlyke _taalkunde_ is heel wat anders! Toch heb ik ook
hier de leelyke i-j die door sommigen als y-klank gebruikt wordt, voor
goed _conge_ gegeven. _Tant pis_ voor de Hilaridessen die er om treuren.
Dezelfde soort van lettermannen zullen waarschynlyk geen vrede hebben
met m'n interpunktie. Ik met de hunne niet. Welnu, evenals--ik
meen--Hildebrand ergens, geef ik hun een paar mud komma's ten-geschenke,
om die te plaatsen waar ze goedvinden, tot er de verlangde slymerigheid
en hun voldoening op volgt, amen.
De heer Mr. C. Vosmaer maakt in z'n "_Zaaier_"de opmerking dat de
_Havelaar_ blyken draagt van nog onvolkomen beheersching der taal, en
van 't worstelen om vormen voor de veelvuldige stof. Ik stem dit
volmondig toe. Ook my hinderde onder de korrektie herhaaldelyk iets
gewrongens in den zinbouw, dat waarschynlyk tot de kritiek van den heer
V heeft aanleiding gegeven. Naar m'n beste weten heb ik die fout in de
tegenwoordige uitgaaf verbeterd.
* * * * *
En, alsnu terugkomende op de beschuldiging dat ik tot-nog-toe zoo weinig
heb tot-stand gebracht ... dit verwyt is zoo dom niet. Men wordt _Doctor
in de letteren_ door zulke wapenfeiten. Eilieve, dit heb ik dan toch
bewerkt, niet waar, dat personen die bezig waren met kouvatten uit
verregaande lauwerloosheid, op-eenmaal hun kalen schedel gedekt voelden
met den doktershoed, alleen omdat ze de handigheid hadden gebruikt my 'n
paar kwajongensachtige insolenties te zeggen? In een land waar de
officieele distinkte zoo wordt te-grabbel gegooid ...
Het zy zoo! Wat ik _gedaan_ heb, heeren? Wel, ik deed wat in den
_Havelaar_ geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt _gy_?
Wat ik _gedaan_ heb, nogeens? Ik ving, geheel alleen staande, in
dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd
aan tegen lieden van _uwe_ soort, d.i. tegen het _Onrecht_. Gaat heen en
doet desgelyks!
Dat overigens m'n streven niet bekroond werd ... dat ik nog altyd het
gemakkelyk te raken--en debiet belovend--mikpunt ben van de eerste de
beste nulliteit die 't ambacht van frazenmaken eenigszins meent te
verstaan--al zy 't dan ook daarmee vaak povertjes gesteld--en dat, wat
meer zegt, de toestand in Indien ellendiger is dan ooit ... mag men dit
_my_ wyten? Ik deed, meen ik, wat 'n mensch in de gegeven omstandigheden
doen kon, en zeker meer dan eenig Nederlander. Het schimpen op de
betrekkelyke onvruchtbaarheid van m'n pogen herinnert aan den wrevel der
matrozen van Columbus in September 1492. Ook dat gepeupel schold z'n
admiraal uit. Of ze doktoren in de letteren geworden zyn, weet ik niet.
Geen vrucht alzoo van m'n werk? Het is hier de plaats niet, den invloed
nategaan dien ik uitoefende op heel ander terrein dan de zaken van
Indie. Ik ben zoo vry te gelooven dat m'n geschriften heilzame beweging
hebben uitgewerkt op zedelyk en godsdienstig ... laat me liever zeggen
op _intellektueel_ gebied. Van vele zyden ontving ik blyken dat ik
menigeen tot denken heb gebracht. Wie 't betwyfelt of ontkent, gelieve
het te zeggen, en noeme evenals de zeer edele heeren A.B. Cohen Stuart
en Van Vloten, z'n naam er by, om behoorlyk de schande te dragen van z'n
platte jalouzie.
Aan afgunst namelyk meen ik voor 'n groot deel den toon te moeten
toeschryven, waarop sedert eenigen tyd sommige publicisten--of lui die
't worden willen--m'n werken en m'n persoon aanvallen. Die toon is
gewoonlyk wat te laag voor 't onderwerp.
