Max Havelaar - Multatuli
Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30
117. Op de afschaffing der--betrekkelyk humane!--_rottingstraf_, en de
nadeelige gevolgen van die tendentieuze filantropery zal ik elders
terugkomen.
118. In deze alinea wordt de Resident Brest van Kempen gunstiger
beoordeeld dan hy verdiende. Lang na 't schryven van den _Havelaar_
werd my door 'n onwraakbaar getuige meegedeeld dat de Resident Brest
van Kempen _een zeer byzondere reden_ had om den Regent te ontzien.
Ik wenschte dat my van bevoegde zyde naar die reden gevraagd werd.
119. Opmerking als in de _Noten_ 68 en 72.
120. Wat ik hier van de Regeering zeg, is na den _Havelaar_ van volle
toepassing geworden op de geheele Natie. Ze geeft voor, myn pogingen
tot verbetering te ignoreeren, en vindt het behoorlyk dat ik
vertellinkjes moet schryven om in leven te blyven. Maar de lieden die
by-voortduring haar misleiden met onwaarheid, worden geeerd, beloond,
met gezag bekleed, aan 't hoofd der zaken geplaatst. 't Volk _wil_
bedrogen zyn.
121. De bespottelyke angst voor 'n Inlandsch Hoofd wordt door de
residenten by de Regeering levendig gehouden _in hun eigen belang_,
en berust eigenlyk op ...'n woordspeling. De waarheid is, dat wy in
't organismus van ons bestuur de _Inlandsche Hoofden_, niet kunnen
missen, d.i. het _stelsel_ waarin die Hoofden een zoo voorname plaats
bekleeden. Maar hieruit volgt volstrekt niet dat men een Inlandsch
Hoofd niet aan z'n plicht zou kunnen houden. Waar zou 't heen, als men
geen luitenant straffen of ontslaan mocht omdat men in 'n leger de
officieren niet missen kan?
122. De arme man heette Dongso, en heeft me later trouw gediend. De op
_Java_ tot dwangarbeid veroordeelde misdadigers vervallen in twee
klassen. Een gedeelte blyft op _Java_ zelf, 'tgeen als 'n groote
verlichting van 't vonnis beschouwd wordt. Te-werkstelling _buiten_
Java is den meesten een vreeselyke straf die niet zelden tot zelfmoord
dryft.
123. Toen ik in den tekst dit nummer invulde, was m'n voornemen een
karakterkundige analyse te beproeven van de wyze waarop myn streven
door m'n landgenooten is opgenomen. De _toon_ echter waarop dezer
dagen sommige publicisten my aanvielen, en het _terrein_ waarop zy
trachtten den stryd overtebrengen, weerhoudt me. Voor 't oogenblik
bepaal ik my te dien aanzien tot verwyzing naar de nummers 632, vlgg.
myner _Ideen_.
124. _Tikar_: matje. Het gebruik van fyn gevlochten matten op de
bedmatrassen, is in Indie vry algemeen, en wordt, omdat ze koel
blyven, voor gezond gehouden. Het vervaardigen van die matten en ander
vlechtwerk is in niet onbelangrijke industrie, waarin vooral de
_Makassaren_ uitmunten.
125. _Pukul ampat_: vier uur. Dit is de naam van 'n bloempje dat 's
namiddags op dat uur zich opent, en tegen den morgenstond zich weer
sluit. Dat _pukul_ (= slaan, slag. Hier: klokslag) moet worden
uitgesproken met de hollandsche _oe_-klank spreekt vanzelf.
126. _Saudien_ of _Soedien_ voor: _Si-Oedien_: een zeer dikwyls
voorkomende maleische naam. _Oedien_, _Oedin_ ('t arabische _Eddin_)
is waarschynlyk verwant met gelyksoortige noordsche benamingen in
Europa. Over 't zeer algemeene praefix _si_ ware veel te zeggen, meer
dan me thans de ruimte toelaat.
127. De gewone lezer houdt dit voor 'n fiktie. Welnu, ook hier schreef
ik de waarheid. De kommandant Duclari zag, des morgens by 't baden,
een lyk de rivier afdryven, en hy herkende den man die in zyn
tegenwoordigheid des avends tevoren zich by den adsistent-resident had
aangemeld met 'n klachte. De heer Carolus had hem doen gelasten den
volgenden dag op 't bureau te komen. Maar ... er werd zorg gedragen
dat-i _niet_ terugkwam! Geheel afgescheiden van Duclari's getuigenis,
was 't Havelaar bekend dat dit de gewoonte was, _en dit wist ieder in
't Lebaksche_, de Resident Brest van Kempen zoo goed als elk ander.
128. _De wyze waarop_ Havelaar _te handelen had_. In de eerste plaats
was hy gebonden aan _eed_ en _instruktie_, twee faktoren die hem
volkomen denzelfden weg aanwezen als zyn karakter en de
menschelykheid. Maar ... hy zou te doen krygen met den nergens
beschreven "geest des gouvernements" waarvan z'n onmiddellyke chef de
zeer onderdanige dienaar was. Die "geest" wilde--niet dat er _Recht_
geschiedde, maar slechts--_dat de uiterlyke toestand rustig bleef_.
Ieder had het oog op _eigen_ welstand alleen, op bevordering, op
pensioen. Hoeveel Javanen men om dat doel te bereiken, straffeloos
moest laten uitplunderen en vermoorden, deed niet tot de zaak. Zoo de
Slymeringen, zoo de van Twisten! En dit keurt de Natie goed. Wel verre
van 't Havelaar dank te wyten dat-i zich opofferde om aan dien
onzedelyken toestand 'n eind te maken, gist de onbeschaamdheid zoover
dat men thans begint hem z'n onbaatzuchtigheid aanterekenen als
_vergryp_. Hy had--als de anderen dus?--eerst z'n tyd moeten uitdienen
om pensioen te krygen! M.a.w. hy had moeten deelnemen aan de
schelmery, om ten-slotte z'n onwaardig leven te eindigen als kollega
van Van Twist! Hoe onbeschaamd ook deze stelling wezen moge, ze heeft
de verdienste van oprechtheid, of van brutale openheid althans. Wie ze
verkondigt, is voorzeker 'n slecht wezen, maar ...'t deert hem niet
dat men 't weet. _A la bonne heure_, zeer godgeleerde doctor Van Vloten!
Minder bevalt my de huichelary van de velen die Havelaars handelwyze
subliem vinden, o ja, maar geen hand uitsteken voor de zaak die hy
verdedigt. Men behoorde den moed te hebben zyner gewetenloosheid.
129. Men zie hierover in de _Minnebrieven_: Vraagpunten aan den
kontroleur, Sec. 18.
130. Als boven, Sec. 11.
131. _Beginselen van bestuur die ten-laatste zullen zegevieren_. Ik
erken dat dit er tot-nog-toe weinig naar gelykt. Het sprookje dat er
na 1860 in Indie zooveel zou verbeterd zyn, behandelde ik reeds op
blz. 344. (alinea met: "Zoo volgde na elk versleten experiment.", M.D.)
Wat--onder veel andere redenen--alle verbetering in den weg staat, is
onze Kieswet. Het bederf in den Staat (IDEE 286) _dat thans allerwege
erkend wordt_, is niet te genezen voor we van dat immoreel en onpraktisch
thorbeckiaansch vod verlost zyn. Geheel afgezien van de _indische zaken_,
is deze waarheid ook op Nederland zelf van volle toepassing.