Dat ik niet de eenige ben, die by 't lezen van stukken als die van
_Doctor_ Van Vloten aan jaloersheid denk, blykt o.a. uit het hartig
artikel van den heer J. Versluys, in _'t Schoolblad_ van 19 Januari
1875, waar de animoziteit van dien godgeleerde in verband wordt gebracht
met het stuk over _Vrye Studie_ dat in m'n IIIn bundel _Ideen_ voorkomt.
Dat onderwerp namelyk was ook door Dr Van Vl. behandeld, en schynt onder
zyn handen niet veel opgang gemaakt te hebben. Kan _ik_ dit helpen?
Zeker is 't dat ik na 't verschynen _myner_ verhandeling sporen begon
waartenemen van de hatelyke stemming die nu blykt jegens my te bestaan.
Vroeger was ik 't allerliefst gekwalificeerd: "_slachtoffer van indisch
wanbestuur en hollandsche lamlendigheid_." Wat ik nu ben, weet ik niet
recht. Een prulschryver, denk ik, wiens werken moeten verdrongen worden
om wat ruimte te verschaffen aan de hyperaesthetische produkten der pen
van Dr V. Vl. Wie z'n "_Bloemlezing_" onderzoekt, zal deze gissing
nog-al aannemelyk vinden. Op de blykbare oneerlykheid in dat prachtstuk
van letterkundigen arbeid wyst dan ook zeer ten-rechte de heer
_Versluys_. Zelfs Mr Vosmaer--gewis toch een onzer eerste dichters,
als-i niet _de_ eerste is--wordt door den verheven Bloemlezer in den ban
gedaan. Die auteur had zich verstout myn werk in z'n "_Zaaier_" te
pryzen, en mocht dus geen bloemen leveren.
Doch ook zonder eigenlyken _broodnyd_, sedert eenigen tyd is 't schelden
op my 'n _metier_ en 'n _tic_ geworden. Het aantal brochuretjes en
"Overdrukjes" dat aan dusdanige spekulatie z'n aanzyn te wyten heeft, is
legio, en levert een treurig blyk van armoed aan scheppingsvermogen. Wie
niet in-staat is zelf iets degelyks voorttebrengen, tracht evidentie--en
honorarium!--optedoen door 't knagen aan den arbeid van 'n ander. Men
zou haast op 't denkbeeld komen dat ikzelf hiertoe den weg wees in m'n
_Idee_ 219, wanneer men niet wist dat wespen, rupsen, en paalwormen zoo
oud zyn als vruchten, loof en zeeschoejing.
Maar jammer is 't! Dat de Van Vlotens, e.d. zulke manoeuvres noodig
hebben om 'n uitgever te bewegen tot het riskeeren van "Overdrukjes" uit
hun niet zeer verspreide tydschriften, is begrypelyk. Ook vereert het me
zeer, zooveel opgang te maken dat daarvan nog altyd iets kan afvallen om
'n ander te helpen aan _relief_, al schikt het me niet altyd dat teeren
op afval in de hand te werken door serieuze beantwoording van dergelyk
geschryf. Toch verbind ik me niet tot voortdurend zwygen, maar 't zou me
aangenaam zyn indien anderen de niet moeielyke taak op zich namen ...
het verschil te doen in 't oog vallen tusschen wespen en ooft. _My_
wordt door zulke al te goedkoope bewysvoering de stemming bedorven, en
dit is jammer voor myzelf en den lezer. Men begrypt immers hoe ik, bezig
met het schetsen van iets liefelyks, met viesheid de pen wegwerp zoodra
my de gedachte overvalt dat wezens als _Van Vloten_ zich gereed maken
m'n werk te bevuilen?(*) Ik meen te goed te zyn om zulk volkjen aan
verkoopbare kopie te helpen, en zeker zou 't my 'n kwart-eeuw geleden,
toen ik den Lebakschen stryd streed, bevreemd hebben indien iemand my
voorspeld had dat er na 't openbaren van m'n pogen en streven,
aanleiding zou bestaan tot zoo'n verklaring! Het strekt waarlyk 't
lezend Publiek niet tot eer, dat sommigen een toon tegen my durven
aanslaan alsof _Havelaar_ een der hunnen was. Zoolang dit opgaat, beweer
ik dat men--ouder gewoonte--slecht gelezen heeft. Anders toch zou men
niet gedoogen dat 'n stryd die zoo ridderlyk werd aangevangen en
voortgezet, ten-behoeve van zeker soort van belanghebbenden werd
overgebracht op 'n mestvaalt. Hartelyk dank!
(*) Ik kan op m'n woord verzekeren dat dit in de meest letterlyken zin
een der oorzaken is van de herhaalde vertraging in de _Geschiedenis van
Woutertje_.
Volgens de laatste berichten uit Indien is Lebak een woesteny. Geheele
dorpen zyn uitgestorven.
NIEDER-INGELHEIM
Augustus, 1881.
* * * * *
1. De verdeeling in hoofdstukken is 'n toevoegsel van den heer Van
Lennep. Ikzelf namelyk was, vooral in 1860, niet schryversachtig
genoeg om zooveel reglement te brengen in m'n pleidooi, en blyf
gelooven dat die indeeling, uit 'n letterkundig oogpunt zonder schade
kon gemist worden. Juist in de onafgebroken opvolging der stukken van
Droogstoppel en van Stern, ligt iets pikants dat door 't onverwachte
van den overgang den lezer wakker houdt of ... maakt. Doch de
ondervinding leerde my dat het aanhalen van zekere passages gemakkelyk
wordt gemaakt door de nummering der hoofdstukken, en ik laat daarom
die indeeling bestaan.
2. Het "_Poolsche koffihuis_" was, of is nog, 'n druk bezochte
inrichting in de Kalverstraat te Amsterdam, en vooral 'n
verzamelingspunt voor zekere klassen van beursgangers.
3. "_Dass er_--de jonge Stern--_bei uns speisen kann_." Aldus heeft
zekere _Herr_ Stromer, in z'n zoogenaamde vertaling van den _Havelaar_
deze woorden overgezet. Wanneer men nu nog daarby verneemt dat die
snuggere letterman blyk geeft geen verschil te kennen tusschen de
woorden _pantalon_ en _pantoffel_, dat hy "witte mieren" verandert in
_schweinsnieren_, enz. enz. zal men de waarde van z'n werk kunnen
beoordeelen. Hy heeft bovendien omstreeks 2/5 van 't boek _mir nichts
dir nichts_ doodeenvoudig weggelaten, en alzoo 't heele boek tot onzin
gemaakt. Ik stel voor, hem tot beroemde buitenlandsche schryver
te benoemen.
Ook de fransche vertaling van _Nieuwenhuis_ en _Crisafulli_ laat zeer
veel te wenschen over, maar zoo slecht als de duitsche kon ze nu
eenmaal niet worden. Onbereikbaar!
De engelsche bewerking van myn nobelen Alphons Nahuys daarentegen is
goed, en wordt ook in Engeland geprezen.
4. Het is er ver vandaan dat ik alles zou afkeuren wat ik Droogstoppel
in den mond leg. Hy "hield zich niet op" met versjes van de soort als
hier volgt. Welnu, _ik_ ook niet! 't Verschil ligt in den grond
waaruit zoodanige tegenzin voortspruit. Dat een jong vurig naar
_poezie_ dorstend hart, misleid door de biologie van opgedrongen
letterkundery, misgrypt in z'n eerste pogingen tot uiting, en voor
iets wezenlyks houdt wat ten-slotte blykt slechts ydele klank te
zyn--"getingel en gejingel" noem ik 't in m'n _Naschrift op de Bruid
daarboven_--dit is te vergeven niet alleen, maar een zeer noodzakelyk
verschynsel. _Il faut passer par la!_ De eikenstam die bestemd is om
gaaf droog hout te leveren moest z'n bestaan aanvangen als sappige
tak. Maar de Droogstoppels hadden nooit sap te veel, en hoefden niet
te veranderen om te worden wat ze zyn: dor en onbruikbaar. Ze staan
niet boven maar beneden de fout van die anderen, en zouden bovendien
terstond waarde gaan hechten aan "versjes en zulke dingen" wanneer die
produktjes genoteerd stonden op de beurs.