132. Wil men dit "_zelfs_" opvatten als sarkasme, my wel! Eenvoudige
waarheid is, dat weinig koningen groot genoeg zyn om iets groots naast
zich te dulden. De meesten zelfs hebben behoefte aan 't _byzonder_
kleine. De afschuw van uitstekendheid gaat niet zelden boven 't
eigenbelang, en menig hooggeplaatst persoon ziet liever z'n eigen
zaak--en die van 't algemeen!--te-gronde gaan, dan dat hy iemand
naast zich stellen zou, wiens verdiensten de zyne overschaduwen. Deze
waarheid uit is oud, en--hoe treurig ook--niet onbegrypelyk. Maar dat
'n geheel Volk, wiens belangen daardoor worden verwaarlooosd, genoegen
neemt met zoo'n domme jalouzie, komt me vreemder voor. Ook hier alweer
staat onze Grondwet alle verbetering in den weg. De koning mag ...
_niets_ wezen. 't Zy zoo! Doch waarom toch de bepalingen omtrent
gezagsverdeeling zoo ingericht, dat-i by-voortduring in z'n omgeving
niet veel anders te aanschouwen krygt dan middelmatigheid? Men moest
zoo'n armen Koning dan toch de kans laten dat-i eens eindelyk iemand
naast, onder of boven zich kreeg, die wat meer beteekende dan te
verwachten is van uit de _Kamer_ voortgekropen ministers. Sommigen
beweren, naar ik hoor, dat onze Koning by de Natie niet geacht is.
Of 't waar is, weet ik niet. Ook niet of hy achting verdient. Maar
eilieve, meent men dat het omgekeerde mogelyk is? Dat die Koning de
_Natie_ achten kan, volgens de stalen die hy dagelyks van haar onder
de oogen krygt, en die hem _nota bene_ worden opgedrongen als de
_elite_ van 't Volk? Hoe overigens dit alles inwerkt op de benoemingen
van Landvoogden voor _Insulinde_, heeft de ondervinding voldoende
geleerd. Voor dat ambt--het gewichtigste in den Staat!--blykt ieder
goed genoeg te wezen, mits hy maar passe in 't kader van de _clique_
die vandaag toevallig op 't kussen zit. Hierover 'n hoofdstuk in den
nieuwen druk van "_Specialiteiten_."
133. Zekere kontroleur Bauer werd, heel in den beginne der regeering
van Van Twist, uit 's Lands dienst ontslagen: omdat-i geschenken had
aangenomen "_niet strekkende om zich te verryken_." Ik ontleen de
onderstreepte woorden aan 't Besluit zelf. Ziedaar de echte
huichelende moraliteitspreutsheid! Van Twist die gezworen had "de
bescherming van den Inlander als z'n eersten plicht te beschouwen" mag
dien plicht verwaarloozen en toch z'n traktement in ontvangst nemen,
maar 'n kontroleur die "_niet om zich te verryken_"en dus zonder 't
minste uitzicht op 't grondbezittend lidmaatschap in de Eerste-Kamer,
zich 'n bos _pisang_ laat opdringen, wordt met schande weggejaagd! Ik
zou ver loopen om iemand te zien, die 'n plaats bekleedend by
Binnenlandsch Bestuur, zich nooit schuldig maakte aan de vreeselyke
misdaad die den heer Bauer werd ten-laste gelegd. Gelyk ik reeds in
den tekst opmerkte, behoort het aanbieden van geschenken als de hier
bedoelde, beschouwd te worden als 'n _groet_, als 'n _plichtpleging_,
als uitdrukking van _beleefdheid_ volgens de zeden van 't Land. Dat
ik, in-weerwil hiervan, het aannemen van geschenken afkeur--gelyk uit
het aanhalen der Oostersche vertelling op blz. 212 (Zie de alinea die
begint met: "Het komt my echter voor" M.D.) voldoende blykt--doet nu
niet tot de zaak. M'n bedoeling is de huichelary van den Landvoogd in
't licht te stellen, die aan zulke kleinigheden z'n deugd verspilde,
en onverschillig toezag dat de aan _zyn_ zorg toevertrouwde inlanders
uitgeplunderd en vermoord werden. Het was dezelfde Van Twist, die de
_door hemzelf_ afgeschafte wyze van werving voor 't indisch leger weer
invoerde! De brave man meende dat zy "_den toets der zedelykheid niet
kon doorstaan_." Heel juist! Onnoozele javaansche jongens werden _van
Regeeringswege_ door onderofficieren, met behulp van _dobbelspel en ...
hoeren_ in 't net gelokt. Zeker, zeker, dat kan inderdaad den "toets der
zedelykheid" niet doorstaan! Maar wel kon 't den "toets der zedelykheid"
van den godvruchtigen Van Twist doorstaan, _deze wyze van werving weer
intevoeren_(*) en die man is in Nederland "geacht." Zal 't niet by zulke
toetsverhoudingen weldra 'n eer worden, tuchthuisboef te zyn?
(*) Voor den tienden maal sommeer ik den "_Oud-officier van 't Indisch
leger_" die in de N. Rott. Cour. deze bewering 'n "onwaarheid" noemde,
z'n laster intetrekken. Zie overigens een der Noten op _Idee_ 534.
134. De naam _Saidjah_ is met 'n kleine letterverzetting ontleend aan
den "Staat van gestolen buffels" in de _Minnebrieven_. Daarin vindt
men ook de namen der dorpen _Badoer_ en _Tjipoeroet_.
135. Myn berekening van wat er in Indie verloren gaat onder de
Regeering van een Gouverneur-generaal "die z'n plicht niet doet"
is--als gewoonlyk, we kennen dat!--_overdreven_ genoemd. Weinigen
hebben besef van de kracht der vermenigvuldiging. Ook Droogstoppel
stond verbaasd toen-i over dit onderwerp iets aantrof in Sjaalman's
pak. Ik vraag aan hen die zich zoo makkelyk van de zaak afmaken: _hoe
hoog dan_ VOLGENS HUN MEENING _'t bedrag is, waarop een gouverneur-
generaal van de soort der_ Van Twisten--en hy was de ergste niet!--_aan
de Natie te staan komt?_
136. _Orang Goenong_: bergbewoner, doch op Java zeer speciaal de
bewoner der bergen in den westhoek. 't Woord _aliforoe, alifoeroe,
harifoeroe_ (alfoer) heeft in den noordhoek van _Celebes_, in den
geheelen _molukschen_ Archipel, en op _Nieuw-Guinee_, dezelfde
beteekenis, of althans die van _bewoner der binnenlanden_. 't Is dus
eigenlyk geen volks- of stamnaam, gelyk door sommigen gemeend wordt,
maar wordt--evenals 't woord _Nederlander_--dikwyls als
zoodanig gebruikt.
137. Uit gebrek een ruimte, en tevens omdat de hier behandelde zaak in
nauw verband staat met de meerendeels zoo onjuiste begrippen over
_bevoegdheid in 't algemeen_, wil ik hier over dit onderwerp niet
verder uitweiden. Ik verwys naar den laatsten druk der "_Specialiteiten_."
(Delft, by Waltman.)
138. _Kendang_: omheining van ruw paalwerk.
139. Frits had allerlei vragen gedaan, zegt Droogstoppel. Van die
vragen kwamen er in 't Hs. 'n paar voor, maar de heer V. Lennep heeft
gemeend ze te moeten supprimeeren. Waarom? Toch niet omdat de
Wawelaars verlegen zitten met het antwoord? 't Komiekste is dat V.L.
zelf, hier hofmakende aan 't bekrompenst bygeloof, dikwyls met de
bybelsche vertellingen den spot dreef. Hy hield van Voltaire meer dan
ik, en was zeer in z'n schik als men hem zeide dat-i op dien
oppervlakkigen denker geleek, wat in z'n laatste levensjaren werkelyk
't geval was. Dat hy, in-weerwil van deze geestesrichting, toch geen
vryheid voelde Frits te laten vragen: "_vanwaar toch Noach z'n
ysbeeren voor de Ark gehaald had?_" e.d. bewyst, dunkt me, de
gegrondheid myner opmerking in de noot op blz. 357 (Noot 11, M.D.).