Voor-zoo-ver Droogstoppel's realistische ontboezemingen dienen kunnen
om _valsche poezie_ in de gemoederen onzer jongelingschap te knotten,
beveel ik z'n boutades van harte in de aandacht van ouders, opvoeders
en recensenten aan. Wat _my_ aangaat, als ik kiezen moest tusschen hem
en zeker soort van verzenmakers ... nu, toch koos ik hem niet! Maar ik
erken dat die rechtvaardigheid me zwaar vallen zou.
5. Welk gedicht kan hier bedoeld zyn? De chronologische volgorde
verbiedt ons hier te denken aan: "_de laatste dag der Hollanders op
Java_", door Sentot, want dat stuk is na den _Havelaar_ geschreven, en
misschien wel onder den indruk van den _Havelaar_. Daar ik Sjaalmans
pak niet by de hand heb, en toch gaarne den lezer in staat stellen wil
zich 'n denkbeeld te vormen van Droogstoppels verontwaardiging, neem
ik verlof dien arbeid van Sentot aan de Natie voor oogen te leggen.
Het zal den toekomstigen geschiedschryver aangenaam zyn te kunnen
bewyzen dat het niet aan waarschuwingen ontbroken heeft.
Er zyn er die beweren dat myn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga om 't
vervaardigen van dit stuk uit Indie verbannen is. De heer Van der
Wyck, Raad van Indie en als zoodanig een der voorstanders van die
uitzetting, heeft dit ontkend. Ook andere regeeringsmannen loochenen
het verband tusschen _Sentots_ profetengaaf en _Roorda's_ verdrietig
en onverdiend omzwerven. Sommige waren van gedachte dat deze
duisterheid zou opgehelderd worden by de behandeling van Roorda's zaak
in de Tweede Kamer, waar overlegging kon verwacht worden en _geeischt_,
want het Regeerings-Reglement schryft dat overleggen voor van 't besluit
waarby de gezagsdaad was uitgevoerd. Maar de Minister Fransen v.d. Putte
meende te kunnen volstaan met de aanbieding van een _extrakt_ uit die
beschikking, en de leden der Kamer berustten alweer in die onwettigheid.
Vrage: wat stond er in 't achtergehouden deel van dat dokument? Iets over
_Sentot's_ Vloekzang? Misschien die Vloekzang zelf? Bestond er wellicht
zeker schuldbesef dat angstig maakte voor de openbaring van dat stuk?
In dit geval is de toeleg niet gelukt, want--al zy 't dan dat R.V.E. zelf
nooit de hand leende tot de publikatie--het verscheen herhaaldelyk in
druk, en ikzelf vond het meer dan eens opgenomen in provinciale blaadjes.
Zoowel om de edele verontwaardiging die er in schittert, als om de
letterkundige verdiensten, vinde het hier een blyvende plaats. Reeds
elders maakte ik de opmerking dat het in gloed en in kracht van
uitdrukking zegevierend de vergelyking kan doorstaan met de beroemde
imprekatie van Camille.
"DE LAATSTE DAG DER HOLLANDERS OP JAVA
DOOR SENTOT
Zult gy nog langer ons vertrappen.
Uw hart vereelten door het geld,
En, doof voor de eisch van recht en rede,
De zachtheid tergen tot geweld?
Dan zy de buffel ons ten voorbeeld,
Die sarrens moe, de hoornen wet,
Den wreeden dryver in de lucht werpt
En met zyn lompen poot verplet.
Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,
Dan roll' de wraak langs berg en dal,
Dan styg' de rook uit uw paleizen,
Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.
Dan zullen wy onze ooren streelen
Aan uwer vrouwen klaaggeschrei
En staan, als juichende getuigen,
om 't doodsbed van uw dwinglandy.
Dan zullen wy uw kindren slachten
En de onzen drenken met hun bloed
Opdat der eeuwen schuld met rente,
Met woekerwinste word' vergoed.
En als de zon in 't Westen neerdaalt,
Beneveld door den damp van 't bloed,
Ontvangt zy in het doodsgerochel
De laatste Hollandsche afscheidsgroet.
En als de nachtelyke sluier
De rookende aard heeft overdekt,
De jakhals de nog lauwe lyken
Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt...
Dan voeren wy uw dochters henen,
En elke maagd wordt ons een boel,
Dan rusten we aan haar blanke boezems
Van moordgetier en krygsgewoel.