Z'n orthodoxe vriendjes te Amsterdam mochten niet gekrenkt worden in
hun keukenmeidengeloof. Gelukkig dat het aantal ongerymdheden in den
bybel zoo groot is, dat niemand verlegen hoeft te staan om de hier
gesupprimeerde "neuswyzigheden" van Frits met _beliebige_ uitbreiding
aantevullen.
140. _Sluis_ in-plaats van _steenen brug_, is werkelyk 'n
eigenaardigheid in 't amsterdamsch. Van dien aard hoort men er velen,
daar zoowel als elders. De woorden, _gracht_ en _wal_, byv., worden
dikwyls verwisseld. Men woont _op_ de gracht, en werpt iets _in_ den
wal. Opmerkelyk is in de laatste spreekwys het onbewust terugkeeren
tot de oorspronkelyke beteekenis van 't woord, daar wal een der zeer
vele klanken is, waarmee men 't begrip: water aanduidde. (_wal_visch,
nar_wal_, _wal_rus = walros: zeepaard.) Op analogische wys veranderde
het woord _dyk_ van beteekenis, en misschien ook: _dam_. Zoo ook, maar
in omgekeerde richting, de woorden _tuin_ en _gaarde_. Gedurende den
loop der eeuwen verwisselde men telkens de benamingen van 't contenant
en 't contenu. Dat nu, om weertekeeren tot Droogstoppel's amsterdamismus,
't woord _sluis_ oorspronkelyk niet uitsluitend de beteekenis had van
_waterkeering_, ligt in de rede. Het is van den met zooveel nakroost
gezegenden wortel _kl_ of _sl_, die eerst het begrip _roepen_, daarna
dat van _sluiten_ en _heerschap_ uitdrukte. Zie hierover eenige
opmerkingen in den Vn bundel _Ideen_, waar evenwel de stof op verre na
niet uitgeput is. De vruchtbaarheid der Israelieten haalt niet by den
rykdom aan kroost van de klanken _kl (sl)_ of _lk (ls)_. Ik meen
ten-slotte dat het ware woord voor _sluis_ in den zin van waterkeering,
is: _zyl_ of _ziel_, doch daarvan kon ik tot-nog-toe de etymologie niet
opsporen.
(1881). _Zyl (zl)_ zal wel van denzelfden wortel stammen.
141. Ik geef hier by-een de verklaring van eenige maleische woorden,
idiotismen en eigenaardigheden, die in de epizode van _Saidjah_
voorkomen.
_Lombong_: bergplaats voor ryst en padie. Meestal is ze buiten 't huis
tegen een der wanden aangebouwd.
_Kris_, 't _volksthuemliche_ wapen van den Javaan, dat als zoodanig by
z'n volslagen kleeding behoort, gelyk by ons in vroeger tyd de degen.
Het is 'n slangvormige platte dolk, met zeer kleinen greep. Gewoonlyk
zyn de krissen van reepen week yzer in-eengesmeed--damastwerk
alzoo?--en daarna met behulp van buffelhoeven gestaald. Ze werden voor
roest bewaard door 'n inwryving met _djerook_ ('n citroensoort) met
_arsenicum_, dat aan 't yzer 'n eigenaardig doffe tint geeft. Het
bygeloof beweert dat men, 'n kris willende bezien, die _geheel-en-al_
uit de schede moet halen. Wie 't slechts gedeeltelyk doet, stelt zich
bloot aan groot ongeluk. Over betooverde krissen, e.d. zyn tallooze
vertellingen in omloop.
_Poesaka_: erfstuk, hier--gelyk dikwyls--in pieuzen zin genomen.
_Sawah_: door kunstmatige bewatering toebereid rystveld, in
tegenstelling van _gagah's_ en _tipars_, rystaanplantingen die wat de
bevochtiging aangaat, rechtstreeks van den regen af hangen.
_Klamboe_-haken. _Klamboe_ is gordyn. In de platte, zeer breede haken
waarmee ze worden opgehouden, heerscht eenige weelde. Ook by den
minstwelvarende zyn ze toch gewoonlyk van messing.
_Patjol_: 't werktuig dat de Javaan als spade gebruikt. Het blad zit,
als 't yzer van 'n houweel, loodrecht op den houten steel. Er wordt
dus mee _gehouwen_, niet _gespit_, 'n eigenaardigheid die misschien
hieruit voortvloeit, dat de inlander blootvoets gaat.
_Oeser-oeseran_. 't Woord wordt in den tekst verklaard. Vermeende
byzonderheden in den loop van zulke haarkringen, vooral wanneer ze
zich vertoonen op den kruin van 'n kind, leveren stof tot allerlei
voorspellingen. Zie, byv. blz. 121. (Zie alinea die begint met: "De
Adhipatti bezag het hoofd", M.D.)
_Penghoeloe_: priester.
_Ontong_: geluk, voordeel.
_Galangans_: smalle dykjes die 't water op de _sawahs_ houden.
_Allang-allang_: riet, reuzen- of _prairie_-gras. Het is vaak zoo hoog
dat 'n man te paard er zich in verbergen kan. De benaming op _Sumatra_
is _riemboe_, wat daar ook _wildernis in 't algemeen_ beteekent.
_Sarong. Batik. Kapala_. De _sarong_ is 't eigenaardig kleedingstuk
der Javanen, mannen en vrouwen beide. Het is een van _kapok_ geweven
lap, welks einden aan elkander genaaid worden. Het gebruik van zyde is
uitzondering. Een dezer einden heet _kapala_, d.i. _hoofd_, en is
beschilderd met 'n breeden rand, gemeenlyk uit tegen elkander
inloopende driehoeken bestaande. Dit "schilderen" heet _batik_, en
geschiedt uit de hand. Het weefsel wordt te-dien-einde op 'n raam
gespannen, en de verf is in 'n werktuigje van blik dat--zeer verkleind
--den vorm heeft van 'n trekpot of antiek lampje. _Sarongs_ zonder
_kapala_, en welker einden niet aan-eengenaaid zyn, heeten
_slendangs_. Men draagt deze kleedingstukken om de heupen, en de
mannen schorten ze meer of min, ja soms geheel-en-al, op. Ook wordt de
_slendang_ dikwyls geheel tot gordel saamgerold, in welk geval de
mannen een broek dragen, zeer tegen de eigenlyke javaansche gewoonte,
'twelk meer en meer de overhand neemt by de Javanen die veel met
Europeers in aanraking komen. Als 'n byzonderheid mag opgemerkt
worden, dat het gebruik van broeken onder de _sarong_, door _vrouwen_,
alleen in den Noordhoek van Sumatra voorkomt. Ik althans heb deze
gewoonte slechts daar aangetroffen. Ze is van atjineschen oorsprong,
waarom dan ook die kleedingstukken den naam dragen van _serewah
atjeh_: atjinesche broek. Het vervaardigen daarvan is een der
voornaamste industrien in de rykjes waarmee we nu in oorlog zyn.
Wat overigens de _sarongs_ en _slendangs_ aangaat, sedert 'n dertigtal
jaren leggen zich europesche fabrikanten toe op 't namaken van 't
javaansche _batik_, en er worden dan ook jaarlyks voor millioenen in
dat artikel omgezet. Toch wordt het dragen van 'n _gedrukten kain_
(_kahin_: kleed, de generische naam voor al zulke kleedingstukken)
steeds voor 'n blyk van armoed of althans van geringer welvaart gehouden.
_Mata-glap. Amokh_. 't Woord (_matah-glap_ = verdonkerd oog) duidt den
toestand aan van iemand die in razerny alles wat hy ontmoet neervelt,
tot hyzelf verslagen wordt. Ik noemde 't ergens 'n "zelfmoord in
gezelschap" en weet er nog altyd geen beter naam voor. De ongelukkige
die door deze woede wordt aangetast, kent vriend noch vyand. Oorzaken
zyn gewoonlyk of minnenyd, of lang opgekropte wrevel over mishandeling.
De Javaan is, als de meeste andere Inlanders, uit den aard zachtmoedig
en inschikkelyk. Al te diep gegriefd, of _te_ lang verongelykt, berst
z'n woede in _amokh_ uit. Dat evenwel ook de _amfioen_ (opium) hierby
'n rol speelt--'tzy als oorzaak der kwaal, 'tzy als opwekkend hulpmiddel
tot het botvieren van de woede--spreekt vanzelf.
_Atap_: 'n soort van waterpalm welks bladen tot dekking van geringe
huizen gebruikt worden.
_Bendie_: chais, tilbury.
_Djati. Ketapan_. Twee soorten van groote boomen. De eerste levert 'n
zeer duurzaam hout. Waarom botanici hem den naam van _quercus indica_
gegeven hebben weet ik niet, daar hy geenszins met onzen eik
overeenkomt. "_Kajatenhout_" is pleonastische verbastering van
_kajoe-djati_ = _djatihout_.
_Melati_. Een klein wit bloempje met sterken jasmyngeur. Het speelt,
als by ons de roos, 'n groote rol in balladen, sagen en legenden.
_Rystblok_. Zware houten trog waarin de _padie_ door stampen ontdaan
wordt van den bolster. Dat stampen heet--klanknabootsing alweer!
--_toembokh_.
_Toedoeng_, zie Noot 31. De bepaling van 't uur, naar den schaduw die
_Saidjah's toedoeng_ teekende op zyn gelaat, is 'n indiismus.
_Lalayang_: vlieger. Op Java vermaken zich niet uitsluitend kinderen
met dit speeltuig. Het heeft geen staart, en beschryft allerlei
slingeringen die door vieren, inhalen en rukken eenigszins bestuurd
worden door de persoon die de koord houdt. Het doel van 't spel is, de
koord van den vlieger der tegenspelers in de lucht te ontmoeten en
aftesnyden. Uit de pogingen die hiertoe worden aangewend, ontstaat als
't ware een gevecht dat zeer vermakelyk is om aantezien, en de
toeschouwers opwekt tot levendige deelneming. De door Saidjah
veronderstelde mogelykheid dat "de kleine Djamien", zou getricheerd
hebben, is, wat de daartoe vereischte handigheid in 't werpen aangaat,
'n indiismus.
_Zout maken aan de zuidkust_. Zie Noot 71.
_Grooten mond hebben_, en: _vuur dooden_, zyn malayismen.
_Klaagvrouwen_. By 't sterven van 'n Javaan wordt vreeselyk misbaar
gemaakt, niet--zooals vroeger ten-onzent--door bezoldigde
_huilebalgen_, maar door verwanten, kennissen en buren.
_Spaansche matten_: zuid-amerikaansche _dollars_, waarschynlyk
dusgenoemd omdat in vroeger tyd het zeer omslachtige spaansche wapen
aan matwerk deed denken. Die waarop twee kolommen staan, de
zoogenaamde _pilaarmatten_, worden voor de besten gehouden, en gelden
zooveel als onze oude _zeeuwsche_ ryksdaalders, die misschien, wat
gewicht en gehalte aangaat, aanvankelyk naar spaansch model geslagen
werden. De "spaansche mat"--nu veelal van mexikaanschen muntslag--heet
in ons Indie "_ringgit_" en blyft nog steeds 'n zeer gewild betaalmiddel,
omdat de chinezen, die veel munt uitvoeren en in China versmelten, het
zilvergehalte op hoogen prys stellen.
_Kamoening_: fyn geel gevlamd hout, dat slechts door den wortel van 't
aldus genaamde kleine boompje geleverd wordt, en dus nooit groot van
stuk wezen kan. Het is zeer duur.
_Ikat-pendieng_. _Pendieng_ is de buikband zelf. _Ikat_: gemeenzame
verkorting in slecht maleisch van _pengikatan_, de agraaf daarvan.
_Pagger_ (ten-rechte _pagar_) beteekent _heg_. _Pagger_ is een van de
vele maleische woorden, die--evenals _pikelen_: dragen, _mandien_:
baden, _soemah_: moeite, verdriet--burgerrecht verkregen in 't
hollandsch der Europeanen in Indie.
_Soesoehoenan van Solo_: de Keizer van _Soerakarta_. Hy geeft in z'n
officieele korrespondentie, aan den gouverneur-generaal, o.a. den
titel van "grootvader."
_Kondeh ... gevangen in eigen strik_. Zie hierover noot 33. In de
engelsche vertaling van den _Havelaar_, heeft m'n beste Nahuys, zonder
erg gemeend in deze beschryving iets te mogen veranderen. Hy laat
Adinda's haren samenhouden door 'n lint, wat zeer onjavaansch is. Deze
blunder heeft my in den edinburgschen _Scotsman_ 'n vinnige berisping
op den hals gehaald van 'n hollandschen korrespondent--toevallig 'n
gewezen theekontraktanttokohouder en ... rystopkooper, dat is:
woekeraar van de ergste soort, 'n ware javanenbloedzuiger--die daaruit
betoogt dat ik niet het minste verstand heb van indische politiek en
dat de inlander 't heel goed heeft.
_Pontianak_: spook dat zich in boomen ophoudt, en zeer gebeten is op
vrouwen, vooral zwangere. Ik weet niet of er verband bestaat tusschen
deze beteekenis van 't woord, en de naam der nederlandsche vestiging
op Borneo's Westkust.
_Oog van den dag_ voor zon: malayismus.
_Pelitah_: lampje.
_Rottan_ of _Rotan_: spaansch riet, rotting.
_Badjing_: javasche eekhorn. Dit beestje kwam me altyd kleiner voor
dan z'n europesche soortgenoot. Het laat zich gemakkelyk tam maken.
_Buikje_ voor maag: malayismus.
_Rottingstraf_. Onder den indruk van den _Havelaar_ is deze straf
afgeschaft, wat ik als 'n fout beschouw. Ook hier bevond men zich, als
gewoonlijk, _a cote de la question_. Indien er voor kleine delikten
gestraft worden _moet_, is rottingstraf doeltreffender, zedelyker, en
vooral ... _menschlievender_, dan 't opsluiten in 'n gevangenis of de
ten-arbeidstelling aan publieke werken. Zie over dit laatste,
blz.[xxx] (zie alinea met: "Het gering aantal lieden ...", M.D.).
Het doet me leed, hier geen ruimte te hebben deze zaak breeder te
behandelen, gelyk eerst myn voornemen was. Ik bepaal me tot de verklaring
dat de afschaffing der rottingstraf naar aanleiding van den _Havelaar_,
in-verband met het _opzettelyk verwaarloozen der hoofdstrekking van dat
werk_, een escobarsche huichelary is. De Natie heeft zich alweer dat zand
in de oogen laten strooien. Het weder invoeren van de rottingstraf in
Indien is _in 't belang van den Javaan_ dringend noodzakelyk.
_Boaja_: kaaiman, 'n krokodillensoort. Dat offeren geschiedt door 's
avends wat ryst en andere spys in een bamboezen korfjen of bakje dat
van 'n lichtje voorzien is, met den stroom te laten afdryven. Als er
wat veel op de rivieren geofferd wordt, leveren die zachtkens voort-
schuivende vuurpunten 'n aardig gezicht op.